Posts tonen met het label Budel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Budel. Alle posts tonen

dinsdag 15 januari 2013

Ontroering bij zonsopgang

Kerk in Leende (collectie BHIC, inv.nr. PNB001039038)

Negende brief, deel 1

Geliefde vriend!

Vandaag ben ik zeer vroeg uit Budel vertrokken. De zon verscheen met nieuwe luister aan de oostelijke horizon, het was een mooi ochtend. Hoe verrukkelijk toch is de aanblik van de opkomende zon! Geen wonder dus dat de oude heidenen de zon als een godheid vereerden en aanbaden, omdat ze nu eenmaal niets mooiers, niets nuttigers ook zagen of kenden. Ik werd getroffen door het aanschouwen van dit hemelse licht in zijn opkomende glans en luister. Mijn ziel steeg vol gevoel op tot de Schepper van alle dingen. Dankbare vreugdetranen rolden over mijn wangen en ik zei bij mijzelf:

Eeuwige – eeuwige lof aan God!
Die door zijn hemelbode,
Door de zon, die het allemaal verkwikt
Met zijn koesterende stralen,
Alles weer doet ademhalen
En ons nieuw leven verschaft*

Hoe opgeruimd was ik in mijn hart! Hoe aangenaam deze ochtendwandeling! Maar goed, genoeg hierover. Jij, mijn vriend, weet uit eigen ervaring wat een genoegen het zien van Gods werken ons oplevert. Laat mij dit daarom maar niet verder op mijn gebrekkige wijze (beter kan ik toch niet) voor jou schetsen. Laat ik liever overgaan op mijn reisverslag.

Mijn bedoeling was eerst om van Budel via Maarheeze naar Someren te gaan. Maar toen ik hoorde dat mijn route dan gedeeltelijk door de Peel zou leiden, en dus dat die eenzaam en bovendien lastig om te vinden zou zijn, veranderde ik van voornemen en wandelde ik over Soerendonk naar Leende, waar ik zeer vroeg aankwam. Leende is een mooi dorp met een fraaie kerk en een uitstekende toren, voorzien van een grote knop. Deze toren is in vroeger tijden door de bliksem getroffen en afgebrand, maar is opnieuw grandioos opgebouwd, mooier nog dan hij van tevoren was. Ook hier hebben de roomsen de hervormde kerk overgenomen, ook al was hun eigen kerk zeer goed en mooi.

*) De Denker, Deel IV, no 177, p. 159

donderdag 10 januari 2013

Romantiek in Cranendonck

Bos bij Maarheeze in Baronie Cranendonck tijdens een wandeling in 2011
Foto: Bart van der Schagt

Achtste brief, deel 4

Ik was wat te lang in het Cranendonckse bos gebleven en het was avond, al laat in de avond, voordat ik in mijn herberg aankwam. Het was een mooie avond, de maan scheen helder en toen ik daar naar keek, herinnerde ik me de volgende dichtregels van de grote A. von Haller:*

Des tages licht hat sich verdunkelt,
Der purpur, der im westen fünkelt,
Erblasset in ein falbes grau;
Der mond erhebt die silber-hörner,
Die kühle nacht streut schlummer-körner,
Und tränkt die trockne welt mit thau

Deze verzen heb ik ergens** als volgt vertaald gevonden:

Het daglicht is alreê verdonkerd,
Het purper, dat in ’t westen flonkert,
Verflaauwt, wordt vaal en trekt naar ’t graauw,
De Maan vertoont haar’zil’vren hoorens,
De koele nacht strooit sluimer-koorens,
En drenkt het drooge veld met daauw.

Laat me nu keizer Karel en zijn boer, in één woord de hele Cranendonckse baronie vaarwel zeggen, omdat ik je alles heb verteld wat ik ervan weet en wat ik ervan kon opduikelen. Het wordt ook tijd dat ik naar bed ga, wil ik tenminste nog wat slapen, want het is al na middernacht.

Binnenkort zal ik deze dweep- en vervolgzuchtige dorpen verlaten en ergens anders heen gaan (waar naartoe, dat weet ik nog niet), in de hoop dat ik érgens vreedzamere en menslievender dorpen zal vinden. Met een diep getroffen hart over de onverdraagzame vervolgzucht van de Budelaars en de Maarheezenaars noem ik me, als altijd, geheel de
Jouwe.

*) Versuch Schweizerischer Gedichte, seite 101
**) De Denker, III.deel, no 119, bladz. 107

donderdag 3 januari 2013

Ellende in Maarheeze

Kasteel Cranendonck in minder goede tijden (bron)

Achtste brief, deel 2

Ik maakte ook eens een uitstapje naar Maarheeze. Dit dorp ligt niet ver van Budel en de weg ernaartoe is alleraangenaamst. Er is niets bijzonders te zien, maar ook hier heeft men de grote kerk ingenomen, en wel met geweld. Men kwam gewapend op het huis van de predikant af, eiste met veel onstuimigheid de sleutel van de kerk, die men dan ook gedwongen af moest geven. Met verachting en afgrijzen verliet ik dit dorp en wandelde via Soerendonk weer terug.

Terwijl ik je dit met bloedend hart vertel, herinner ik me de woorden van mevrouw Chapone*, die me alleszins de moeite waard leken om ze voor je over te schrijven. Hier zijn ze: “Kan men van hen, die menen God te behagen door wreedheid tegenover zichzelf of tegenover hun medeschepselen - door ijselijke pijniging van hun lichaam vanwege de zonden van hun ziel, of door nog ijselijker vervolging van anderen vanwege hun andere meningen- kan men van zulke mensen zeggen dat ze in de ware God geloven? Hebben zij zich niet in hun gemoed een andere God verbeeld, die eerder en meer lijkt op het ergste van alle wezens dan op het beste?” Hoezeer zijn deze woorden van toepassing op de roomse Meierijenaars!!

Niet ver van Budel ligt Gastel, dat ik ook eens bekeken heb, al levert dat niets opmerkelijks op. Vroeger stond hier een kasteel, waar de baronnen van Cranendonck vaak verbleven (de baronie van Cranendonck bestaat uit de zojuist genoemde dorpen Budel, Gastel, Maarheeze en Soerendonk) en zich met de jacht vermaakten, maar dat de Fransen in 1673 hebben opgeblazen. Je ziet er nog wel de ruïnes van. Hierbij ligt ook het Cranendonckse bos, al heeft dat veel geleden in 1795, omdat men er toen veel mooie bomen uit gerooid heeft, die slechts tot brandhout voor de Fransen moesten dienen. Eenmaal gekloofd werd al dit hout op karren naar Den Bosch gebracht, waar het houtmagazijn in de Orthen- of Havenkerk was ondergebracht.

Keizer Karel V verbleef als baron van Cranendonck vaak in het netgenoemde kasteel en men vertelt dat hem bij een dergelijke gelegenheid het volgende overkwam...

* Brieven tot verbetering van het gemoed. I. Brief, p. 6-7

dinsdag 1 januari 2013

Zwinoo! Zwinoo!

Varkensdrijver (bron: DBNL)

Achtste brief, deel 1

Waarde vriend!

Ik ben nu in Peelland en wel in Budel om precies te zijn. Budel is een van de mooiste dorpen van dit deel van de Meierij. Het is volkrijk en zeer welvarend. Je treft er hier mooie huizen en een mooie kerk, die alleen een lage toren heeft. Onder de inwoners zijn veel kramers, die handel drijven in glaswerk en voortdurend met hun handelswaar rondreizen. Er zijn ook veel varkensdrijvers die door de Meierij trekken met grote kudden zwijnen, die ze in het Land van Luik, aan de andere kant van de Rijn en elders opkopen, om ze hier weer met winst te verkopen.

Het is echt grappig om een varkensdrijver te zien. Stel je een man voor, mijn vriend, die in de ene hand een zweep heeft, waarmee hij voortdurend klapt, onder zijn arm een groot stuk roggebrood en in zijn andere hand een mes. Af en toe snijdt hij een stuk van het brood, breekt dat en werpt dat voor de varkens, onder het voortdurend geroep van Zwinoo! Zwinoo! (die van Budel hebben een bijzondere uitspraak of een aparte tongval, die zeer verschilt van de rest van de Meierijenaars). Een groep zwijnen loopt al grommende en knorrende achter hem aan. Stel je dit eens voor en je hebt een levendig beeld van een Budelse varkensdrijver.

Ik zou mijn leven heel goed in dit dorp kunnen doorbrengen, als er maar minder bitterheid was. Maar het doet me verdriet te moeten zeggen dat ook hier de roomsen de hervormden hun kerk hebben afgenomen, hoewel zij zelf al een grote en heel mooie kerk hadden. Ik vroeg waarom men dit toch had gedaan? Het antwoord kwam per ommegaande, want men stelde mij meteen de wedervraag: moet men dan de geuzen, die verd... ketters, een gewijde kerk laten behouden? Ik had daarop niets meer te zeggen, want waar vervolgzucht, religiehaat en dweperij heersen, daar helpt geen redeneren tegen.

In Budel is de grootste hervormde gemeente van het platteland in de Meierij. Dat komt, zegt men, door een predikant die ’s avonds, als de boeren van de akker kwamen en ook de andere inwoners met hun werk klaar waren, op een simpele en begrijpelijke manier de eredienst deed en preekte. De nieuwsgierigheid dreef vele inwoners naar de kerk en de eenvoudige waarheid overtuigde velen van de dwalingen in de roomse religie. Had men zo overal in de Meierij bij de Hervorming gehandeld, wie weet, hoeveel protestanten er dan nu zouden zijn geweest. Maar ach, die wens komt nu te laat. Nu moeten de hervormden hier hun eredienst houden in een kamer en dat gaat met veel ongemakken gepaard. Want iedere zondag vallen er mensen flauw van de benauwdheid die veroorzaakt wordt door de bekrompenheid van hun kerk (laat ik die kamer zo maar eens noemen). O dwaze, onmenselijke dweepzucht! Kan het menslievend Opperwezen hierin genoegen scheppen?