Posts tonen met het label Brief 18 (reis 2). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief 18 (reis 2). Alle posts tonen

dinsdag 21 mei 2013

Terug in Den Bosch

Achttiende brief, deel 4

Hier dronk ik op het Klooster (dat is een herberg op een heuvel die Eikendonk heet, ongeveer een half uur van Den Bosch gelegen; op deze hoogte stond ooit het klooster Barbarendaal, waarnaar men deze plek nog steeds “het klooster” noemt) een lekker glaasje bier. Ik rustte wat uit en kwam ten slotte, behoorlijk vermoeid van de wandeling van deze dag (ik had dan ook ruim zeven uur gelopen), juist voor het sluiten van de poort hier aan. ’s Avonds at ik als een wolf en ik sliep de volgende ochtend tot acht uur uit. Er gaat niets boven een goede wandeling om goed te kunnen eten, want zoals Unzer* zegt (en hij heeft helemaal gelijk):

De honger wijkt, wanneer wij geen beweging maken.
Wij moeten werken, of het eten zelf gaan staken.

Nu hoef je je er niet langer over te verwonderen waarom deze twee brieven zolang zijn uitgebleven. De lange uitstap die ik heb gemaakt, is hiervan de enige reden en dus geenszins een vermindering van onze vriendschap of een verflauwing in het denken aan mijn beste vriend. Neen! Want ik blijf voor jou altijd
Dezelfde.

P.S. Te Son heeft de roomse schoolmeester de sleutel van de hervormde kerk in bezit. Hij moet dus altijd de kerk openmaken, wanneer de gereformeerden hun dienst willen houden. Maar als het bestuur van het dorp, dat geheel paaps is, dit niet goedkeurt, dan wordt de kerk niet geopend (dat is meer dan eens gebeurd) en kunnen de hervormden geen eredienst volgen. Is dat wel behoorlijk? Nee! Absoluut niet!

*) De Arts, 1e deel, 1e stuk, p. 89.

donderdag 16 mei 2013

De waarheid over de kerktoren van Eindhoven

Prent uit 1791 van de St. Petruskerk in Woensel
(tegenwoordig Eindhoven) waarvan nu alleen
nog de toren resteert; de hoge spits verloor de
toren al tijdens een orkaan in 1800 (bron: Wikipedia)
Achttiende brief, deel 3

Vervolgens liep ik in de richting van Eindhoven, waar ik een nacht bleef. Ik zag er precies hetzelfde als vorig jaar. Men vertelde mij echter dat de spits van de toren, die zeer laag is en van een lelijke bouwstijl, er op de volgende manier opgekomen is: men vertrouwde er niet op dat de architect van de toren een behoorlijke spits kon maken, en liet hem daarom slechts een kleine kap zetten, om die daarna weer weg te halen en een spits te laten bouwen door een ander. Toen de architect dat hoorde, nam hij dat zo hard op, dat hij, om zijn kunde te bewijzen, in het naburige Woensel een toren bouwde, die in alle opzichten een kunststuk van architectuur is. Toen hadden de Eindhovenaren natuurlijk berouw, maar dat was te laat. Hij was er niet toe te bewegen om daar nu een degelijke en uitstekende torenspits te bouwen.

Zo luidt het verhaal, maar dit is wat er werkelijk gebeurd is. In 1525 woei de spits hier van de toren en men plaatste er toen een provisorische kap op, met de bedoeling de spits er later weer op te zetten. Maar dat project bleef hangen en die noodkap staat nog steeds op de toren. Aan dit alles wil ik nog toevoegen dat dit stadje in 1543 door de beruchte Maarten van Rossum werd ingenomen. In 1552 brandde Eindhoven af. Het klooster Ten Hage bij genoemd stadje, waarmee ik je vorig jaar tijdens mijn vroeger reis al heb laten kennismaken, zou gesticht zijn in 1420 en de kerk daarvan brandde in 1561 af.

In de vroege ochtend zei ik vaarwel tegen Eindhoven en wandelde via Woensel - waar de hervormden tegenwoordig hun diensten houden in het huis van de schoolmeester, omdat ze hun kerk en de predikantswoning kwijt zijn - naar Son, waar ik mijn ochtendontbijt genoot. Vervolgens stapte ik weer verder naar Sint-Oedenrode. Hier at ik en na het middagmaal reisde ik weer verder naar deze stad, al was dat via een andere route dan waarlangs ik in dat dorp was gekomen. Ik wandelde over een eenzame heide naar Schijndel en van Schijndel langs een zeer aangename weg naar Den Dungen.

dinsdag 14 mei 2013

Van Son naar Opwetten

De Opwettense molen (bron)

Achttiende brief, deel 2

Van Son ging ik naar Breugel. Hier hebben de roomsen de hervormden hun kerk ontnomen. Opnieuw een bewijs van bijgelovige haat en vervolging. Nadat ik Breugel verlaten had, stapte ik naar Nuenen. Ik wandelde langs Hooidonk, een gehucht van een paar huizen, waar een run- en korenmolen op de Dommel ligt. Hier stond vroeger een klooster, maar tegenwoordig is dat vervallen, al ziet men er nog de resten van. Dit was een adellijk klooster van reguliere nonnen, Augustinessen, gesticht in 1146.

Vervolgens ging ik langs Nederwetten, een klein, miserabel dorpje, waar de roomsen zich ook al de grote kerk hebben toegeëigend. Ik liet eveneens Gerwen, dat onder Nuenen valt, links liggen, want er is niets bijzonders te zien. Ook hier heeft men zich meester gemaakt van de hervormde kerk.

Behalve wat ik je afgelopen jaar al verteld heb, moet ik je over Nuenen nog zeggen, dat men daar een ander klein kerkje wilde laten bouwen voor gebruik door de hervormden, omdat de eigenlijke kerk door blikseminslag was ingestort. Dit zou ten laste moeten komen van de tiendheffers, zijnde roomse kanunniken. Maar de president van deze plaats, rooms zijnde, wist een en ander op de lange baan te schuiven, ofschoon dat strijdig is met de wet, en daarbij zelfs geholpen door hervormden (dat wordt tenminste verteld). Daardoor werden de kanunniken ontlast van de plicht een kerkje te bouwen of de oude te herstellen, ofschoon zij ontegenzeggelijk hiertoe verplicht waren. Hierna verschenen in 1794 de Fransen en bleef alles bij het oude. De hervormden uit die plaats hielden toen hun eredienst maar in de kerk van Gerwen, al ligt die zeer veraf. Maar aangezien deze kerk nu in handen is van de roomsen, worden de hervormde diensten tegenwoordig in een kamer van hun predikant gehouden.

Ik overnachtte in dit dorp en wandelde de volgende morgen naar Tongelre via Opwetten, een gehucht van Nuenen, waar een klein kapelletje, een olie- en korenmolen op de Kleine Dommel en een oud, gebrekkig kasteel, het Slotje geheten, staan. Het is een arm dorpje, vroeger veel groter dan tegenwoordig. Je ziet er een soort herenhuis, dat de naam het Hof draagt, maar van geen belang is. De grote kerk hebben de roomsen als gevolg van het opruien door hun priester, een zeer bittere, bijgelovige kerel, nu geheel in hun macht.

donderdag 9 mei 2013

Kleppen en schieten voor de Drieënheid

Prachtige herfstopname van de Sonse heide, gefotografeerd door Twan

Achttiende brief, deel 1
(ingesloten bij de vorige)

Beste vriend!

Mijn brief van gisteren kwam te laat bij de post. Ik heb hem dus laten terughalen om deze erbij in te sluiten. Dan heb je twee brieven voor één geld en daar zul je niets op tegen hebben.

Van Sint-Oedenrode stapte ik eens op naar Son en Breugel en toen ik eenmaal aan het wandelen was, ging ik alsmaar door, zoals deze brief je zal leren. De afstand tussen de twee laatste dorpen en het eerstgenoemde bedraagt slechts anderhalf uur. De weg naar Son loopt voor het grootste deel over een heide, maar hij is niet onaangenaam. Want als je van Sint-Oedenrode naar Son gaat, zie je links bossen, velden, akkers en hier en daar een boerenwoning liggen en aan de rechterkant heb je dan een groot heideveld, waarin een onafzienbare rij van heuvels die, als zij door de zon beschenen worden, een trots en bijzonder heerlijk schouwspel opleveren.

Te Son (als ik het goed heb onthouden, heb ik je dit vorig jaar al verteld) heeft men de hervormde schoolmeester zonder enige reden afgezet en vervangen door een roomse. Dat is een domme, ingebeelde en vreselijk dweepzuchtige kerel. Hij stoort zich aan geen enkele wet, maar laat de jeugd uit roomse boeken leren. Sinds onheuglijke tijden heeft men hier de gewoonte gehad dat de schoolmeester ’s morgens om acht uur en ’s middags om twaalf uur een klein klokje luidt, om de mensen die op de akkers of ver van het dorp werken, te waarschuwen hoe laat het is. Deze roomse dweper volgt hierbij een traditie uit roomse landen; hij klept namelijk altijd eerst met drie tussenpozen in de naam van de Drieëenheid: klep, klep, klep! – klep, klep, klep! – klep, klep, klep! En dan begint hij pas te luiden. Oh! Hoe dwaas, hoe bijgelovig, hoe zot, hoe beuzelachtig en hoe kinderachtig is dat niet!!!

Aan het ene einde van het dorp ligt een zerk, die men de Blauwe Steen noemt. Men dicht die steen een bijzondere heiligheid toe, maar waarom weet ik niet. Men bewijst die steen ook bijzondere eer, want als het hier kermis is, gaat de schutterij er naar toe, trekt en schaart zich er omheen en lost enkele salvo’s, ik meen drie, ter ere van deze dode, gevoelloze steen. Is dat niet een bewijs van bijgelovige, overspannen omgangsvormen?

In dit dorp hier heeft men verleden jaar een huis gebouwd voor de priester, dat meer dan achtduizend gulden heeft gekost. Dit gebouw is veel prachtiger dan welke predikantswoning in de Meierij dan ook, ook al is men zelfs publiekelijk nogal eens krachtig en met afkeer uitgevaren tegen de pracht der predikantswoningen. Maar dat zijn dan ook geuzen en daarvoor is zelfs het armoedigste hutje nog te goed.