Posts tonen met het label Brieven (reis 2). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brieven (reis 2). Alle posts tonen

donderdag 12 september 2013

Het einde van de reis

Glas in lood, in de Sint-Jan van 's-Hertogenbosch (foto Peetje2/Flickr)

Vierentwintigste brief, deel 9

Oh, hoe onbegrijpelijk groot was de Formeerder en Bestuurder daarvan in mijn bijziende ogen. “Werelden”, zei ik, “werelden tollen boven mijn hoofd. Werelden, bewoond door redelijke schepselen die hun Schepper prijzen en zijn liefde veel volmaakter verheerlijken dan ik dat kan, dan enig sterveling op aarde dat kan. Hier zie ik overtuigend dat er een Schepper en bestuurder van alles is. Oh! dat mijn hart met flauwere tonen de liederen mag vervangen van de bewoners van die werelden die ik in een onmetelijke ruimte zie zweven. Eeuwig zij God door mij geprezen!”

Hoezeer voelde ik op dat moment, mijn vriend, de waarheid van dat gezegde: er is er maar Eén die alles regeert! Vóór ik in de gaten had hoe laat het al was en hoelang ik al op de wal had gestaan, sloeg de klok elf maal; zo diep was ik verzonken in het overpeinzen van de mooie, heldere hemel die met sterren was bezaaid. Ik spoedde mij naar mijn herberg, at een beetje en ging meteen zitten om je deze brief te schrijven.

Morgen, of liever: vandaag, want het is al twee uur in de morgen geweest, blijf ik nog hier. De volgende dag ga ik scheep van hier naar mijn woonplaats en zodra ik mijn zaken, die zeker tijdens mijn afwezigheid iets achteruit gegaan zullen zijn, weer op orde heb gebracht, dan kom ik naar jou toe om na zo’n lange afwezigheid weer enkele echt genoeglijke dagen met elkaar door te brengen.

Hier heb je nu het einde van mijn tweede reis door de Meierij en ook het einde van alles wat ik in deze landstreek opnieuw heb gezien, gehoord en ondervonden. Verheug je met mij dat ik deze reis zonder enig gevaar en zonder enige tegenspoed volbracht heb. Laat deze en mijn vorige brieven voor jou het sterkste bewijs zijn van mijn vriendschap. Laten zij getuigen hoeveel invloed je op mij hebt, want als jij me niet tot deze tweede reis zou hebben aangespoord, dan zou ik beslist lang geaarzeld hebben om die te beginnen, hoe sterk mijn zin om te gaan reizen ook is. Maar genoeg hierover!

Ik hoef dit niet verder tussen ons beiden uit te leggen. Ik eindig dan met deze verzekering, namelijk dat niets mij meer genoegen kan of zal geven, dan wanneer ik ervan overtuigd ben, dat ik iets tot jouw genoegen heb kunnen doen en met deze zekere overtuiging onderteken ik met: jouw oprechte, belangeloze, standvastige en beste
Vriend

dinsdag 10 september 2013

Van de domme Meiereijenaar tot de Ene Alregeerder

Vierentwintigste brief, deel 8

Nadat de onbekende mij al deze stukjes had verteld, voegde hij er nog aan toe met een gezicht, waarvan de trekken een en al verontwaardiging lieten zien: “men moet toch verdrietig worden, zodra men zijn voet op Meierijsche bodem zet en daar ook maar een beetje de levens- en denkwijze van de roomsen doorziet. Werkelijk! Als ik bedenk dat we al aan het einde van de 18e eeuw gekomen zijn, de eeuw die door velen verlicht wordt genoemd, dan krimpt mijn hart helemaal weg van pijn, vooral als ik die Verlichting op de Meierij toepas en bedenk hoe weinig de inwoners daarvan gevorderd zijn in kunde enzovoort. Men moet zich inderdaad schamen een Meierijenaar te zijn.

Mij dunkt dat het er in de 10e of IJzeren Eeuw van het christendom niet beroerder kan hebben uitgezien met de godsdienst dan het daarmee tegenwoordig in de Meierij staat. Ik geloof nooit dat er toen zoveel domheid heerste als er nu nog in de godsdienstbeleving van de roomse Meierijenaars is. Nooit zal ik kunnen geloven dat men toen zo onverdraagzaam en zo vervolgzuchtig was als de huidige roomsen in de Meierij zijn, als ze zouden durven. Maar lof aan God! (hier klaarden zijn gelaatstrekken op) Lof aan God! Zij hebben niet alles in hun macht. Er is er maar Eén die regeert! Op Deze vertrouw ik!  !!  !!”

Met deze conversatie, die mij zeer trof, traden we de stadspoort binnen. Hier nam ik hartelijk afscheid van deze brave onbekende en bedankte hem welgemeend voor zijn gezelschap dat mij zo aangenaam was geweest. Hij ging de wal op. Ik vergat hem te vragen wie hij was of waar hij woonde, zozeer hadden zijn woorden mijn ziel geroerd en getroffen. Ik ging meteen door naar het koffiehuis. Het was er heel erg vol en ik ergerde mij meteen, want de aanblik van het spelen met kaarten of aan de troktafel [soort biljart] kon mijn gedachten niet op orde brengen, die nog bezig waren met de onbekende en wat hij gezegd had. Snel liep ik het koffiehuis weer uit en begaf me diep in gedachten naar de stadswal.

Het avondlijk uur was heel mooi en de lucht was helder. Ik zag op de wal geen één redelijk wezen, behalve hier en daar een eenzame schildwacht op zijn post. Mijn oog kon geen veraf gelegen voorwerpen onderscheiden. Ik hoorde het gedruis van de stedelingen van ver, maar zonder mij erom te bekommeren. Uiteindelijk verlosten de laatste woorden van mijn onbekende: “er is er maar Eén die regeert!” mij geheel uit mijn mijmering. Ik verhief mijn gedachten tot de troon van de Alregeerder. Mijn ogen richtte ik nu op het ontelbare leger van de sterren en ik overdacht de ontelbare bollen die boven mijn hoofd rondtolden.

donderdag 5 september 2013

Het schieten van de papegaai, het schutten van de bruid en het zaaien van knollen bij Noordenwind

Het gilde van St. Crispinus & St. Crispinianus in Besoijen in 1976
Bron: website van het gilde

Vierentwintigste brief, deel 7

In enkele dorpen schiet men de vogel of papegaai niet van een schutsboom af, maar van een roede of wiek van de molen. Dit doet men in Oss en Bakel, misschien ook op andere plaatsen. In de Meierijsche dorpen bestaat er een groot verschil tussen schutterijen en gilden. Bij de schutterij is er een man die met een standaard in de hand op een paard rijdt. De schutterijen zouden nog enkele geschreven privileges bezitten, hun geschonken door keizer Karel V en andere Brabantse hertogen.

Gilden zijn ook schutterijen, maar dan zonder standaard en slechts naar eigen believen door de inwoners opgericht. Zij kennen geen privileges. In alle vaandels van de schutterijen en gilden tref je een groot Bourgondisch kruis aan, aangezien de oorsprong ervan aan de Bourgondische hertogen te danken is. In het midden van dat kruis staat een afbeelding van de heilige aan wie de schutterij is toegewijd. In Helmond en Eindhoven zijn schutterijen die niet met een snaphaan, maar met de handboog op de papegaai schieten. Dit zijn ongetwijfeld de oudste schutterijen van de Meierij.

Hij die de papegaai van de schutsboom afschiet, is koning (herinner je wat ik je hierover tijdens mijn vorige reis heb geschreven). Maar als dezelfde persoon de vogel er drie achtereenvolgende jaren afschiet, dan krijgt hij de titel van keizer. Hij krijgt zijn drie zilveren schildjes terug, die hij aan de schutterij had moeten geven, en draagt die elke kermis als teken van zijn waardigheid op zijn borst. Hij is ook vrijgesteld van alle verteringen die bij de schutterij gedaan worden, de andere leden moeten alles voor hem betalen.

Als iemand in ondertrouw gaat en zich daarvoor naar het raadhuis begeeft, wordt hij altijd vergezeld van een massa mensen, met name ongehuwden van beide seksen. Velen vuren hun geweer af ter ere van bruidegom en bruid of onthalen het bruidspaar en allen die hen vergezellen in het openbaar op straat op jenever of brandewijn met suiker. Vroeger was dit streng verboden, en terecht, want er konden zich bij zo’n gelegenheid door het schieten met een halfdronken kop of op een andere manier vele ongeregeldheden voordoen. Tegenwoordig sluipen al die gebruiken weer langzaam deze streek binnen.

Tot slot moet ik hier nog een waanidee vermelden dat niet alleen onder roomsen in de Meierij, maar zelfs bij protestanten heerst. Men denkt dat als men knollen zaait bij noordenwind, dat ze dan in sloren of wilde kolen zullen veranderen. Welke invloed de noordenwind op het zaad kan hebben zodat er een heel andere plant uit groeit, dan waarvan het gewonnen is, kan ik niet begrijpen. Vraagt men hoe dat toch mogelijk is, dan is het antwoord: “dat weet ik niet, maar toch is het zo!”

dinsdag 3 september 2013

Sinterklaas, Vastenavond en het feest van Sint Jan

Ganstrekken vanaf een kar
(bron: Historie van het ganstrekken en aanverwante volkstradities)

Vierentwintigste brief, deel 6

In alle dorpen wordt het feest van Sint Nicolaas gevierd. In sommige daarvan rijdt er dan iemand op een paard rond, soms zelfs twee mensen op één paard. Zij zijn heel erg raar uitgedost, soms zelfs afschuwelijk, en strooien met allerlei klein gebak naar de kinderen die hen massaal volgen, van hoop en vrees vervuld, omdat ze denken dat dit de ware St.-Nicolaas is. Dit ritueel voert men vooral in Eindhoven en in Oss uit. In Geldrop kent men St.-Nicolaas niet, maar daar vieren de kinderen een vergelijkbaar feest halverwege de veertigdaagse vastentijd. Ze noemen hem “de heer van Halfvasten”.

In sommige dorpen lopen de schoolkinderen rond met ratels en stokken, maken een vreselijk kabaal en vragen aan iedere deur paaseieren of geld. De opbrengst wordt later door de schoolmeester onder hen verdeeld. Dat gebeurt gewoonlijk een paar dagen voor Pasen.

Op Vastenavond “rijdt” men in vele dorpen “de gans”: een levende gans, waarvan de hals met zeep is ingesmeerd, wordt aan zijn poten opgehangen aan een touw, dat zo hoog gespannen is, dat er een man te paard onderdoor kan rijden. Terwijl men er - meestentijds halfdronken - onderdoor rijdt, probeert men de kop van de gans af te trekken. Wie daarin slaagt, krijgt de gans.

Het is een teken van grote wreedheid, want hoe harder de arme gans schreeuwt en hoe langer het dier gemarteld wordt, hoe groter de vreugde en het genoegen van de toeschouwers. Men smeert de nek in met zeep, want dan kan men de kop niet goed vastpakken, zodat het ongelukkige dier des te langer moet lijden.

In sommige dorpen is het de gewoonte om op het feest van Sint Johannes de Doper, op 24 juni, bloemen boven de deuren en vensters van de huizen te hangen. Men zegt dat dat gebeurt, omdat Sint Jan een bloemenliefhebber was. Anderen geven als reden voor dit gebruik het volgende. Johannes kwam eens in een stad waarvan de inwoners hem wilden doden. Omdat het avond was, ging hij een huis binnen. De stedelingen versierden dat huis met bloemen, om toch maar niet te vergeten waar hij naar binnen was gegaan, zodat ze hem de volgende dag konden vermoorden. Maar toen ze die volgende dag ontwaakten en hun boze plan wilden gaan uitvoeren, waren alle andere huizen als door een wonder op precies dezelfde manier met bloemen versierd, zodat men niet meer wist in welk huis Johannes zich bevond en hij dus aan het dreigende gevaar kon ontsnappen. Om dit tastbare wonder te vereeuwigen, blijft dit gebruik in zwang.

donderdag 29 augustus 2013

Onnozele Kinderen en St.-Thomasdag

Onnozele Kinderen (bron: Krekwekdogt, collectie RAT)

Vierentwintigste brief, deel 5

Als ik het goed heb, wordt het salaris van de preceptoren van de Latijnse scholen van Helmond en Eindhoven en zo, betaald door het gewest. Zodoende moeten alle inwoners van de Meierij daaraan meebetalen, ofschoon men deze scholen heel goed zou kunnen missen. Dit wordt echter in stand gehouden om toch maar vooral roomse scholen te hebben. Ik weet dat zelfs roomsen uit Holland hun kinderen daarheen sturen om onderwijs te krijgen in het monnikenlatijn, want het Latijn dat je leert op een hervormde school, dat deugt in het geheel niet. Zo ver gaat men hier in hun bittere bijgeloof!

In sommige dorpen bestaat de gewoonte om kleine kinderen op het feest van Onnozele Kinderen, op 28 december, in de kleren van hun ouders te hullen. Dan zijn de kinderen die hele dag de baas in huis en hun ouders moeten hen dan gehoorzamen. Het staat heel belachelijk een kind te zien pronken met een grote pruik van zijn vader, of met een jak, schort en beugeltas van moeder. Ook zijn er dorpen waar op St.-Thomasdag, op 29 december, de schoolkinderen hun meester buiten de school sluiten. Als de meester aan de deur komt, dan doen de kinderen alsof ze hem niet kennen en willen ze de deur pas openmaken als hij beloofd heeft om ze op het een of ander te trakteren. Dit is vast een imitatie van de ongelovigheid van de apostel Thomas. Vroeger waren zulke dingen terecht verboden, maar tegenwoordig beginnen al dit soort bijgelovige praktijken steeds meer de kop op te steken.

dinsdag 27 augustus 2013

Doodsgebruiken

Voor de woning van den overledene staat een bos stro, enkele stenen
en een paasplantje (bron: Zandstad, collectie UvT)

Vierentwintigste brief, deel 4

In sommige dorpen van de Meierij heeft men de gewoonte om op een hoorn te blazen als men ’s avonds in een huis bijeen wil komen om een rozenkrans te bidden. De meesten die dit horen, gaan dan daarheen. Als het gebed is afgelopen, begint men allerlei gekkigheid uit te halen en is alle vroomheid weer vervlogen. Dit blazen van een hoorn gebeurt ook wel als iemand op sterven ligt, zodat men nog een laatste keer voor de stervende kan bidden.

“Ieder mens,” zei de onbekende, “wenst gerust te sterven, en dus ook de roomsen, al zetten die daar de verkeerde middelen voor in. Op een deugdzaam leven volgt bij de christen altijd een geruste dood, zo is mijn stellige overtuiging. Ja, deze twee zaken beschouw ik als het beste op aarde, daarom denk ik dikwijls aan de woorden van onze grote dichter R. Feith uit Het Graf. Mag ik die u eens voorlezen?” (Ik antwoordde instemmend. Daarop haalde hij een boek uit zijn zak en las mij met krachtige stem en een gevoelvol hart de volgende regels voor. Ik vroeg hem meteen ze over te schrijven om ze jou te kunnen toesturen).

O sterfling, wie ge ook zijt! Van al het heil op aard’
Is dit alleen de wensch, der ed’le menscheid waard.
Een leven, vrij van schand’, van wroeging en van zorgen;
Een vrolijke avond en een slaap tot aan den morgen;
Een doodbed, zacht van dons, waar nog ’t herdenken streelt,
En waar de zielrust om de kalme sponde speelt;-
Zie daar den besten schat, dien de aarde ons aan kan bieden,
Hij blijft ons eigendom, waar jeugd en voorspoed vlieden;
Wie hem alreê bezit, heeft niet vergeefsch geleefd;
Gelukkig, die hem kent en moedig naar hem streeft!*

Verder heeft men in bepaalde dorpen de gewoonte om meteen de deuren en ramen te sluiten als er een lijk is. Op andere plekken legt men een bos stro met enkele stenen erop voor de deur neer. Dit stro is met zwarte, leren banden bij elkaar gebonden, maar als de dode ongehuwd is, dan zijn er witte en zwarte linten omheen gebonden. In voorname plaatsen is dit stro heel netjes gemaakt en kan men de bossen huren, zoals in Den Bosch het geval is, waar het verhuren van die strobossen een exclusief voorrecht is van het Hervormd Weeshuis.

Ook zijn er dorpen waar men een grote lantaarn zonder licht buiten aan de deur hangt, zodra er iemand gestorven is. Dat symbool vind ik mooi. Het laat heel passend zien, dunkt mij, dat de lamp des levens van een sterveling is uitgeblazen. Als een dode wordt begraven, legt men een zwart kleed over de kist en soms ook wel, zoals ik meer dan eens heb gezien, een wollen deken. Zo draagt men hem ten grave. Maar als de dode een kind is of ongehuwd, dan neemt men een wit linnen laken, versiert dat met bloemen, linten enzovoort - hoe bonter, hoe mooier - en gebruikt dat als een baar- of doodskleed.

*) Tweede Zang, p. 51-52.

donderdag 22 augustus 2013

Ruziemakende roomsen

Een askruisje halen als laatste restje van Carnaval (foto Bespiegelingen)

Vierentwintigste brief, deel 3

Men zegt ook, dat datzelfde slechte sujet een dag of twee na dit voorval in een herberg kwam, waar de drost, een roomsgezinde van overtuiging, met nog enkele andere belijders van die religie en één protestant een glaasje bier zat te drinken. Dat hij toen enorm op de hervormden begon te schelden en tegen die ene protestant gezegd zou hebben: “gij hebt mij eens gevraagd wat dat voor as is, waarvan wij op Aswoensdag een kruis op ons voorhoofd getekend krijgen” (die protestant kon zich niet herinneren daar ooit over gesproken te hebben); “ik zal het oe zeggen: dat is de as van het hout waarop Luther en Calvijn verbrand zijn.” Dit verwekte algemene hilariteit en hierdoor aangevuurd, ging hij naar men zegt door op de volgende manier: “de geuzen moeten nu allemaal weg zijn. Ik ga in het huis van de dominee wonen. Wij hebben nu de overhand, de geuzen moeten allemaal vertrekken. En zoals ik over het water heb gevaren, zo hoop ik spoedig over het bloed te varen van de Vughtse geuzen. Ik zal de eerste zijn om ze kapot te maken.”

Mogen zulke zaken straffeloos passeren? Moest zo iemand niet als voorbeeld voor anderen gestraft worden? Kan het gebeuren dat zo iemand ongestraft en rustig blijft wonen? Is het niet de plicht van een drost om alle misdadigheid, al dat schelden op en belasteren van een of andere religie te voorkomen en te verhinderen?

Hij vertelde mij verder dat een van de aanvoerders die de drost van Stiphout zo pijnlijk en onmenselijk hebben behandeld, zoals ik je tijdens mijn vorige reis heb verteld, vanwege die misdaad lang in de Gevangenpoort in Den Bosch heeft vastgezeten, maar dat hij uiteindelijk weer op vrije voeten werd gesteld en nu schoolmeester te Stiphout is! “Kan iemand die zich zo slecht heeft gedragen, wel schoolmeester zijn of blijven?” vroeg hij mij.

dinsdag 20 augustus 2013

Een gelukkige ontmoeting in Vught

Taalstraat Vught bij café Het Bijltje, ca. 1901 (collectie BHIC, fotonr. FOTOVU.0105)

Vierentwintigste brief, deel 2

Een mij onbekende man, die als enige met mij in diezelfde gelagkamer zat, vroeg me of hij een kopje thee met mij mocht drinken, als ik het niet erg vond. Ik stond hem dat graag toe, temeer omdat hij mij zeer geschikt toescheen. Hij vertelde mij dat hij uit de Meierij kwam, waar hij een tijdje ter ontspanning bij zijn familie was geweest. Dat hij deze dag een aantal uren te voet had afgelegd en blij was dat hij nu zo dicht bij Den Bosch was, waar hij woonde. Ik bevond me dus in het gelukkige toeval om met iemand over de Meierij te kunnen spreken die zijn weg scheen te weten in deze streek. Hij was bijzonder naar mijn zin, want hij sprak goed en verstandig. Ik vroeg hem daarom een glas wijn met mij te drinken, want ik wilde hem graag langer spreken. Hierin stemde hij met plezier in (hij was zeer vermoeid van het wandelen) en wij brachten de tijd samen dan ook zeer genoeglijk door. Tegen de avond stapten wij langzaam stadwaarts, terwijl we ons onderweg met dezelfde, voor mij zeer aangename, gesprekken bezig hielden.

Hij vertelde mij zeer veel dingen die ik je al gemeld heb, maar ook nog het volgende, waarvan ik je toch deelgenoot wil maken, van hoeveel of hoe weinig belang het ook is, omdat het toch nog iets bijdraagt aan jouw kennis van de Meierijsche bijgelovigheden, gebruiken en godsdiensthaat. Ik zal je het in dezelfde volgorde vertellen als waarin we onze gesprekken gehouden hebben (slechts heel zelden komen gesprekken in de juiste volgorde tot stand).

Hier in Vught (ik geef alles net zo weer als ik de informatie ontvangen heb) heeft een zekere boerenkinkel de predikant van de hervormden onvoorwaardelijk uit diens woning willen zetten, onder de woorden dat de predikant weg moest en hijzelf in de pastorie zou gaan wonen, omdat de predikant al lang genoeg in dat huis had gewoond. Een paar dagen nadat die kinkel allerlei brutaliteiten had uitgehaald met de vreselijkste vloeken en gestamp tegen de deur, kwam hij op een avond terug met een geweer en eiste op dezelfde manier dat de predikant het huis zou verlaten. Dat alles gebeurde aan het einde van februari van dit jaar.

donderdag 15 augustus 2013

Een laatste blik op de Sint Jan

Foto: Bert Kaufmann/Flickr

Vierentwintigste brief, deel 1

Allerbeste vriend!

Hier is de laatste brief die je van me zult ontvangen vanuit deze stad. Ik zal daarom een deel van deze nacht, hoe graag ik anders ook vroeg naar bed ga, besteden aan het schrijven naar jou en ik zal me niet eerder te ruste leggen dan voordat ik deze brief heb afgemaakt. Morgen kan ik, zoals men zegt, rustig een gat in de dag slapen, omdat ik dan niets meer te doen heb. Overmorgen vertrek ik van hier.

Toen ik vanmorgen over een deel van de wal had gewandeld, begaf ik me naar de Sint-Janskerk om dat prachtige en trotse gebouw voor het laatst te bekijken. En terwijl ik dat deed, zei ik tegen mezelf: “trots gebouw! Prachtige muren! Zouden zij die u gesticht hebben, ooit gedacht hebben dat uiterlijke pracht meer van de godsdienst afleidt dan dat het mensen daartoe aanlokt? Kenden ze wel die gouden les om God in geest en waarheid te dienen? Ongelukkige tijd!, waarin men meer aandacht had voor het opsieren van grootste gebouwen ter ere van de heiligen, dan om de simpele godsdienst van Jezus zuiver te belijden en na te volgen. Gelukkig bestaat die tijd voor een groot deel van de christenen niet meer! Die dagen zijn voorbij! Oh, dat ze dan ook nooit meer mogen weerkeren, hoezeer men zich hier ook druk maakt!”

Daarop begaf ik mij naar mijn herberg, nuttigde mijn middagmaal en wandelde na het eten naar Vught. Het eerste wat ik hier deed, was dat ik nog eens met alle aandacht de ruïne van de kerktoren in deze plaats in ogenschouw nam. Ik bekeek hem van alle kanten en moest van harte Martinet* gelijk geven, die deze toren onder de mooiste van ons vaderland telt en er het volgende over zegt: “dat de toren van het dorp Vught bij ’s-Hertogenbosch, hoewel zonder spits, qua gave muren de meeste torens, zo niet alle overtreft.” Vervolgens dronk ik een kopje thee, terwijl ik vanuit mijn herberg een uitstekend zicht had over de steenweg naar Boxtel. Zover mijn ogen konden zien, zag ik op die weg een massa van gaande en komende rijtuigen, karren en wandelaars. Oh, wat een heerlijke aanblik!

*) Historie der Waereld, 8e deel, p. 509. Het Veréénigd Nederland, p. 509.

dinsdag 13 augustus 2013

De laatste loodjes

Drieëntwintigste brief, deel 6

Verder weet ik op dit moment niets meer toe te voegen aan deze brief, ik kan me tenminste niets meer herinneren. Als ik mij straks heb aangekleed, loop ik nog eens een rondje over de wal, dan ga ik eten en na het middagmaal ga ik naar Vught, als het weer tenminste mee wil werken, om een kopje thee te drinken. De avond zal ik in het koffiehuis doorbrengen, want ik moet de Bosschenaars beslist nog eens horen praten en zien kaarten. Zo, nu weet je, wat je vriend vandaag gaat doen.

Overmorgen vertrek ik beslist van hier en morgen krijg je de laatste brief van mij, als ik vandaag nog wat ontdek. Anders is dit de laatste. Ik ben oprecht blij dat ik deze voettocht door de Meierij weer zo goed ten einde heb gebracht. Het heeft mij veel genoegen verschaft, al zou dat genoegen nog veel groter zijn geweest, als ik had mogen ervaren dat er nu meer verdraagzaamheid zou heersen in de Meierij dan vorig jaar, maar helaas!

Alles is wat dat betreft nog hetzelfde en in veel opzichten zelfs erger geworden. Dezelfde domheid, hetzelfde bijgeloof, dezelfde dweepzucht, godsdiensthaat en vervolgingszucht heersen er nog even sterk. En ze zullen er wel altijd blijven. Nooit zal hier verandering in komen of er moet een wonder gebeuren. Maar geduld! Ik moet deze brief gaan sluiten, want ieder ogenblik kan de post wegrijden. Over een paar dagen ben ik bij je, over enkele dagen kan ik je in persoon verzekeren dat je mij nog als dezelfde oprechte vriend kunt beschouwen, die ik altijd voor je ben geweest. Ja, dat niets enige verandering kan of zal veroorzaken in het hart van hem die ondertekent als geheel de
Jouwe.

donderdag 8 augustus 2013

De ongewisse toekomst der predikanten

Drieëntwintigste brief, deel 5

Tot slot en op het laatst moet ik nog dit aan deze brief toevoegen: nergens heeft men zoveel onrust gestookt als in de Meierij; niemand heeft ook meer zijn best gedaan om de predikanten der hervormden van hun bezoldiging te beroven, dan de Meierijenaars; en men is hierin ook zo goed geslaagd, dat die ongelukkigen over ruim een jaar (dan zijn immers de drie jaar voorbij die de Staatsregeling noemt) niets meer van het Rijk ontvangen. Is dat wel rechtvaardig? Hebben de Meierijsche predikanten niet het grootste recht op hun jaarwedde? Waren zij niet voor het leven aangesteld? Moest men zich dus niet aan dit contract houden? Had men hen minstens gedurende hun leven dit voorrecht niet moeten laten genieten? Zou men niet veel humaner zijn omgegaan met roomse geestelijken? Die heeft men toch ook hun inkomsten laten behouden na de overgang van Den Bosch?

Ja zeker wel! Over de zaken die aan de roomsen zijn toegestaan volgens het verdrag van de overgave van ’s-Hertogenbosch, getekend op 14 september 1629, vind ik het volgende, namelijk artikel 3 en 4: “deze geestelijke en religieuze personen zullen hun leven lang alle inkomsten en vruchten genieten van hun goederen, die gelegen zijn op plaatsen waar men belasting betaalt. Alle nonnen en religieuze vrouwspersonen zullen in de stad mogen blijven en hun leven lang onderhouden worden vanuit de inkomsten van hun respectievelijke kloostergoederen.”

Als men op die manier ook de hervormde kerkleraren in de Meierij had behandeld, o!, hoezeer zouden deze ongelukkigen zich dan verheugd hebben, terwijl zij nu zitten te zuchten en met een benauwd hart hun toekomstig lot tegemoet zien, omdat hun kleine gemeenten hen niet kunnen onderhouden. Moet de hervormde godsdienst in deze contreien soms geheel uitgeroeid worden? Is dat niet het verlangen van alle roomse Meierijenaars? Hebben zij dit niet al vaak in woord en daad laten zien, waar ze maar konden? Meer wil ik je er nu niet over zeggen, mijn vriend!

dinsdag 6 augustus 2013

Nog eens over de Bossche Rariteitenkamer

Drieëntwintigste brief, deel 4

Hier in deze stad is alles nog precies hetzelfde als vorig jaar. Ik zag of hoorde niets bijzonders, behalve dat de roomsen nog steeds geweldig tumult maken om de grote of Sint-Janskerk. Dit jaar heeft het stadsbestuur de Vughterbinnenpoort ofwel de zogenaamde Rariteiten- en Kunstkamer laten afbreken. Dat heeft een ruim uitzicht opgeleverd, maar als het aan mij had gelegen, had ik hem laten staan. Men heeft de curiosa deels weggegooid, maar het beste heeft men er laten uithalen en bewaard.

Je kon er best wat leuke dingen zien, maar ook veel onbeduidends, zaken die nooit bestaan hebben, zoals de beurs en het wenshoedje van Fortunatus, de blaasbalg van Doctor Faustus en meer van dergelijke prullen. Veel beter zouden me de maliënkolders van Bréauté en Lekkerbeetje met hun pistolen, of de sporen van Maarten van Rossem enzovoort  bevallen. Het is jammer dat men bij het verzamelen van die zeldzaamheden niet kieskeuriger is geweest en ook jammer dat niet alles beter is bewaard en onderhouden.

De Meierijenaars hebben het voorrecht om met honden en valken te mogen jagen, zelfs tot voor de poorten van Antwerpen. Alle Brabanders hebben dat privilege, dat hen door de oude hertogen is verleend. Dat noemt men hier gewoonlijk: haar met haar en veder met veder vangen. In de Blijde Inkomste van Maria, hertogin van Bourgondië, Brabant etc., leest men in artikel 59 onder andere het volgende, waaruit men kan concluderen dat alle geboren Brabanders en dus ook de Meierijenaars dat recht bezitten: “dat iedere man zonder boete op hazen en vossen mag jagen door geheel Brabant, en evenzo op konijnen buiten vrijgestelde jachtgebieden, en ook met vogels zonder boete overal vliegen en bovendien met netten vogels vangen, namelijk mussen, vinken, leeuweriken, snippen, plevieren, zwaluwen, kwartels en dergelijke, en ook schieten op eenden of watervogels.”

Deze privileges zijn in de Meierij altijd onderhouden en worden nog steeds gevolgd. Wie maar wil, jaagt overal met windhonden en valken, al is dit laatste vermaak wat duur en wordt het daarom heel weinig gedaan.

Aantekening:
De beurs en het wenshoedje van Fortunatus: dit zouden dus voorwerpen zijn, afkomstig uit het verhaal Een nieuwe Historie van Fortunatus Borse en van zynen wensch hoed. Zeer Geneugelyk en playsant om te Lesen, Lerende hoe een Jong Gesel hem Heuslyk houden zal in Handel en Wandel, met Woorden en Werken; by Hoge en Lage Personen. Dit 16e-eeuwse volksboekje werd in 1643 bewerkt tot een toneelstuk: Fortunatus beurs en wensch-hoedt, bly-droef-eyndend spel door Bernard Fonteyn (1602/3-1645).

donderdag 1 augustus 2013

Nog wat kleine feitjes

Drieëntwintigste brief, deel 3

Ik voeg hier in het voorbijgaan nog aan toe dat dit kasteel veel geleden heeft van de verwoestingen die de beruchte Maarten van Rossem heeft aangericht. De Geldorpenaars kunnen hun verfoeilijke godsdiensthaat niet verbergen, aangezien zij dit jaar nog de eredienst van de hervormden hebben geprobeerd te verstoren en nog regelmatig stenen door de ramen gooien als er gepreekt wordt.

Dit zijn de dingen waarover ik vorig jaar fouten gemaakt heb als gevolg van de verkeerde inlichtingen die men mij verstrekte. Nu nog over wat anders. De geograaf G. Mercator* stelt dat de Meierijenaars af zouden stammen van de oude Aduatucers, over wie Julius Caesar het dikwijls heeft in zijn geschriften. Anderen houden de Aduatucers voor de toenmalige bewoners van het graafschap Namen of Namur. Deze laatste mening lijkt mij veruit het waarschijnlijkst.

Godfried III (bron: Wikimedia Commons)
De stad ’s-Hertogenbosch zou in het jaar 1184 zijn gesticht door hertog Godfried III, bijgenaamd “in de wieg”**. Hij was de vader van hertog Hendrik I en overleed in het jaar 1187. Er bestaat ook een zeer slecht tijddicht in het Latijn met de volgende inhoud:

GODEFRIDVS DVX E SILVA FECIT OPPIDVM

Het lijkt aan te willen geven dat Godfried III, hertog van Brabant, in 1184 deze stad heeft gesticht.

*) Atlantis, p. 204.
**) J. van Oudenhoven, Beschrijving van de stadt ’s Hertogenbosch, p. 2 en 7; J.L. Godfried, Historische Chronijk, 1e deel, p. 1142; F.M. Janiçon, De Republiek der Veréénigde Nederlanden, deel 3, p. 120; Histoire Generale des Pais Bas, deel 1, p. 240 (Uitgeg. Brussel 1743); J.F. Martinet, Historie der Waereld, 8e deel, p. 45 en zijn Veréénigd Nederland, p. 45.

dinsdag 30 juli 2013

Bisschoppen van Den Bosch

Grafmonument bisschop Masius

Drieëntwintigste brief, deel 2

Gisbertus Masius is niet de laatste bisschop van Den Bosch geweest, zoals mij abusievelijk bericht was en ik jou dus ook op mijn vorige reis verkeerd heb geschreven. Masius was de vierde bisschop van deze stad. De eerste bisschop, Franciscus Sonnius, werd hier in 1562 aangesteld. Masius stierf in het jaar 1614. Onder het beeld op zijn tombe kan men het volgende grafschrift lezen in het Latijn:

Omnia mors aequat
Hic iacet
Quem bommelia mundo protulit
Ducis-sylva infula excepit
Mors virtutibus canisque auctum intercepit
Quid hic triumphas germana somni
Ille tibi reddidit quod debuit
Et quod non debuit
In patriam transtulit

G. Masius was een geleerd man, maar ook bitter paaps en vervolgziek. Hij hield een redevoering over de noodzaak van het lezen van de H. Schrift. Deze redevoering is een stuk dat zeer zeldzaam is, maar meer dan de moeite waard om te lezen. Het is in 1630 vertaald en in druk uitgegeven. Zijn onverdraagzaamheid blijkt uit het volgende voorbeeld. Een oude vrouw van tachtig, die achttien jaar lang hervormd lidmaat was geweest, werd ziek. Masius hoorde daarvan, ging naar haar toe en wilde haar de gewijde hostie toedienen. Zij weigerde dat en stierf. Daarop liet hij het lijk van haar bed rukken, de drempel opgraven, haar daaronderdoor naar de markt slepen en ten slotte in een kuil onder de galg smijten. Mag je dit verwachten van een bisschop die het lezen van de Bijbel aangeprezen heeft?

Al het andere dat ik je over deze bisschop heb verteld, is waar, behalve wat ik vermeld heb over het kasteel van Geldrop. Ik zei dat hij zich daar na de overgang van Den Bosch in 1629 heimelijk zou hebben opgehouden, maar dat is dus van toepassing op de zésde bisschop van die stad, M. van Ophoven, die in die tijd leefde.

Toen deze stad naar de kant van de Staten der Verenigde Nederlanden overging, moesten alle mannelijke geestelijken de stad binnen twee maanden verlaten hebben. Dat was gebaseerd op het tweede artikel van het verdrag dat gesloten was tussen prins Frederik Hendrik aan de ene kant en de geestelijkheid, de magistraat en de burgerij van de stad ’s-Hertogenbosch aan de andere kant. Dat artikel luidde als volgt: “dat alle geestelijke en religieuze manspersonen uit de stad zullen vertrekken binnen de tijd van twee maanden, op voorwaarde dat zij zich in de tussentijd houden aan de plakkaten van het Rijk, en dat zij mee mogen nemen hun meubelen, beelden, schilderijen en andere kerkelijke ornamenten.”

Als het dus waar is dat zich op het kasteel van Geldrop in stilte een bisschop heeft opgehouden, dan gaat dat naar alle waarschijnlijkheid om M. van Ophoven.

donderdag 25 juli 2013

Het Hazewindje in Den Bosch

"Int Hasewijntken", afgebroken in 1835 (meer info in de Bossche Encyclopedie)

Drieëntwintigste brief, deel 1

Hooggewaardeerde vriend!

Misschien wordt dit de laatste brief die je van mij uit deze stad zult ontvangen, misschien komt er nog één. Dat zal ervan afhangen of ik hier korter of langer zal blijven, want ik denk morgen of overmorgen te vertrekken. Wellicht blijf ik nog een dag langer. In deze brief zal ik je een paar dingen opsommen, waarover ik in mijn vorige reisverslag fouten heb gemaakt. Als ik dat heb afgehandeld, zal ik ook nog over andere dingen schrijven.

Het oudste huis in deze stad is niet het Gewandhuis, maar een ander pand dat het Hazewindje wordt genoemd. Het Gewand- of Lakenhuis (het Hoogduitse woord Gewand betekent ‘laken’ of ook wel ‘kledingstuk’) is zeer oud en werd opgericht om er wollen stoffen in te verkopen. Niemand, ongeacht wie hij was: man of vrouw, clericus of leek, mocht binnen Den Bosch een wollen laken kopen of verkopen, behalve in dit huis, op straffe van een zware boete. Dat blijkt uit het privilege van hertog Jan III, “gegeven te Brussel, op de zondag na het octaaf van Driekoningen in het jaar van onze heer 1329”.

Door dit huis het oudste huis van deze stad te noemen, heb ik dus een fout gemaakt. Het Hazewindje, een huis niet ver van het Gewandhuis, is eigenlijk het oudste gebouw van Den Bosch. Dit huis zou al vóór de stichting van de stad door de oude hertogen zijn gebouwd voor hun jagers en honden, die hier in het jachtseizoen verbleven. Dit gebouw verraadt een zeer hoge ouderdom. Boven de deur kan men nog een gevelsteen zien met een windhond. Daar is het huis naar vernoemd, of liever naar het gebruik ervan als jacht- of hondenhuis.

Bij gelegenheid dat mij de ouderdom van dit huis werd aangetoond, vertelde men mij nog het volgende: op zekere dag kwamen in de hitte van de achtervolging van het wild door de honden, de jagers van de hertog op het terrein van de graaf van Megen terecht. Zij werden daarop door de jagers van de graaf overvallen en zwaar gewond, terwijl de honden werden doodgeslagen. Dit laatste nam de hertog zo hoog op, dat hij de graaf de volgende boete oplegde: de gedode honden moesten aan hun achterpoten worden opgehangen, waarna de graaf net zo lang graan over ze uit moest laten storten tot ze helemaal bedekt waren. Het koren was dan de schadevergoeding voor de dode honden. Aan dit vonnis, aan deze boete moest de graaf van Megen zich onderwerpen. Was dat niet een bijzondere manier van boete opleggen?

dinsdag 23 juli 2013

De ware aard van de Meierijse boer

Graan dorsen (bron: boek over oud-Brabants dorpsleven)

Tweeëntwintigste brief, deel 5

De boeren in de Meierij zijn over het algemeen zeer inhalig en geweldig uit op eigen voordeel. Ze zijn ook zeer doortrapt in hun zakendoen, namelijk als ze iets willen kopen of verkopen. In sommige opzichten zijn ze zelfs zeer bedrieglijk, waarvan dit spreekwoord uit de Meierij getuigt: al wie een boer wil bedriegen, moet een boer meenemen. Er valt ook niet veel te roemen over het karakter en de deugdzaamheid van de Meierijsche boeren. Juist daarom vind je hier in deze streek het volgende gezegde, dat ik geheel voor zichzelf zal laten spreken:

Een boer is maar een beest, hij gaat met beesten om;
Al wat geen beest is, is hem niet wellekom.

Je mag hieruit concluderen dat van de Meierijenaars de boeren al van oudsher het slechtste karakter hebben. Men zegt tenminste in deze streek, als men een slecht mens wil aanduiden: “o, het is maar een boer.” Ik denk echter dat men hier een uitzondering moet maken, hoewel het ook zeker is dat men in de Meierij weinig goeds wil horen van een boer. Men zegt ook dat de Meierijsche boeren de grootste plaag voor de boeren waren, toen zij in 1794 voor de Fransen en andere troepen karrediensten moesten verrichten.

Als iets bijzonders voeg ik hier nog aan toe dat men in de Meierij weinig kreupelen, verminkten of gebochelden aantreft. Ik heb er ook weinig schele mensen gezien en ik heb er geen een ontmoet die bijziend was. Dat alles vloeit voort uit natuurlijke oorzaken, veel te lang om dat nu aan je te vertellen. Maar je kunt het gemakkelijk zelf beredeneren. Ik zou daarom overbodige moeite doen je iets te willen schetsen dat jou veel beter dan mij bekend is.

Iets anders dat zeker is: in de steden Den Bosch, Helmond en Eindhoven en in die dorpen, waar veel ambachtslieden wonen, heb ik de meeste mismaakte mensen gezien. Ook daarvan kan men natuurlijke oorzaken vinden.

Hier heb je nu weer een brief, en wel een die geschreven is in de volgorde waarin mij de zaken door de hersens schoten. Accepteer hem zoals hij is en geloof dat ik altijd ben, je onveranderlijke en oprechte
Vriend

donderdag 18 juli 2013

Protestantse ambtenaren zijn niet te benijden

Tweeëntwintigste brief, deel 4

Ambtenaren van de hervormde religie in de Meierij zijn ook zeer te beklagen. Men probeert hen op allerlei manieren de voet dwars te zetten. In vroeger tijden heeft men heel hard geschreeuwd over de onderdrukking die de Meierijenaars is aangedaan door de ambtenaren aldaar. Het kan best zijn dat dit allemaal heeft plaatsgevonden, maar ze zijn zeker niet allemaal schuldig aan volksonderdrukking, o nee! Want er zijn veel brave lieden onder hen. Maar men moet nu eenmaal een voorwendsel hebben om geuzenambtenaren te lozen. Ik voor mij zou nooit ergens een ambt kiezen en zeker niet in de Meierij.

Zo vaak als ik de Meierijsche geuzen-ambtenaren in gedachten heb, zo vaak herinner ik me dat velen van hen hun inwoners daadwerkelijk voordeel hebben gebracht. Ja! Zo dikwijls als ik hiermee de haat vergelijk die de roomsen voor hen voelen, louter en alleen vanwege het verschil in religie, dan moet ik steeds denken aan de woorden van Joost van Vondel*:

Die zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet
Ten oirbaar van het land een lastig ambt bekleed,
En waant de mensch aan zijn’ vroomheid te verbinden,
Zal zich te jammerlijk in ’t eind bedrogen vinden
Van ’t wispelturig volk, dat, veel te los van hoofd,
Genoten dienst vergeet, en ‘t ergste liefst gelooft.

En dan zeg ik met Ovidius:

Crede mibi, bene qui latuit, bene vixit: et intra
Fortunam debet quisque manere suam**

Wanneer de roomsen in de Meierij zich de woorden van deze heiden eigen zouden maken, dan zouden ze nooit naar ambten verlangen, nooit zouden ze die aan de hervormden ontrukken. Ja! Dan zou men nu in sommige dorpen geen schoenlappers, wevers enz. als drost hebben aangesteld of in andere functies.

Is het geen grote schande dat een heiden beter kan denken dan zij die zich alleen christenen noemen? Hoeveel zouden zij kunnen leren van deze woorden van Ovidius en vooral van zijn laatste: dat ieder in zijn eigen kring moet blijven! Als ze dat in acht zouden nemen, dan zouden zulke lieden, die niet voor die posten toegerust zijn, zeker nooit een ambt als iets begeerlijks gezocht hebben. Maar ja, dat was toen. Toen waren er ook nog niet van die verdoemde geuzen. Luister, mijn vriend! Alleen misdadig eigenbelang en afschuwwekkende godsdiensthaat spelen hierbij een rol en anders niets!

*) Palumedes, p. I.
**) Tritium, lib. III, Eleg IV, verss. 25-26.

dinsdag 16 juli 2013

De schande van de ongelijke behandeling

Tweeëntwintigste brief, deel 3

Deze Jezuïetische catechismus wordt door alle roomsen voor een oprecht en rechtzinnig boek gehouden, dus is de leer die daarin staat, ook de leer van de roomse Kerk. Niet zo lang geleden, dit jaar nog, hoorde ik precies diezelfde, afschuwelijke leer door een priester in Rotterdam in het openbaar van de kansel af verkondigen. Hij vervloekte alle joden, heidenen, Turken, ketters en scheurmakers, verwees ze allemaal direct naar de hel en waarschuwde zijn gemeente zeer ernstig om iedere omgang daarmee te vermijden.

Is het geen schande voor hen, die zich erop beroemen dat zij alleen ware Christenen zijn, om op zo’n manier de mooie religie van de menslievende Jezus te misbruiken? Mag men zoiets nog verwachten aan het eind van deze zo verlichte (zoals men het noemt) achttiende eeuw? Hoe kan het gewone volk verdraagzaam handelen als zijn leermeesters zelf zo sterk de onverdraagzaamheid zaaien? Maar laat ik zwijgen, ik zou nog teveel schrijven. Maar, en dit mag ik er toch nog wel aan toevoegen, Haller heeft gelijk als hij zegt*

Was böses ist geschehn, das nicht ein priester that!

Want als de priesters in de Meierij alles in het werk hadden gesteld om liefde en verdraagzaamheid te verbreiden, dan waren daar nooit zulke dingen voorgevallen als ik je hebt geschetst. Dus ook daar blijft het gezegde van Haller van kracht:

Alle kwaad dat gebeurt, is al eens door een priester gedaan!

Zijn de priesters in de Meierij in het algemeen vervolgzuchtig (de goeden uitgezonderd), hun leken zijn het niet minder. Dat moet ook wel, want het een vloeit logisch uit het ander voort. Het volgende voorbeeld moge als bewijs dienen dat men alles in het werk stelt om de geuzen in dit land te vervolgen.

Alle schoolmeesters, in ieder dorp, krijgen bovenop hun normale bezoldiging 36 gulden, dit noemt men het corporeel. Dat wil zeggen: geld voor zogenaamde corporele diensten [ten behoeve van de gemeenschap], zoals bijvoorbeeld het opwinden van het torenuurwerk; het smeren daarvan alsook van de klokken; het openen van de kerk; het schoonhouden van de vloer, de banken enz. In veel dorpen echter heeft men dit geld zonder recht of reden van de hervormde schoolmeesters afgenomen. Roomse schoolmonarchen daarentegen blijven heel gerust en ongestoord in het genot van dit inkomen, zonder dat men dat hun ook maar enigszins betwist. Maar als geuzen dit geld niet mogen krijgen, dan toch zeker ook paapsen niet? Wat een afschuwwekkend verschil dus!

Hoe is het mogelijk dat men zo partijdig kan handelen? Maar ja, als men iets aan een geus kan ontnemen, al komt hem dat nog zo billijk toe, dan is dat een deugdzame zaak en men verdient er een stoel in de hemel mee, zoals ik het verschillende roomsen heb horen zeggen. Kan men door onrechtvaardigheid ook al de hemel verdienen? Wist je dit al, mijn waarde S...!

*) Versuch Schweitzerischer Gedichte, p. 65.

donderdag 11 juli 2013

Die roomsen weten helemaal niets!

Tweeëntwintigste brief, deel 2

Uit het volgende blijkt hoe onkundig zij in godsdienstig opzicht zijn. Toen de troepen van Hannover zich in 1794 enkele weken in de Meierij ophielden en iedere ochtend in het openbaar hun gemeenschappelijk gebed zeiden, ja zelfs iedere zondag onder de blote hemel hun eredienst hielden volgens een zeer loffelijk ritueel, plechtig en van diepe eerbied voor het Wezen aller Wezens vervuld, toen waren er vele roomsen die dan ook maar knielden en niet naar de mis gingen (het verzuimen van de mis op zondag is een zware zonde), omdat ze meenden dat de Hannovers de mis lazen, onkundig als ze waren van de Hoogduitse taal waardoor ze de liederen voor roomse kerkgezangen hielden.

In één woord: nergens vind je dommere mensen in de religie dan in de Meierij. Ik ken ook geen slechtere godsdienst dan de roomse, vooral in die landstreek. Ja! Als men nadenkt over de domheid, de dweepzucht, het bijgeloof en de vervolging, zoals ik je die naar waarheid tijdens mijn vorige en deze reis heb geschetst, dan mag men wel met een anonieme schrijver* zeggen: “inderdaad, als we zouden moeten kiezen tussen papisme of deïsme, dan zouden we zonder enige twijfel voor het laatste kiezen, als oneindig minder onterend voor God en minder nadelig voor de mensheid.” Wat een beschamende getuigenis voor de roomsen! Maar toch moeten we vragen: spreekt die man niet de zuivere waarheid???

De haat en de vervolgzucht van de roomsen vloeit vooral voort uit hun leer en de priesters wakkeren die nog eens heel sterk aan. Ik las ooit in de kleine Latijnse catechismus van de Jezuïet P. Canisius (en deze woorden vergeet ik nooit meer) het volgende antwoord op de vraag (ik geef je hier alleen mijn vertaling) wie van de kerk geheel verwijderd zijn?

Antwoord: allereerst de joden en alle ongelovigen, ook zij die van het geloof afvallig zijn; ten tweede de ketters enz. Hier doelt hij ongetwijfeld op de protestanten en aan het slot van datzelfde antwoord zegt hij: die allemaal van het lichaam van Christus, de kerk, zijn afgescheiden en vervreemd en daarom van het geestelijk leven en de zaligheid zijn beroofd en aan de duivel en de eeuwige dood zijn onderworpen, tenzij zij zich bekeren. Al dezen moeten door de katholiek gemeden worden. Maar vooral moeten de ketters en scheurmakers geschuwd en vervloekt worden, niet anders dan alsof zij de allergevaarlijkste pest (pestes exitiales) waren**.

*) Algemeene Vaderl. Letteroeffeningen voor 1794. Mengelwerk, p. 6.
**) Edit: Coloniensis 1760, p. 6.

dinsdag 9 juli 2013

Die roomsen zijn een en al uiterlijkheid

Tweeëntwintigste brief, deel 1

Geachte vriend!

Het is op het moment zeer regenachtig. Ik heb geen zin om mijn tijd in het koffiehuis of andere herbergen nutteloos en vervelend door te brengen. Wandelen kan ik niet, als ik tenminste droog wil blijven. Daarom blijft me niets anders over dan me met jou te onderhouden. Dat dit mijn grootste genoegen is, daarvan dienen mijn vorige brieven als bewijs. Ik blijf vanmiddag en vanavond in mijn kamer en ik wil je nu een lange brief schrijven, hoewel... ik ben nu niet bepaald opgeruimd, dus zal deze brief ook niet een van de beste zijn. Ik zal je schrijven en de zaken precies zo meedelen als ze me in gedachten komen, want het is me niet mogelijk alles ordelijk op elkaar te laten volgen.

De Liesveldt Bijbel, op een tijdlijn van
Nederlandse Bijbelvertalingen
Hoe meer ik de godsdienst in de Meierij onder de loep neem, mijn vriend, hoe nauwkeuriger ik die overdenk, hoe meer ik in mijn gevoel gesterkt wordt dat die religie niets met het christendom van doen heeft, behalve in naam. Ze geloven dat er een God is, maar ze zijn niet in staat om ook maar één voldoende bewijs van het bestaan van een Opperwezen aan te voeren, dat weet ik uit ondervinding. Al hun godgeleerde kennis bestaat hierin, dat ze het Onzevader, het Weesgegroet, de Geloofsbelijdenis en de Tien Geboden, zoals die in hun kerk geleerd worden, uit hun hoofd kennen.

Ze lezen nooit in de Bijbel, al zijn er enkelen die, als zij een vertaling van de Vulgata te pakken kunnen krijgen, die zo nu en dan ter hand nemen. Ik heb tegenwoordig een Liesveldtbijbel in mijn bezit en wel de beste druk van 1542*. Ik kreeg die van een roomse cadeau, bij wie ik hem toevallig zag liggen, omdat ik hem liet zien dat hierin het slot van het allervolmaakste gebed gevonden wordt. Zo’n ketterse bijbel wilde hij niet langer houden. Hij zou hem zelfs hebben verbrand, als ik hem niet had meegenomen. Ik zal hem als aandenken bewaren.

Hun hele godsdienst is uiterlijk, maar als ik correct wil formuleren, moet ik zeggen: “een roomse in de Meierij bezit in het geheel geen godsdienst, want het is voor mij een uitgemaakte zaak, dat er in het hart geen godsdienst plaats kan vinden als het verstand geen religieuze kundigheden bezit. De godsdienst van het hart, moet ook de godsdienst van het verstand zijn.”

*) J. le Long, Boekzaal der Nederduitsche Bijbel, p. 566-567.