Posts tonen met het label Heeswijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Heeswijk. Alle posts tonen

donderdag 4 april 2013

De snijdende liefhebberij van Oss en de Nachtmerrie

In de film De Bende van Oss speelde het 'wapen van Oss' ook een rol

Vijftiende brief, deel 3

De inwoners van Oss zijn in de hele Meierij uiterst berucht vanwege hun voorliefde voor het vechten met messen, al waren zulke vechtpartijen vroeger meer in de mode dan tegenwoordig. Maar ook nu gaan er weinig kermissen of jaarmarkten voorbij waarop niet met het mes gevochten wordt. Ik zag hier verschillende mensen die de sporen van hun vechtlust nog in het gezicht droegen. Enkele jaren geleden woonde hier een man die men de gemeentes kop noemde, zonder twijfel omdat zijn hoofd en aangezicht, dat huiveringwekkend doorkerfd was, hem niet alleen als de voornaamste voorvechter deden kennen, maar ook omdat iedereen als het ware het recht had om hem uit te dagen.

Men noemt de littekens van messneden in iemands gezicht gewoonlijk het wapen van Oss (in andere dorpen wordt ook wel eens met messen gevochten, maar oneindig veel minder vaak). Je ziet dus dat die snijdende liefhebberij hier in vroeger tijden enorm in gebruik is geweest, anders zou men er zeker geen spreekwoord van hebben gemaakt.

In de hei bij Nistelrode liggen ontzaglijk veel keitjes, sommige daarvan zijn echter zeer groot en wegen enkele honderden ponden. Men zegt dat daaronder ook diamanten gevonden worden. Van hieruit maakte ik een rondje over Geffen en Nuland. Het eerste dorp mag bogen op een mooie kerk en toren, alsmede een kasteel. Het laatste bezit ook een voortreffelijke kerk met een overheerlijk grafmonument van de heer van dit dorp. De toren, die tamelijk hoog is, heeft een grote knop. Dat is al het opmerkelijke dat ik hier gezien heb. Beide dorpen zouden ook zeer sterk geleden hebben van de rampen van de oorlog in vroeger tijden.

Op mijn wandeling van Heeswijk hierheen vertelde een man mij, dat hij heel vaak, ook nog heel recent, door de “Nachtmerrie werd bereden”, zoals hij zich uitdrukte. Omdat zij hem niet met rust wilde laten, wilde hij nu een mes mee in bed nemen om haar dood te steken als ze weer kwam. Ik probeerde hem ervan te overtuigen dat dat allemaal natuurlijk was. Ik gaf hem een beschrijving van het fenomeen en verzekerde hem dat hij daarvan verschoond zou blijven, als hij ’s avonds weinig at, niet op zijn rug zou gaan liggen (of zeer laag met zijn hoofd) en zich niet met beangstigende gedachten bezig zou houden. Maar niets kon hem overtuigen, hij wilde nergens in geloven.

Ik voeg hier nog aan toe, dat de dwaze roomsen de Nachtmerrie voor een spook houden, dat echter tegelijk vlees en botten heeft. Zij zijn er vreselijk benauwd voor en nemen als middel om behoed te blijven voor dit spook, de voorzorg hun schoenen of klompen achterstevoren voor het bed te zetten. Dan kan het spook daar niet in stappen om zo het bed in te klimmen. Zo wordt de Nachtmerrie lelijk bij de neus genomen. Oh! Wat zijn de roomse bijgelovige Meierijenaars toch slim!! Had jij ooit gedacht, dat ze zo vernuftig waren om zelfs een spook zo lelijk te foppen!? Hoe kan het verstand het zo ver schoppen? Het is verbazingwekkend en... Maar genoeg!

donderdag 28 maart 2013

Over het mooie Oss

In de straatstenen de contouren van het kasteel van Oss (bron)

Vijftiende brief, deel 1

Lieve vriend!

Nadat ik Heeswijk verlaten had, richtte ik mijn schreden naar Oss. Ik wandelde hierheen via Heesch, waar de toerkarren van Den Bosch naar Grave van paarden verwisselen. Vervolgens liep ik over Nistelrode en Berghem. Deze drie dorpen hebben niets speciaals. Oss, waar ik me nu bevind, is daarentegen een mooi dorp. Het is de hoofdplaats van Maasland. Een voortreffelijke en keurige kerk, met een orgel en een hoge, spitse toren, siert deze plaats in niet geringe mate. Ook pronkt het dorp met een raadhuis, waaronder de boterwaag gehouden wordt. Wekelijks houdt men hier een markt, die tamelijk druk bezocht wordt.

Oss zou in vroeger tijden een versterkte stad zijn geweest. Je treft hier nog de overblijfselen aan van twee stadpoorten. De ene, die er nog voor het grootste deel staat, is nu in een pakhuis veranderd; de andere is met een kasteeltje dat daar dicht bij stond, samengevoegd tot een zeer fraai herenhuis, waarin men echter nog steeds zeer duidelijk de boog van de oorspronkelijke poort kan zien. Verder werd mij verteld dat men in oude stukken nog kan lezen over de stad Oss, welke titel ook tegenwoordig nog veel wordt gebruikt.

Oss heeft in de oorlogen in het verleden zeer veel geleden. In 1498 werd het dorp door hertog Karel van Gelre helemaal platgebrand. Daarna is het dorp meer dan eens door de Geldersen leeggeplunderd en in brand gestoken. Tegenwoordig is het nogal welvarend. De voornaamste middelen van bestaan zijn hier landbouw en veeteelt en er wonen hier ook enkele koop- en ambachtslieden.

In het gehucht Schadewijk, afgekort tot Schaijk, staat een vervallen kapel die aan St.-Antonius is gewijd. Schadewijk zou zijn naam hebben gekregen in de tijd van de oude Romeinen, die tegen de oude Batavieren en inwoners van deze landstreek een nederlaag zouden hebben geleden, waarna ze hierheen de wijk namen om verdere schade te voorkomen en zich van hun verlies te herstellen. Ik geef je dit verhaal precies zoals ik het zelf heb ontvangen, dus zonder enige winst, want veel geloof kan ik er niet aan hechten.

vrijdag 22 maart 2013

Einde van het gesprek; een slim jong

Dinther aan het eind van de 19e eeuw (bron: Wikimedia Commons)

Veertiende brief, deel 2

Ik: het zou wenselijk zijn als alle roomsen, als alle priesters zo zouden denken!.. en..
Priester: net zo wenselijk als dat die wet over de teruggaaf van de kerken er niet geweest zou zijn. Dan zou er nooit zoveel haat en verbittering in de Meierij zijn gegroeid als nu het geval is. Men had dit beter op de oude voet kunnen laten doorgaan, dan was alles rustig gebleven en geweest.
Ik: zo het is beslist.
Priester: jazeker! Maar ik durf niet meer te zeggen. Ik hou van alle mensen als mijn broeders en het doet me verdriet als men iemand vervolgt, want ik moet mijn naaste liefhebben als mijzelf, en dat zijn toch álle mensen.
Ik: Verstandige pastoor! Oh, dachten al uw geloofsgenoten maar zo! Dan zou er meer liefde onder de mensen heersen, maar deze wens is helaas vruchteloos.

Inmiddels waren we te Dinther aangekomen. Hier nam ik afscheid van die goede priester. Ik gaf hem broederlijk de hand en herhaalde nog eens bij mijzelf de stille wens: O! waren alle priesters toch maar zo!! Ik vroeg hem niet waar hij woonde, want ik heb een afkeer van alle nieuwsgierige vragen die ons nooit enig nut opleveren. Maar niettemin achtte ik hem even hoog, als wanneer ik geweten had, waar hij zijn woning had.

Nu iets over Dinther. Dit dorp aan de Aa is niet mooi, maar men ziet er een ruime, frisse kerk met een tamelijk hoge toren, voorzien van een grote knop. Ik zag hier ook een oud kasteel, Avenstein genaamd. In deze plaats werd Edmundus Dintherus geboren; bij leven was hij secretaris van vier hertogen van Brabant, namelijk Anton, Jan IV, Filips zijn broer en Filips, bijgenaamd de Goede. Hij schreef een kroniek van Brabant.

Ik had hier een aardige ontmoeting met een kleine jongen, die mijn goedkeuring kon wegdragen. Ik moest door een hek. Een jongen deed dat open. Ik vroeg hem of hij dat voor mij had gedaan en hij gaf me onbekommerd antwoord: “Nee!, maar om een duit te krijgen. Als ik had geweten dat u me geen duit zou geven, dan had ik ook het hek niet voor u opengedaan.” Deze openhartigheid beviel me (ik heb een vreselijke hekel aan veinzen, zelfs bij kinderen) en ik gaf de kleine knaap meer dan hij anders van me zou hebben gekregen.

Van Dinther wandelde ik naar Heeswijk. Hier bleef ik een dag of twee, drie overnachten. Aan de rivier de Aa, een eind weg van het dorp, ligt het kasteel van de heer. Het is een oud en mooi gebouw, naar mij leek in de gotische bouwstijl. Het ligt heel charmant en is vanwege zijn hoogte van ontzettend ver weg al te zien. Het dorp mag zich beroemen op een fraaie, frisse kerk met een spitse toren.