Posts tonen met het label Eindhoven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Eindhoven. Alle posts tonen

donderdag 5 september 2013

Het schieten van de papegaai, het schutten van de bruid en het zaaien van knollen bij Noordenwind

Het gilde van St. Crispinus & St. Crispinianus in Besoijen in 1976
Bron: website van het gilde

Vierentwintigste brief, deel 7

In enkele dorpen schiet men de vogel of papegaai niet van een schutsboom af, maar van een roede of wiek van de molen. Dit doet men in Oss en Bakel, misschien ook op andere plaatsen. In de Meierijsche dorpen bestaat er een groot verschil tussen schutterijen en gilden. Bij de schutterij is er een man die met een standaard in de hand op een paard rijdt. De schutterijen zouden nog enkele geschreven privileges bezitten, hun geschonken door keizer Karel V en andere Brabantse hertogen.

Gilden zijn ook schutterijen, maar dan zonder standaard en slechts naar eigen believen door de inwoners opgericht. Zij kennen geen privileges. In alle vaandels van de schutterijen en gilden tref je een groot Bourgondisch kruis aan, aangezien de oorsprong ervan aan de Bourgondische hertogen te danken is. In het midden van dat kruis staat een afbeelding van de heilige aan wie de schutterij is toegewijd. In Helmond en Eindhoven zijn schutterijen die niet met een snaphaan, maar met de handboog op de papegaai schieten. Dit zijn ongetwijfeld de oudste schutterijen van de Meierij.

Hij die de papegaai van de schutsboom afschiet, is koning (herinner je wat ik je hierover tijdens mijn vorige reis heb geschreven). Maar als dezelfde persoon de vogel er drie achtereenvolgende jaren afschiet, dan krijgt hij de titel van keizer. Hij krijgt zijn drie zilveren schildjes terug, die hij aan de schutterij had moeten geven, en draagt die elke kermis als teken van zijn waardigheid op zijn borst. Hij is ook vrijgesteld van alle verteringen die bij de schutterij gedaan worden, de andere leden moeten alles voor hem betalen.

Als iemand in ondertrouw gaat en zich daarvoor naar het raadhuis begeeft, wordt hij altijd vergezeld van een massa mensen, met name ongehuwden van beide seksen. Velen vuren hun geweer af ter ere van bruidegom en bruid of onthalen het bruidspaar en allen die hen vergezellen in het openbaar op straat op jenever of brandewijn met suiker. Vroeger was dit streng verboden, en terecht, want er konden zich bij zo’n gelegenheid door het schieten met een halfdronken kop of op een andere manier vele ongeregeldheden voordoen. Tegenwoordig sluipen al die gebruiken weer langzaam deze streek binnen.

Tot slot moet ik hier nog een waanidee vermelden dat niet alleen onder roomsen in de Meierij, maar zelfs bij protestanten heerst. Men denkt dat als men knollen zaait bij noordenwind, dat ze dan in sloren of wilde kolen zullen veranderen. Welke invloed de noordenwind op het zaad kan hebben zodat er een heel andere plant uit groeit, dan waarvan het gewonnen is, kan ik niet begrijpen. Vraagt men hoe dat toch mogelijk is, dan is het antwoord: “dat weet ik niet, maar toch is het zo!”

dinsdag 3 september 2013

Sinterklaas, Vastenavond en het feest van Sint Jan

Ganstrekken vanaf een kar
(bron: Historie van het ganstrekken en aanverwante volkstradities)

Vierentwintigste brief, deel 6

In alle dorpen wordt het feest van Sint Nicolaas gevierd. In sommige daarvan rijdt er dan iemand op een paard rond, soms zelfs twee mensen op één paard. Zij zijn heel erg raar uitgedost, soms zelfs afschuwelijk, en strooien met allerlei klein gebak naar de kinderen die hen massaal volgen, van hoop en vrees vervuld, omdat ze denken dat dit de ware St.-Nicolaas is. Dit ritueel voert men vooral in Eindhoven en in Oss uit. In Geldrop kent men St.-Nicolaas niet, maar daar vieren de kinderen een vergelijkbaar feest halverwege de veertigdaagse vastentijd. Ze noemen hem “de heer van Halfvasten”.

In sommige dorpen lopen de schoolkinderen rond met ratels en stokken, maken een vreselijk kabaal en vragen aan iedere deur paaseieren of geld. De opbrengst wordt later door de schoolmeester onder hen verdeeld. Dat gebeurt gewoonlijk een paar dagen voor Pasen.

Op Vastenavond “rijdt” men in vele dorpen “de gans”: een levende gans, waarvan de hals met zeep is ingesmeerd, wordt aan zijn poten opgehangen aan een touw, dat zo hoog gespannen is, dat er een man te paard onderdoor kan rijden. Terwijl men er - meestentijds halfdronken - onderdoor rijdt, probeert men de kop van de gans af te trekken. Wie daarin slaagt, krijgt de gans.

Het is een teken van grote wreedheid, want hoe harder de arme gans schreeuwt en hoe langer het dier gemarteld wordt, hoe groter de vreugde en het genoegen van de toeschouwers. Men smeert de nek in met zeep, want dan kan men de kop niet goed vastpakken, zodat het ongelukkige dier des te langer moet lijden.

In sommige dorpen is het de gewoonte om op het feest van Sint Johannes de Doper, op 24 juni, bloemen boven de deuren en vensters van de huizen te hangen. Men zegt dat dat gebeurt, omdat Sint Jan een bloemenliefhebber was. Anderen geven als reden voor dit gebruik het volgende. Johannes kwam eens in een stad waarvan de inwoners hem wilden doden. Omdat het avond was, ging hij een huis binnen. De stedelingen versierden dat huis met bloemen, om toch maar niet te vergeten waar hij naar binnen was gegaan, zodat ze hem de volgende dag konden vermoorden. Maar toen ze die volgende dag ontwaakten en hun boze plan wilden gaan uitvoeren, waren alle andere huizen als door een wonder op precies dezelfde manier met bloemen versierd, zodat men niet meer wist in welk huis Johannes zich bevond en hij dus aan het dreigende gevaar kon ontsnappen. Om dit tastbare wonder te vereeuwigen, blijft dit gebruik in zwang.

donderdag 29 augustus 2013

Onnozele Kinderen en St.-Thomasdag

Onnozele Kinderen (bron: Krekwekdogt, collectie RAT)

Vierentwintigste brief, deel 5

Als ik het goed heb, wordt het salaris van de preceptoren van de Latijnse scholen van Helmond en Eindhoven en zo, betaald door het gewest. Zodoende moeten alle inwoners van de Meierij daaraan meebetalen, ofschoon men deze scholen heel goed zou kunnen missen. Dit wordt echter in stand gehouden om toch maar vooral roomse scholen te hebben. Ik weet dat zelfs roomsen uit Holland hun kinderen daarheen sturen om onderwijs te krijgen in het monnikenlatijn, want het Latijn dat je leert op een hervormde school, dat deugt in het geheel niet. Zo ver gaat men hier in hun bittere bijgeloof!

In sommige dorpen bestaat de gewoonte om kleine kinderen op het feest van Onnozele Kinderen, op 28 december, in de kleren van hun ouders te hullen. Dan zijn de kinderen die hele dag de baas in huis en hun ouders moeten hen dan gehoorzamen. Het staat heel belachelijk een kind te zien pronken met een grote pruik van zijn vader, of met een jak, schort en beugeltas van moeder. Ook zijn er dorpen waar op St.-Thomasdag, op 29 december, de schoolkinderen hun meester buiten de school sluiten. Als de meester aan de deur komt, dan doen de kinderen alsof ze hem niet kennen en willen ze de deur pas openmaken als hij beloofd heeft om ze op het een of ander te trakteren. Dit is vast een imitatie van de ongelovigheid van de apostel Thomas. Vroeger waren zulke dingen terecht verboden, maar tegenwoordig beginnen al dit soort bijgelovige praktijken steeds meer de kop op te steken.

dinsdag 23 juli 2013

De ware aard van de Meierijse boer

Graan dorsen (bron: boek over oud-Brabants dorpsleven)

Tweeëntwintigste brief, deel 5

De boeren in de Meierij zijn over het algemeen zeer inhalig en geweldig uit op eigen voordeel. Ze zijn ook zeer doortrapt in hun zakendoen, namelijk als ze iets willen kopen of verkopen. In sommige opzichten zijn ze zelfs zeer bedrieglijk, waarvan dit spreekwoord uit de Meierij getuigt: al wie een boer wil bedriegen, moet een boer meenemen. Er valt ook niet veel te roemen over het karakter en de deugdzaamheid van de Meierijsche boeren. Juist daarom vind je hier in deze streek het volgende gezegde, dat ik geheel voor zichzelf zal laten spreken:

Een boer is maar een beest, hij gaat met beesten om;
Al wat geen beest is, is hem niet wellekom.

Je mag hieruit concluderen dat van de Meierijenaars de boeren al van oudsher het slechtste karakter hebben. Men zegt tenminste in deze streek, als men een slecht mens wil aanduiden: “o, het is maar een boer.” Ik denk echter dat men hier een uitzondering moet maken, hoewel het ook zeker is dat men in de Meierij weinig goeds wil horen van een boer. Men zegt ook dat de Meierijsche boeren de grootste plaag voor de boeren waren, toen zij in 1794 voor de Fransen en andere troepen karrediensten moesten verrichten.

Als iets bijzonders voeg ik hier nog aan toe dat men in de Meierij weinig kreupelen, verminkten of gebochelden aantreft. Ik heb er ook weinig schele mensen gezien en ik heb er geen een ontmoet die bijziend was. Dat alles vloeit voort uit natuurlijke oorzaken, veel te lang om dat nu aan je te vertellen. Maar je kunt het gemakkelijk zelf beredeneren. Ik zou daarom overbodige moeite doen je iets te willen schetsen dat jou veel beter dan mij bekend is.

Iets anders dat zeker is: in de steden Den Bosch, Helmond en Eindhoven en in die dorpen, waar veel ambachtslieden wonen, heb ik de meeste mismaakte mensen gezien. Ook daarvan kan men natuurlijke oorzaken vinden.

Hier heb je nu weer een brief, en wel een die geschreven is in de volgorde waarin mij de zaken door de hersens schoten. Accepteer hem zoals hij is en geloof dat ik altijd ben, je onveranderlijke en oprechte
Vriend

donderdag 16 mei 2013

De waarheid over de kerktoren van Eindhoven

Prent uit 1791 van de St. Petruskerk in Woensel
(tegenwoordig Eindhoven) waarvan nu alleen
nog de toren resteert; de hoge spits verloor de
toren al tijdens een orkaan in 1800 (bron: Wikipedia)
Achttiende brief, deel 3

Vervolgens liep ik in de richting van Eindhoven, waar ik een nacht bleef. Ik zag er precies hetzelfde als vorig jaar. Men vertelde mij echter dat de spits van de toren, die zeer laag is en van een lelijke bouwstijl, er op de volgende manier opgekomen is: men vertrouwde er niet op dat de architect van de toren een behoorlijke spits kon maken, en liet hem daarom slechts een kleine kap zetten, om die daarna weer weg te halen en een spits te laten bouwen door een ander. Toen de architect dat hoorde, nam hij dat zo hard op, dat hij, om zijn kunde te bewijzen, in het naburige Woensel een toren bouwde, die in alle opzichten een kunststuk van architectuur is. Toen hadden de Eindhovenaren natuurlijk berouw, maar dat was te laat. Hij was er niet toe te bewegen om daar nu een degelijke en uitstekende torenspits te bouwen.

Zo luidt het verhaal, maar dit is wat er werkelijk gebeurd is. In 1525 woei de spits hier van de toren en men plaatste er toen een provisorische kap op, met de bedoeling de spits er later weer op te zetten. Maar dat project bleef hangen en die noodkap staat nog steeds op de toren. Aan dit alles wil ik nog toevoegen dat dit stadje in 1543 door de beruchte Maarten van Rossum werd ingenomen. In 1552 brandde Eindhoven af. Het klooster Ten Hage bij genoemd stadje, waarmee ik je vorig jaar tijdens mijn vroeger reis al heb laten kennismaken, zou gesticht zijn in 1420 en de kerk daarvan brandde in 1561 af.

In de vroege ochtend zei ik vaarwel tegen Eindhoven en wandelde via Woensel - waar de hervormden tegenwoordig hun diensten houden in het huis van de schoolmeester, omdat ze hun kerk en de predikantswoning kwijt zijn - naar Son, waar ik mijn ochtendontbijt genoot. Vervolgens stapte ik weer verder naar Sint-Oedenrode. Hier at ik en na het middagmaal reisde ik weer verder naar deze stad, al was dat via een andere route dan waarlangs ik in dat dorp was gekomen. Ik wandelde over een eenzame heide naar Schijndel en van Schijndel langs een zeer aangename weg naar Den Dungen.

dinsdag 19 februari 2013

De Latijnse School in Helmond

Kerkstraat 20 in Helmond, in 1799 gebouwd als Latijnse School.
Tot 1831 was de school daar gevestigd (foto: RHCe, nr. 0103649)

Twaalfde brief, deel 1

Geachte vriend!

Nog meer over Helmond. Enige tijd geleden is hier ontzettend groot rumoer geweest en grote ruzie tussen de preceptoren van de Latijnse School en de leerlingen. Eén van de preceptoren wilde, dronken als hij was, een van zijn leerlingen afrossen, maar die beet flink van zich af en diende zijn meester meer slagen toe dan hijzelf ontving. Diezelfde jongen riep in het openbaar over straat: eerst werden we bestuurd door hoerenlopers, en nu door dronkenlappen! Vervolgens werden enkele jongens van school verwijderd, die men allemaal, op twee na, uiteindelijk weer heeft moeten aannemen.

Men had hier de gewoonte om de Latijnse jongens, als ze iets misdeden voor straf in een donkere kelder op te sluiten, waarin ze goed opgeborgen waren. Ook deze straf hebben de preceptoren moeten afschaffen. Kortom: al deze voorvallen hebben weinig toegevoegd aan de roem en achting van de Helmondse Latijnse School en nog veel minder aan de preceptoren, zoals je makkelijk kunt begrijpen.

De preceptoren weten weinig van het Latijn. Ik weet uit eigen ervaring dat ze volstrekt niet in staat zijn om de kinderen de pronomina reciproca (zoals men ze noemt) suus en sui goed te leren gebruiken. Dat is toch iets wat in het Latijn uiterst noodzakelijk is. Op basis van dit ene voorbeeldje kun je al makkelijk de “kunde” van deze leermeesters beoordelen. De Latijnse School wordt hier in zes klassen verdeeld, waaruit ook weer een grote kunde blijkt. Zie hier die verdeling: eerste school, de kleine figuur; tweede, de grote figuur; derde, grammatica; vierde, syntaxis; vijfde, poësis; zesde: rhetorica. Wat die kleine en grote figuur zijn, weet ik niet, tenzij het gaat om de zogenaamde rudimenta. Op dezelfde manier wordt ook de Latijnse School in Eindhoven ingedeeld.

donderdag 30 juni 2011

Eindhovense pronkzucht


Zevende brief, deel 6

Ik ben van plan morgen Eindhoven te verlaten, maar waar ik naar toe zal gaan weet ik nog niet. Ik weet alleen dat ik u bij de eerste gelegenheid zal schrijven, zodra ik op een plaats gekomen ben, waar ik denk een paar dagen te blijven. Maakt u dus over mij niet ongerust, al krijgt u niet direct een brief van mij. Voordat ik echter deze brief afsluit, moet ik u nog iets over het karakter van de Eindhovenaren melden.

In Eindhoven heerst grote pronkzucht. Bijna iedereen kleedt zich ver boven zijn stand, weinigen uitgezonderd. Daardoor maakt een vreemdeling zich hier vaak belachelijk, door een knecht of een ambachtsgezel die hij op een zon- of heiligendag ontmoet, beleefd te groeten (al zie ik niet in hoe men zich belachelijk kan maken door iemand, zelfs al is het een bedelaar, een goedendag toe te wensen; hier voelt men dat echter wel zo).

Kundige mensen vindt men hier niet. Over het algemeen is men hier bemoeizuchtig en babbelziek. Onder de roomsgezinden (er zijn hier een paar hervormden en enkele joden) treft men wel mensen aan die spotten met hun religie, maar tegelijk zijn ze zo bijgelovig dat ze iedere morgen net zo trouw naar de mis gaan als alle anderen. In gezelschap worden er heel wat woorden vuil gemaakt, maar daarmee heeft men er ook alles van gezegd. Kortom: in kleding, taal, godsdienst, bijgeloof, onkunde, praatzucht en zo voort zijn ze de perfecte Brabanders, en met dit ene woord heb ik u eigenlijk alles gezegd.

Ziedaar mijn vriend, een beknopte, maar niet heel erg positieve schets van de Eindhovense inwoners. Ik wou dat ik u een gunstiger beschrijving van hen had kunnen geven, want ik schrijf niet graag iets ten nadele van anderen. Maar ik moet nu eenmaal de waarheid getrouw blijven en dan kan ik u het algemene beeld van die mensen niet anders uittekenen. Ik blijf nog steeds uw beste vriend, en zo voort.

dinsdag 7 juni 2011

De romantiek van de natuur

Zevende brief, deel 2

Stel het u voor, mijn beste S...! De opkomende zon in al zijn pracht achter u en vóór u een overvolle rivier en een waterval, waarvan het water door de stralen van de rijzende zon een vuurgloed krijgt. Schuin voor u, over prachtige weilanden en graanvelden, ziet u aan uw linkerhand het stadje Eindhoven en aan uw rechterhand, ook schuin voor u, het dorp Woensel. Beeldt u dan in dat er eindeloos veel vogeltjes rondom u heen fladderen, terwijl ze hun Schepper hun ochtendlied toezingen. Hun ongekunstelde tonen worden deels gedempt door het geruis van het vallende water. O, hoe zeer verrukt mij dit alles!

Wat een vurige dank bracht ik mijn Schepper, omdat die mij een hart gegeven heeft dat zo gevoelig is, ook voor het mooie in de natuur. Hoe verrukkelijk is het landleven!! O, kon ik er toch maar altijd van genieten! - !! “Hartverblijdend landleven” zo begon ik in mijzelf te spreken:

Hartverblijdend buitenleven,
Groeizame akkers, welig gras,
Frisse windjes, koele dreven;
Oogverheugend bloemgewas!
Zacht geruis van beek en stromen;
Vogeltjes die vrij en blij
Zingend vliegen door haag en bomen,
Hoe bekoren en verrukken jullie mij!
Heerlijke zomerdagen,
Milde regen, zonneschijn;
Hij die jullie niet kunnen behagen,
Moet zich schamen mens te zijn.”

Maar laat ik u verder schrijven.

Opmerking
Het geciteerde gedicht komt uit de brievenroman van Betje Wolff en Aagje Deeken, Historie van den heer Willem Leevend (Den Haag, 1784).

dinsdag 31 mei 2011

Ik heb me ernstig vergist

Zesde brief, deel 6

Ik was helemaal vergeten dat ik mij voorgenomen had om mijn godsdienstige overtuiging aan niemand te onthullen. Mijn redeneringen deden mij nu duidelijk als een protestant herkennen. In het vervolg zal ik me er dan ook voor hoeden om mij uit te spreken over enig religieus twistpunt. Maar intussen had ik mij al weer ernstig vergist in mijn idee dat ik met een oprechte en tolerante man te maken had gehad.

Wat een sterk bewijs vormde dit gesprek voor de waarheid dat denkbeelden en vooroordelen die iemand met de paplepel worden ingegeven, hoe ongerijmd ze ook zijn, aan bijna iedereen blijven hangen en - als het om geloof gaat, vooral als dat een blind geloof is - niet gemakkelijk verborgen worden gehouden.

Zou u, mijn vriend, dit verwacht hebben van een man die van te voren zo ruimhartig en zo oprecht redeneerde? Ik was in ieder geval sprakeloos van verbazing en ik wist niet of ik mijn oren moest geloven of niet. Ik stond op, klopte mijn pijp uit, betaalde en vertrok. Op mijn kamer aangekomen, riep ik uit: “Alweer bedrogen uitgekomen!”

Maar laat ik hiermee ophouden. Het is al ruim na middernacht. Stil! Daar slaat de klok: half één, dus ik moet naar bed. Geheel de uwe,
L.J.A.

donderdag 26 mei 2011

We worden het nooit eens

Zesde brief, deel 5

“De gereformeerden hebben er heel slecht aan gedaan om zich van de H. Kerk af te scheiden, want al keur ik vele dwaasheden in onze Kerk af en kan ik me helemaal niet vinden in alle bijgelovigheden, omdat die leiden tot verbittering en bespotting, toch beklaag ik de gereformeerden, omdat zij niet willen aanvaarden dat er buiten onze Kerk geen zaligheid bestaat. Zij willen dat maar niet begrijpen of inzien.

Er zijn maar een paar geloofspunten waarover ze gemakkelijk met ons zouden kunnen instemmen. Alles zou opgelost zijn, als zij het eens zouden kunnen worden over die punten, zonder welke niemand zalig kan worden, namelijk: de verandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus tijdens het sacrament van de H. Eucharistie; de onfeilbaarheid van onze Kerk en het feit dat de Paus de hoogste leider van de Kerk is.”

Nu kon ik het niet langer uithouden en ik viel hem vurig in de reden, al moet ik toegeven dat een koffiehuis niet echt de plek is om over godsdienst te twisten. Maar we zaten apart en niemand luisterde naar ons. Ik antwoordde dus met enige hartstochtelijkheid: “de transsubstantiatie is een geloofspunt dat strijdig is met alle zintuigen en dat noch door het gezonde verstand, noch door de Bijbel bewezen kan worden. Bovendien is die transsubstantiatie een uitvinding uit de negende eeuw van Paschasius Radbertus. Vóór die tijd wist men niets van zo’n wanstaltig idee.

De Roomse Kerk bestaat uit feilbare mensen, en toch zou ze onfeilbaar zijn, ofwel: de delen kunnen dwalen, maar het geheel niet? O, wat een mooie redenering is dat! Petrus is nooit in Rome geweest, dus hij kan daar geen bisschop of paus geweest zijn. En al was dat wél zo, dan nog is het niet bewezen dat de paus zijn opvolger is. Mij dunkt dat de roomsen zouden moeten inzien dat hun godsdienst bijna te gronde is gericht: de paus is al uit Rome weg, en als de oude Vader sterft, zal er waarschijnlijk geen opvolger komen. Als het hoofd weg is, zal er van de staart niet veel meer overblijven.”

donderdag 19 mei 2011

Een fatsoenlijke katholiek!

Zesde brief, deel 4

Sommigen van de aanwezigen werden boos, want de waarheid mag niet gezegd worden. Boileau heeft helemaal gelijk, als hij ergens zegt: Un discours trop sincère aisement nous outrage; chacun dans ce miroir pense voir son image. [Een te oprecht gesprek brengt ons makkelijk tot razernij, want in die spiegel meent eenieder zijn eigen beeld te zien.] Anderen zwakten deze uitspraken wat af en wilden de zaak een beetje verdoezelen, want het is immers moeilijk om de waarheid aan te moeten horen over iets, waaraan men zelf schuldig is, en waarover men zich terecht zou moeten schamen, zoals hier het geval was. Ja, het is zoals Boileau in de zojuist aangehaalde versregels zegt: “een al te vrij gesprek mishaagt de meeste liên, in deezen spiegel denkt elkeen zijn beeld te zien.”

Ik bewonderde de oprechtheid van deze man en schonk hem al mijn hoogachting. “Kijk, daar heb je dan toch een fatsoenlijke katholiek, zonder bedrog”, zei ik bij mezelf. “Ik moet die man echt nog een keer spreken”. Daarop verliet ik hem en de rest van het gezelschap met een paar anderen en ging het koffiehuis binnen. Hier spraken we over onbelangrijke zaken, zoals over het weer en de lange dagen. Ik werd nu niet meer voor een vreemd être of een gek gehouden, zoals eerst, omdat ik me in het gesprek mengde.

Tenslotte kwam ook mijn oprechte onbekende weer binnen en ik ging onmiddellijk naar hem toe. Al snel kwamen wij weer op ons vorige gesprek uit over de kerken en de godsdienst en nadat we daar een tijdje over gesproken hadden, zonderden wij ons van de anderen af in een hoek van het vertrek. Toen begon hij ernstig, zeer ernstig, met mij te praten, terwijl hij zei: “onze godsdienst kent vele dingen die voor een gereformeerde en voor iedereen die van een andere gezindte is, bespottelijk lijken. En ze zijn ook inderdaad bespottelijk, maar eigenlijk doen ze er geen van alle wezenlijk toe. Wij zouden er veel van kunnen missen. Ik lach om al die malle fratsen, maar toch hou ik onze H. Kerk voor de enige ware Kerk, als je de gekkigheid erbuiten houdt.”

dinsdag 17 mei 2011

De waarde van oude kerkgebouwen

Zesde brief, deel 3

Kolven in de 18e eeuw
Na de middag ging ik een klein stukje buiten de stad naar een herberg om daar te gaan kolven. Er waren veel Eindhovense burgers aanwezig en ik raakte met enkelen van hen in gesprek, waarbij ik vergat te kolven, terwijl anderen om ons heen stonden en ons aangaapten. Toevallig kwam ons gesprek op de kerk, en ik vroeg wat men met dat vervallen gebouw wilde gaan doen. “Weer opbouwen”, antwoordde er een. “Dat zal wel wat gaan kosten.” “Dat geeft niet.” “Wat gaat er dan mee gebeuren?” “Als katholieke kerk gebruiken.” “Maar de katholieken hebben hier toch al een behoorlijk grote en mooie kerk?” “Ja, maar deze kerk is oud en gewijd, en de onze is dat niet.” “Is dat dan beter of heiliger?” “Zeer zeker! Hier moet men alles, zelfs zijn laatste duit, voor over hebben.”

De mij onbekende, maar oprechte man begon daarop met een soort van enthousiasme te praten tegen mij. Hij zei: “Denk niet, meneer, dat dit mijn eigen gedachten zijn! Nee! Zo redeneert het grootste deel van mijn geloofsgenoten. Ze leggen een verband tussen grote heiligheid en grote kerken, en daar heeft men alles voor over. Juist daarom is het zo dat men in sommige dorpen de gereformeerden hun kerk met geweld heeft afgenomen: niet omdat die gebouwen beter zijn, maar omdat ze heiliger zijn, ofschoon ze nu óntheiligd zijn, doordat die ketters er zo lang hun religie in hebben uitgeoefend. Maar als wij al ons kerkmeubilair er weer in hebben teruggeplaatst, en heeroom heeft de kerk opnieuw gewijd, dan keert ook de oude heiligheid weer terug.

Om te voorkomen dat er nog iets de kerk zou ontheiligen, heeft men ook de lijken van de geuzen opgegraven en ze beestachtig behandeld, zoals u wel in de kranten zult hebben gelezen. Zo’n verbitterde domheid (en die heerst nog in het algemeen bij de meeste inwoners van deze regio) is uitsluitend toe te schrijven aan veel van onze priesters, die het volk zo dom, zo verbitterd en zo bijgelovig houden.”

dinsdag 10 mei 2011

De botermarkt en geknoei met de klok

Zesde brief, deel 2

Boterboerinnen uit Veghel (collectie BHIC)
Aan het andere eind van de markt werd onder een boom de botermarkt gehouden en ook boter afgewogen. De boterhandelaren liepen rond en schreven met een stuk krijt een letter op de borst van de boerinnen, die met een zekere statigheid een mand met boter op hun rug droegen. Ze spraken dan enkele woorden met de boerin. Ik vroeg aan iemand, wat dat te betekenen had. Hij antwoordde dat daaruit voor andere handelaren bleek dat die boter besproken was en dat daarom geen andere koopman die nog kon krijgen. Dat gold dan niet voor een burger of inwoner van de stad: die had nog de keus, maar moest dan ook per pond een of twee duiten meer betalen.

Het is opvallend dat de prijs van boter en granen in een groot deel van de Meierij zich richt naar de prijs die dinsdags te Eindhoven wordt vastgesteld. Die prijs wordt een hele week lang door kopers en verkopers stipt in acht genomen, tot aan de volgende marktdag, wanneer die prijs dan weer verandert (of niet).

Het is hier ook gebruikelijk om op marktdagen de klok van het stadhuis terug te zetten, zodat de vreemdelingen wat langer zouden blijven en dus meer verteren. Wat vind je van zo’n stunt?!

Ik verliet vervolgens de markt en ging op het stadhuis aan. Dat stond open, omdat daar de graanprijs door het stadsbestuur voor de hele week wordt vastgesteld, en dat wordt dan vervolgens aan de deur van het stadhuis opgehangen. Men noemt dat hier de peg steken. Aan het stadhuis zelf is niets opzienbarends te zien, behalve dat ik boven de deur van de secretarie dit monnikenvers las:

Audi vide et tace si vis vivere in pace
[hoor, zie en zwijg, als je in vrede wilt leven]

donderdag 5 mei 2011

Bedelaars en oplichters

Zesde brief, deel 1

Een liedjeszanger verkoopt zijn liederen
(bron: dbnl)
Zeer beminde vriend!

Vandaag is het hier weer marktdag geweest, zoals het hier iedere dinsdag weekmarkt is. Uit alle kanten van de Meierij komt men dan hier naar toe om te kopen en te verkopen. Zo levendig als op deze dag heb ik het hier nog niet gezien. Ik bleef lang op mijn kamer om de mensen die de stad binnenkwamen te bekijken: van allerlei verschijningen, standen en leeftijden. Wat mij het meest verbaasde, was de hoeveelheid bedelaars die altijd hier op de marktdag afkomen. Zeer velen van hen zijn gezond, jong en sterk.

Een oude, afgeleefde en gebrekkige bedelaar kan met recht aanspraak maken op ons medelijden, maar het soort, dat zeer goed in staat is om met werken de kost te verdienen, is een schandvlek voor de maatschappij en zoals iemand ze zeer fraai heeft genoemd: inutilia terrae pondera, een voor de wereld nutteloze last.

Uiteindelijk ging ik ook maar de markt op om die nu eens nauwkeurig te bestuderen (want ofschoon ik er wel al vaker ben geweest, heb ik hem telkens maar vluchtig bekeken). Ik zag er niets opmerkelijks. Hier stond een liedjeszanger, omringd door een massa boeren en boerinnen, voor wie hij zijn ellendige rommel zo hard mogelijk voorbalkte. Hij verkocht heel veel van zijn prullen, ofschoon ze alleen maar bijgelovige leugens bevatten. Daar stond een kwakzalver die loog alsof het gedrukt stond. Zijn leugenpraatjes gingen er goed in bij de menigte die om hem heen stond en zijn waren vonden veel aftrek.

Ik dacht toen bij mezelf: mundus vult decipi [de wereld wil bedrogen worden] en de kwakzalver zal er zeker bijgedacht hebben: decipiatur ergo! [dus zal ze ook bedrogen worden!]

dinsdag 3 mei 2011

Onaangenaam gezelschap

Vijfde brief, deel 3

Johann Friedrich Freiherr von Cronegk
Om mijn akelige kloostergedachten te verdrijven, ging ik vervolgens naar het koffiehuis. Ik trof daar een luidruchtig gezelschap aan, rookte mijn pijp, en sprak geen woord. Iedereen tuurde naar me, als naar een vreemd être (zo noemde men mij). De een stak de draak met me vanwege mijn stilzwijgen, anderen vroegen: wie is toch die gek? Een groot gedeelte hield zich bezig met onbeduidend, luidruchtig geklets. Ik ergerde me vreselijk hier in dit gezelschap. Ik wenste dat ik maar weer in mijn studeerkamer verborgen zou zitten. Ik dacht bij mezelf: Von Croneck heeft wel gelijk als hij zegt (ik heb zijn woorden voor u vertaald):

Hoe gelukkig rolt mijn leven voort, als ik in een kalme stilte
Mijn dagen door kan brengen, ver verwijderd van het gewoel
Van vele drukdoende dwazen - stille zalige ogenblikken!
Die ik aan de zoete omgang met de schone Muze wijd!
Och, kon ik maar vaker, Muzen, van u in stilte en alleen genieten!
Maar u en de stilte moet men tegen wil en dank vermijden,
Als men de meeste mensen wil behagen...

Maar mijn wens om nu in mijn studeervertrek te zitten was vergeefs, al verliet ik dat gezelschap vrij snel. Nadat ik in mijn herberg was gekomen, nam ik meteen het besluit om me bij een volgende gelegenheid opnieuw in dat gezelschap te begeven en dan zo veel te babbelen als ik maar geleerd heb. Want om voor een vreemd être of voor een gek uitgescholden te worden, dat is toch onverdraaglijk. Die mensen hadden het toch eigenlijk heel erg verkeerd, want ik zei toch helemaal geen woord? Aan de andere kant: ik was een vreemdeling, en moet men niet een beetje consideratie hebben met zo iemand?

Genoeg hierover! Mijn brief moet snel worden dichtgeplakt en onmiddellijk op de post. Vaarwel en denk nu en dan eens aan uw reiziger.

donderdag 28 april 2011

Overpeinzingen bij een leeg klooster

Klooster Ten Hage (bron: RHCe, THA, objectkenmerk 0011279)

Vijfde brief, deel 2

Even buiten Eindhoven, aan de oostzijde, ligt een voormalig klooster van reguliere kanunniken, klooster Ten Hage geheten. Je komt er via een dreef die gedeeltelijk met lindebomen omzoomd is en die in het midden een bruggetje heeft, waaronder een kunstmatige waterval een aangenaam gemurmel veroorzaakt. Dit klooster is nog geheel intact, met uitzondering van de kerk. Het ligt zeer plezierig aan de rivier de Dommel, op een vruchtbare plek.

Het valt me op dat de meeste kloosters die ik van mijn leven in Duitsland of in Brabant heb gezien (als ze tenminste niet in een stad gebouwd waren), zeer aangenaam in een prettige omgeving waren gelegen, aan kabbelende beken of ruisende riviertjes. De stichters en bewoners van deze gebouwen, die de mensheid en het sociale leven oneer aandoen, hielden van het vette, het beste der aarde, alhoewel zij de mooie wereld van God hadden afgezworen en zichzelf vrijwillig aan armoede hadden onderworpen. Hoe valt dat met elkaar te rijmen? Nu vraag ik je!

Bij het zien van dit gebouw dacht ik: “Akelige muren! Doodse cellen! Wie weet hoeveel mensen jullie na het afleggen van hun vrijwillige of afgedwongen geloften in hun hart hebben vervloekt?! Wie weet hoeveel benauwde zuchten er ooit binnen jullie zijn geslaakt! Hoeveel twist, ruzie, afgunst, mensenhaat en spijt achteraf hebben er vroeger binnen jullie geheerst?! O! Kan een mens die niet met andere mensen omgaat en die de plichten van het sociale leven niet uitoefent, de Vader der mensen wel naar behoren dienen? Woont er in het hart van een monnik wel de liefde voor God? Want de levende dode (wat is een monnik anders?) die slechts een stervend leven inademt, mag niet genieten van de schone wereld van God; kan hij dan wel die belangrijke plicht, de liefde tot zijn naaste, beoefenen?

Akelige muren! Wie weet wat voor gruweldaden men ooit in uw midden heeft begaan? Gelukkig zijn jullie nu: geen kloostergelofte wordt er meer binnen jullie afgelegd!!!” Nog éénmaal wierp ik een medelijdende blik op dit overblijfsel van oude domheid en bijgeloof, en keerde terug.

dinsdag 26 april 2011

De ‘voorsteden’ van Eindhoven


Vijfde brief, deel 1

Geachte vriend!

Aangezien de post nog niet voor morgenochtend vroeg vertrekt, wil ik proberen of ik nog het een en ander aan u kan schrijven en dan die brief bij die van gisterochtend insluiten.

Mijn herberg is zeer goed en niet duur. Ik betaal iedere ochtend. Dat zou ik trouwens iedere reiziger in mijn situatie aanraden, want als men, zoals ik, wat soberder moet reizen, dan moet men de tering naar de nering zetten, zoals het oude spreekwoord luidt. Inderdaad, in die situatie kan men, door elke dag te betalen, het best het financieel overzicht houden van hoelang men in een bepaalde plaats kan blijven.

Maar ik zou u wat over Eindhoven schrijven. Ik ben al een paar keer door dit stadje gekuierd en het is niet onaardig. De inwoners leven vooral van de handel, die hier behoorlijk levendig is, omdat een groot deel van de Meierij zijn koopwaar hiervandaan betrekt.

Eindhoven bezit geen meter grond buiten zijn grachten: zodra je die oversteekt, ben je in een ander dorp. Ik geef een voorbeeld: aan de noordkant ligt het dorp Woensel en aan de zuidkant ligt Stratum. Delen van deze twee dorpen vormen, als ik het zo mag uitdrukken, de voorsteden. Een vreemdeling zou ze vast en zeker voor een deel van Eindhoven verslijten, omdat ze slechts door een smalle gracht van het stadje zijn gescheiden. En zo ligt aan de westkant het dorp Gestel.

In de stad valt er niet veel te wandelen. Als men een luchtje wil scheppen, moet men naar buiten, waar je echter ook niet echt vreselijk genoeglijke wandelwegen aantreft. De kerk van Eindhoven is een groot, lomp gebouw met een zware, stompe toren die in 1795 gedeeltelijk is ingestort. De Fransen hadden er in die tijd hun bakovens in geïnstalleerd, en om die goed te kunnen plaatsen, sloopten ze een muur waarop een deel van de kerk bleek te steunen. De kerk werd daar boos over, stortte in en verpletterde een paar Fransen die met dit werk bezig waren.