Posts tonen met het label Gedichten. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gedichten. Alle posts tonen

dinsdag 10 juli 2012

Gedichten van de kinderen


Waar zowel vader als moeder regelmatig dichten, bljiven ook de kinderen Hanewinckel niet achter. In sierlijke letters schrijven hun “liefhebbende” kinderen hun verhaal. Bovenop deze stapel ligt een klein blaadje, waarschijnlijk geschreven door moeder en ondertekend door twee kinderen die het schrijven nog niet zo heel lang onder de knie hebben (let ook op de verkleinwoorden die ze zelf achter hun naam plaatsen).

Deez dag doet onze vreugd ten hoogsten toppunt stijgen
Daar uw geboorte stond papaatje lief verjaart;
Laat ’s Hemels gunst uw ’t Heil door ons gewenscht verkrijgen
Dan blijft gij lange nog tot ons geluk gespaart

Mientje Chrisje

Bron: collectie Hanewinckel, in.nr. 27

dinsdag 19 juni 2012

Geen verjaardag zonder gedicht

Klik om te vergroten
Gezien de flinke stapel is het duidelijk dat er behoorlijk wat werd geschreven in het gezin Hanewinckel. Geen verjaardag zonder gedicht, zo lijkt het in ieder geval. Vaak zijn meerdere kantjes volgepend in een net handschrift. Voor de verjaardag van zijn “hartelijk geliefde Echtgenoote, den 28 maart 1821” schrijft Stephanus:

Wij wenschen U, bij uw verjaren,
Geluk, veel zegen, zeer veel goed
Wij danken God die uwe dagen
Verlengde met een blij gemoed
Hij make steeds uw levensstijl
Van zorg en angst geheel bevrijd!!

Leef lang voorspoedig, leef gelukkig
Aan mijne zijde, dierbre Gaê!
Geniet nog lang des hemels zegen
Met uwe kind’ren als mama!
Wordt onze wensch in bêe verhoord
Dan leeft Ge altijd tevreden voort.

Bron: Collectie Hanewinckel, inv.nr. 22, gedichten (7) van S. Hanewinckel voor zijn echtgenote voor haar verjaardagen, alsmede dankdichten (2) voor haar cadeau’s voor zijn verjaardag, 1808-1822.

dinsdag 8 mei 2012

Een vroeg Noord-Brabants Volkslied

Klik op de afbeelding voor een vergroting

Noord-Brabant geen eigen volkslied? In de collectie Hanewinckel vind je twee blaadjes met een dappere poging om onze provincie al in vroege tijden aan een volkslied te helpen.

Ze lijken vrijwel identiek, de twee blaadjes waarop de tekst is geschreven. Maar bij de één houdt de tekst abrupt op omdat er een stuk van het blad is geknipt. Het lied zelf is een lofzang – uiteraard – op Noord-Brabant (“Hier vind ik al wat ik behoef, zelfs meer dan ik begeer”) maar ook op de noeste arbeid:

Ja! Werken dat is zaligheid,
Wie ook van arbeid vlied,
Ik niet – o nee! Ik werk met lust,
Ik schuw den arbeid niet

Bron: Collectie Hanewinckel, inv.nr. 45, Noord-Brabants volkslied (wijze: Wien Neerlands bloed...)

dinsdag 17 januari 2012

'K wil de minste ook niet weezen

Klik voor een vergroting

Het schrijven zit het gezin Hanewinckel kennelijk in het bloed. Niet alleen Stephanus neemt de pen ter hand, ook zijn vrouw en zijn kinderen. Zijn echtgenote rijmt met een stevige knipoog:

“K wil den minste ook niet weezen
Op den verjaardag van mijn Man;
k zou het daarom eens proberen,
of ik ook wat rijmen kan”
“Kom dan vrolijk maar begonnen,
Kunstig kan het tog het zijn,
Statig dat is ook niet nodig
Bij een stevig glaasje wijn”

(...)

“Gelijk dit glas neemt aan de kleuren,
Van het vogt dat het bevat,
moet ik als gij bedroeft zijt treuren
Juichen wanneer gij vrolijk bent

(...)

Laat het genoeg zijn met deez menschen
Vult het glas, en leeg de kan;
Vrolijk zijn hier alle menschen,
Leef lange nog mijn lieve Man

Alida ondertekent met de wat raadselachtige tekst: "Ik kom nu wel wat agter na maar ben tog uw Vrouw."

Bron: gedicht "'k wil de minste ook niet weezen" door Alida (von Schmidt auf Altenstadt) op de verjaardag van haar man, circa 1800 (collectie Hanewinckel, inv.nr. 13)

donderdag 29 december 2011

Huwelijkswensch


Ook bij een huwelijk mag uiteraard een vers niet ontbreken, net zo min als de lof aan God (en heel zijn engelenschaar). Onderstaand gedicht is van de hand van J.G.W. von Schmidt, ter gelegenheid van het huwelijk van zijn zuster met Stephanus Hanewinckel:

Ik hoop dat met dees huwlijksband
Eerst door dees Aarde en dan naar booven
U God zal voeren door zijn hand
Om daar dan Zijnen naam te looven

Dat ook gij zacht en teder Paar
Gezeegend zijt op al uw wegen
En dat Gods groote Engelschaar
U nooit verlaat al’ t u gaat tegen/al gaat ’t u tegen

Ook wensch ik u uit al mijn Hart
Dat gij moogt Saamen Houden
Uw Gulde Bruiloft zonder smart
En tijd volbrengen zoude

Maar schoon dit vaars vol Fouten is
Meugt gij voor waarheid denke
Dat ik voor zeker en gewis
U dit uit Liefde schenke

Bron: gedicht “Huwelijkswensch” door J.G.W. von Schmidt opgedragen "aan mijne zuster C. van Schmidt auf Altenstads en mijn broeder S. Hanewinckel" te Rixtel, 21 oktober 1789 (collectie Hanewinckel, inv.nr. 8)

donderdag 21 juli 2011

Op den Verjaardag van Hein

Op den Verjaardag van Hein
Den 17 july 1815

Heden is de dag dat Hein
Weêr op nieuw verjaard
En hij, tot ons allen vreugd,
Is voor ramp bewaard

Zijt Gij dus weer jarig, Hein!
Denk dan dat Ge altijd
Groter wordt en dus dat Gij
Altijd deugdzaam zijt

Leer dan vlijtig, schrijf ook goed
Doe altijd uw pligt
Want het leeven geeft altijd
Loon wat ge ook verrigt

Lieg ook nimmer neen o neen!
Liegen past geen kind
Past ook niemand want die liegt
Wordt ook nooit bevriend

Wees steeds vrolijk, nimmer lui
Als gij cijffr’n moet
Want die luiheid geeft aan u
Nimmer eenig goed

Klik op de afbeelding om hem te vergroten

Bron: collectie Hanewinckel, inv.nr. 33

dinsdag 5 juli 2011

Aan mijne Echtgenoote

Aan mijne Echtgenoote
op haren één-en-dertigsten Verjaardag
Den 28 maart 1810

Dierbaar Wijfje! Kon 'k de wenschen
schetzen, die mijn hart gevoelt;
Dan gewis zoudt Gij hier lezen
Dat het uw geluk bedoelt;
Dat Gij alles, wat mij dierbaar,
Wat mij waardig is op aard;
Zijt; en dat Gij, Dierbare! altijd
Mijn geluk, mijn blijdschap waart

Deze dag - o welk een vreugdes
Voor mij! - rekte uw leven weer
Eénen jaarkring - o God geve
Dat hij dikwerf wederkeer!
Dat geen onheil, dat geen smerte
Dat geen rampspoed, dat geen druk
U verzelle maar genoegen
Vreugde, blijdschap en geluk!

Gij hebt één en dertig jaren
Van uw leven doorgebragt;
God schonk u, in elk derzelve
Blijken van zijn' liefde en magt


Klik op de afbeelding om hem te vergroten

Bron: collectie Hanewinckel

maandag 16 mei 2011

Morgen-Lied

De maan verdwijnt, de graauwe nevel
Dekt de aard’ niet meer voor ons gezigt;
Der starren glans verbleekt, de zonne
Roept alle menschen tot hun pligt.

De lucht hult zich in purper kleuren,
Terwijl de morgen vrolijk lagcht;
En voor de glanssen, die hem sieren,
Wijkt ijlings weg de vaale nacht.

Aan de oosterkim klimt, vol van luister,
De lieve koesterende zon -
De wolken schitt’ren - welk een schoonheid! -
Door ’t licht van deeze levensbron -

De roos verspreid weer nieuwe geuren
Nu morgendaauw haar blaadjens dekt;
Terwijl ’t... verschoolen, ...

dinsdag 22 maart 2011

De Lente


Het is voorjaar, de lente is begonnen! Officieel zelfs gisteren al, om precies te zijn. Een seizoen waar de meeste mensen reikhalzend naar uit hebben gekeken, na een periode vol sneeuw en kou.

In de archiefcollectie van Stephanus Hanewinckel is een mooi gedicht te vinden, van de hand van Rhijnvis Feith, dat het begin van dit nieuwe seizoen viert:

De Lente

De lente strijkt op loome vlerken
Van zwoele weste windjes neer
Natuur! Hoe heerlijk zijn uw werken!
Hoe groot is God, uw Opperheer!
Geheel de Schepping juicht hem tegen:
’t Welriekend aardwerk voelt de zege
Die ’t veld met kruid en bloemen kroont
Ik hoor zijn lov in ‘t  beekje bruischen
O! teer muciek! Gelijk aan ’t ruischen
Eens zachten winds, daar God in woont
De zuivre toon der Nachtegaalen
Zwelt hem ter eere in ’t luisterend woud
Zijn lov verheft zich uit de dalen
Waar ’t grazend vee, zijn tempel houdt
En Hij, wier tallooze Englen prijzen
Heeft nimmer voor hunne eerbewijzen
Een nachtfloers om zijn throon verspreid
Bij ’t Schel gedruisch der hemelbollen
Hoort God de stille toonen rollen
Des worms, en schept Hem zaligheid
Hoe prachtig trad aan d’oosterkimmen
De zon haar vloeibre rusttent uit
Zij doet de kruin der bergen glimmen
Terwijl de nacht de laagte omsluit
’t is God, die aan haar zuivre glanssen
Door ’s Hemels ongemeten transsen
Den weerschijn van zijn luister leent
Zijn grootheid blinkt in ’t kleinste dropje
Dat Zephijr op het roozenknopje
Aemechtig van genoegs, weent
O! Lente! Beeldenis van het leven!
O, hoogtijd voor ’t gevoelig hart!
Uw adem, fluistrend voordgedreeven
Door bolle koeltjes, streelt de smart
Mogt nooit mijn oog een traan ontbreeken
Als aen ’t gewoel der stad ontweeken
De stille deugd hier lijden ziet
Elk traantje zal mijn leed verkorten
Dat ik in ’t jeugdig groen mag storten
Bij ’t zagt gemormel van vliet
O, deelgenoote van mijn zorgen!
Elize! Dierbre hartvriendin!
Kom! Treeden we in deeze stille morgen
Dit somber dennen boschje in
Hoe kalm is alles om ons heenen
Hier kan ons oog met wellust weenen
De traantjes die ’t uit teerheid schreit
Mijn stille ziel, tot God gereezen
Gevoelt de grootheid op haar wezen
In deeze ontzaglijk eenzaamheid
O! Stille lommerrijke dreeven
Elise! Welk een zalig uur
De Godheid stroomt in heil en leven
Door deezen tempel der natuur
Kniel – kniel voor hem, wiens alvermogen
De spin haar schild heeft aangetogen
En zonnen voorlicht op heur baan!
Maar, o gevoel in hart en ader!
God, God, den algemeenen vader
En pleng een dankbre herderstraan

Bron: collectie Hanewinckel, inv.nr. 31.