Posts tonen met het label Zeelst. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Zeelst. Alle posts tonen

dinsdag 28 juni 2011

Roomse beeldenverering

Heiligen hart beelden

Zevende brief, deel 5

Daarop hebben de anderen deze beeldenrovers aangegeven bij het Hof van Justitie in Den Bosch onder beschuldiging van kerkroof. Ik ben er niet achter kunnen komen hoe dit verder afgelopen is of nog aflopen zal, want de roomsen schamen zich erover en wilden eigenlijk wel dat dit nooit was gebeurd. Ik geloof ook niet dat er ooit zo’n ruzie als deze is geweest tussen aanhangers van hetzelfde geloof, een ruzie nota bene over beelden tussen voorstanders van beeldenverering.

Het zou verstandiger geweest zijn en het zou de onrechtvaardig behandelde partij meer tot eer gestrekt hebben, als die het antwoord in gedachten had gehouden, dat Joas gaf toen zijn zoon Gideon het altaar van Baäl omver had geworpen: “Wilt u het soms voor Baäl opnemen? Als hij een god is, laat hij dan zelf voor zijn zaak opkomen!” Maar het is waar: leken mogen niet in de bijbel lezen en hun priester had hen beter moeten onderwijzen (priesters hebben hier over het algemeen veel, ja eigenlijk veel te veel, invloed op hun parochie). Zij hadden die beelden zichzelf moeten laten verdedigen.

Wat levert dit geval toch een goede les op voor een roomsgezinde: de beelden hebben bescherming nodig van mensen, want ze kunnen hun eigen eer niet wreken. En toch aanbidt men ze, want dat de roomsen in de Meierij de béélden aanbidden, en echt niet die zogenaamde heiligen die ermee afgebeeld worden, dat kan niemand ontkennen. Maar als die beelden niet eens zichzelf kunnen redden, als ze zich niet kunnen onttrekken aan het geweld dat hun wordt aangedaan, hoe zouden zij anderen dan kunnen helpen? O, hoe keurig sluit dit allemaal op elkaar aan: het nietige schepsel moet zijn goden (want wat zijn beelden anders bij de roomsen?) veilig stellen, en vervolgens beschermt het beeld zijn vereerder. Welnu, dat is ook zoals het hoort: de ene dienst is de andere waard, zoals men zegt.

donderdag 16 juni 2011

De predikantsvrouw van Oerle

Zevende brief, deel 4

Nog erger heeft men in Oerle gehandeld. Daar heeft men de lijken van de vrouw en de dochter van de predikant, die nog maar een paar weken tevoren waren overleden en dus in het droge zand nog niet half vergaan waren, uit hun graven gerukt, samen met andere doden van de gereformeerden. Men smeet het lijk van de predikantsvrouw op het kerkhof en trapte het met een ongekende boosaardigheid op de borst. Dit alles gebeurde in het bijzijn van de roomse priester, zo zegt men, die het hele gebeuren bekeek met een zakdoek voor zijn neus en mond vanwege de stank. Hij had ook nog een fles jenever bij zich, waarop hij de uitvoerders van deze huiveringwekkende verdorvenheid tracteerde. Van de planken van de kist maakte men een varkenskot, zoals de kranten ons breedvoerig hebben beschreven.

Maar laat ik een ondoorzichtig gordijn voor deze onmenselijke scènes schuiven, waarvan zeker uw hart, maar eigenlijk dat van iedere mensenvriend zal gruwen, en u iets grappigs vertellen. In Zeelst, een klein dorpje, wilde de helft van de roomsen hoe dan ook de kerk van de gereformeerden hebben. De andere helft gaf er de voorkeur aan de eigen kerk te houden, omdat die voor hen beter was gelegen. Maar de eerste helft nam de protestantse kerk dadelijk in bezit, al hadden ze niets om die kerk mee in te richten. Ze gingen daarom naar de roomse kerk, haalden daar de helft van de beelden en zo voort uit, en versierden daarmee hun nieuwe kerkgebouw.