Posts tonen met het label Oisterwijk. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Oisterwijk. Alle posts tonen

dinsdag 16 oktober 2012

Rooms gedoe met heiligen

Beeldje van Sint Ermelindis
(Foto: P.J. Margry)
Vierde brief, deel 2

Zoals ik al zei, verliet ik Oisterwijk in de vroege ochtend en wandelde ik via Heukelom, waar ik niets opmerkelijks zag behalve een watermolen op het riviertje de Lei, naar Moergestel, een dorp aan de Nemer. Hier at ik, om na het middagmaal mijn reis voort te zetten naar Tilburg.

In Moergestel staat een fraaie kerk met toren. Er werd hier vroeger, en zonder enige twijfel ook nu nog, door de roomsen een onbekende heilige vereerd, die je, ook volgens de roomsen zelf, in geen enkele almanak, legende of martelaarsboek zult kunnen vinden. Zijn naam is Everlinus of Everlina, want men weet niet eens of het een man of een vrouw is geweest. Ik zou hem dus liever Sint Onbekend of in het Latijn S. Ignotus noemen, dat klinkt nog wat heiliger. Het gaat de belijders van de roomse religie erom toch maar niemand te vergeten, zoals ook de Atheners dat deden, door aan een Onbekende God wierook toe te zwaaien en voor hem offerdieren te slachten. De Atheners richtten een altaar op voor een hun onbekende godheid en de roomsen vieren het feest van Allerheiligen, dan vergeten zij ook niemand. Wat is wijzer?

Hier moet ik nog aan toevoegen dat je het woord gestel, dat vaker achter de naam van Meierijsche dorpen wordt gevoegd, niet moet uitspreken, zoals iedere Hollander dat vast zou doen als ge-stel, maar als ges-tel. Maar dit terzijde.

donderdag 11 oktober 2012

Ontroering bij zonsopkomst

Boerderij in Oisterwijk (bron: collectie RAT, nr. 57133)

Geliefde vriend!

Ik verliet Oisterwijk in de vroege ochtend bij het opkomen van de zon. De nijvere landman begaf zich naar zijn werk, waarschijnlijk met geen andere gedachte dan aan wat hij op die dag had te doen; want een Meierijsche boer is een van de ongevoeligste schepselen ter wereld. Hij is volstrekt niet vatbaar noch heeft hij enig gevoel voor het grootse en mooie van de zoete natuur. Een opkomende zon op een mooie lente- of zomerochtend ontroert hem een stuk minder dan het gekraai van zijn haan die hem ’s ochtends tot de arbeid roept. Bij mij ligt dat heel anders. Ik was, om het zo maar eens uit te drukken, een en al gevoel.

Onder het wandelen schoten me de volgende, uitstekende woorden uit de Ochtendgedachten van een Landman te binnen, die ik onlangs in een Hoogduits werkje las:

Schöner morgen! Alle kräuter blitzen!
Morgenroth erhellt der bäume spitzen,
Ringsum hebet lust und arbeit an;
Wie die Spinne hier so fleiszig webet,
Dort die schwalbe flink am dache schwebet,
Ach ich bin ein hochbeglückter man,
Dasz ich alles das empfinden kann!

Tijdens het wandelen nam ik een potlood en een stukje papier ter hand. Ik probeerde om deze verzen in Nederlandse dichtregels om te zetten en zie hier hoe ik ze van afstand gevolgd heb, hoewel mijn vertaling in schoonheid ernstig voor het origineel moet wijken:

Schone morgen! Dauw bedekt het kruid met droppen
’t Morgenrood verlicht der bomen hoge toppen,
Rondom gaat eenieder lustig de arbeid aan –
Ik zie nu hier in het loof de spinnen vlijtig weven,
‘k zie daar ook de zwaluw langs de daken zweven –
O! wat ben ik toch een oprecht gelukkig man,
Dat ik dit zo goed, zo diep gevoelen kan!

Noot
Dat ‘werkje’ was G.W.C. Starke, Gemählde aus dem hauslichen leben und Erzählungen. III. Sammlung, p. 103, uit 1793. Het is een typisch fysico-theologisch werk, in 1803-1804 vertaald door E.M. Post, een van de geliefde schrijfsters van Hanewinckel. Onze dominee is hier dus iets eerder met vertalen! :-)

dinsdag 9 oktober 2012

Antisemitisme in Oisterwijk

Verkeersbord tijdens de Tweede Wereldoorlog, ergens aan de komrand van
 de gemeente Oisterwijk met als extra opschrift "beperkte bewegingsvrijheid
voor Joden (bron: RAT)

Derde brief, deel 4

Ik heb hier iets gezien wat mij met afgrijzen vervulde. Ziehier wat ik bedoel: voor de herberg waar ik verbleef, stonden een paar joden op straat met elkaar te praten. Ze deden niemand kwaad. Enkele roomsgezinden die zich samen met mij in die herberg bevonden en deze israëlieten zagen, gaven met woorden en gebaren zeer duidelijk uiting aan hun haat jegens deze mensen, die hen niets hadden gedaan. Ze spuugden met een diepe verachting op de grond telkens als ze hun oog op de joden lieten vallen, trokken allerlei lelijke gezichten, vloekten op ze en noemden ze “verdomde smousen”, terwijl ze hen allerlei kwaads toewensten.

Het irriteerde mij mateloos, maar het leek me niet raadzaam om die joden te verdedigen, hoe graag ik dat ook had gewild. Ik hield me muisstil, want ik dacht dat men mij anders wel met krachtige redenen ervan overtuigd zou hebben, dat het een geus niet past de zaak van een israëliet te bepleiten. Best te zwijgen, dat was alles waarmee ik enigszins ongemoeid kon blijven.

Maar hoe hard valt dat niet voor een weldenkend mens, die onschuldigen hoort belasteren, vervloeken en alle kwaads toewensen, zonder dat hij ze durft te verdedigen, uit vrees! Kan zo’n religie, die anderen vervloekt en verdoemt, wel de religie van de menslievende Jezus zijn? Beslist niet!

Ik beëindig deze brief met de verzekering dat ik mij onveranderlijk zal blijven noemen, jouw beste
Vriend.

P.S. Omdat ik nog een beetje ruimte over heb, wil ik je hier een gebedje meedelen, dat ik onder de zogenaamde huiszegen van de roomsen gelezen en overgeschreven heb. Dan kun je makkelijk oordelen over de inhoud van het geheel, die geen haar beter is, maar zelfs nog erger! Kijk, zo luidde het:

O Heer Jesu Christe! Door uw dierbaar bloed
Uw passie, kruis, nagelen en bittre dood,
Lancie, geesselen, traanen en wonden rood
Die moeten mijne arme ziel troosten in haaren uiterste nood
Als ik zal sterven de bittre dood. Amen.

donderdag 4 oktober 2012

Een roomse samenzwering in Oisterwijk

Hoe oud de Lindeboom in Oisterwijk precies is, kan niet met zekerheid
worden vastgesteld, maar in 1388 werd hij al vermeld (bron: RAT)

Derde brief, deel 3

Vanuit Haaren spoedde ik mij verder. Onderweg gebeurde er niets. Ik wandelde geheel in mijn eentje, dus ik had ook geen gelegenheid om met iemand te spreken en daardoor iets van belang te horen. Oisterwijk is een mooi dorp en, zoals je al wel weet, de hoofdplaats van een deel van de Meierij, dat daar ook zijn naam aan ontleent. Hier stond vroeger een vrouwenklooster, gesticht in 1451. Het brandde in 1574 af en is niet meer herbouwd. De kerk van dit dorp werd in het jaar 1583 geheel in de as gelegd en daarna weer wel opgebouwd, al is hij tegenwoordig niet meer zo groot als de oude. Maar het is wel een fris gebouw.

Je vindt hier een zeer grote lindeboom, waaronder de botermarkt wordt gehouden. Ongetwijfeld is dit de grootste boom van ons vaderland. Zijn takken strekken zich zeer wijd en breed uit en men zegt dat er een compleet regiment soldaten onder kan schuilen.

De roomsgezinden hebben het hier in vroeger tijden zeer bont gemaakt. In het jaar 1728 dachten ze hier alles in hun macht te krijgen. Ze probeerden daarom met geweld in het huis van de predikant in te breken en daar het centrum van hun woede te vestigen. Maar dat plan werd op tijd verijdeld. Begin dit jaar werden afgevaardigden van achttien of twintig roomse parochies hierheen gestuurd om manieren te bedenken waarop men de kerken van de hervormden in bezit zou kunnen krijgen. Maar ik ben er niet achter kunnen komen wat de uitkomst van deze beraadslagingen is geweest, men houdt dat diep geheim. Waarschijnlijk is men het niet eens kunnen worden.

dinsdag 2 oktober 2012

Over de waarde van bedevaarten

Een Vughtse groep ter bedevaart naar Kevelaer
(Bron: collectie BHIC, nr. FOTOVU.1212)

Ik moet hier nog aan toevoegen dat iedere roomse Meierijenaar zeker één keer, als hij het ook maar enigszins kan opbrengen, een bedevaart onderneemt naar Handel, en, als hij de kosten kan dragen, vooral naar Kevelaer. Want hoe verder men reist, hoe verdienstelijker dat is, dat spreekt immers voor zich. Net zoals het ene Lieve-Vrouwenbeeld (dat moet je beslist niet uit het oog verliezen) veel ‘miraculeuzer’ (zoals men hier zegt) is dan het andere. Ook is Maria almachtiger op de ene plaats dan op de andere. Dit denkbeeld gaat immers heel goed samen met het idee van de Almacht? Ik dacht altijd dat de Almacht overal hetzelfde zou zijn, maar dat had ik mis: men vertelde mij dat dat helemaal anders zat. O, dom en dwaas bijgeloof!

Intussen zijn de priesters in de Meierij geweldig tegen die bedevaarten, maar alleen maar uit eigenbelang, zoals verschillende roomsgezinden mij verzekerden. Want het geld dat naar die bedevaartplaatsen wordt meegenomen en daar aan de priesters wordt gegeven, kunnen zijzelf dus niet hier in hun beurs krijgen. Je hebt geen idee, mijn vriend, van de domheid die er onder de roomsen in de Meierij heerst!

Iemand die deze godsdienst belijdt, kan van alles geloven, en wil ook graag alles voor zoete koek aannemen, al is het nog zo ongerijmd, op voorwaarde dat het maar door een priester wordt gezegd, of als het maar in een roomse plaats is gedrukt. Een boek dat in een protestants land is uitgegeven, kan echter nooit waarheid bevatten, als het ook maar iets over religie zegt. Maar genoeg hierover, laat ik verder gaan...

dinsdag 25 september 2012

Plaatjes van Maria

Centsprent van na 1850, uitgegeven door Verbeeck in Kevelaar
(Bron: www.hetoudekinderboek.nl)

Derde brief, deel 1

Hooggewaardeerde vriend!

Deze brief dient om je te laten weten waar ik me nu bevind. Ik ben nu sinds een paar dagen in Oisterwijk. Mijn route koos ik over Udenhout, waar je zeer veel grote en mooie bossen aantreft. Er is ook een kasteel en de hervormden hebben er een mooi, zeer keurig koepelkerkje dat recent gebouwd is. Dat is alles wat ik je ervan kan zeggen. Ik bleef er niet, maar wandelde door naar Haaren, waar niets bijzonders te vinden is voor de nieuwsgierige reiziger. Hier dronk ik een borrel en rustte wat uit.

In de herberg waar ik mijn glaasje jenever bestelde, zag ik een afbeelding van het Mariabeeld in Kevelaer, een dorp in Pruisisch Gelderland. Boven die afbeelding las ik de volgende woorden: Consolatrix afflictorum ora pro nobis! [troosteres der zieken, bid voor ons!] En eronder stonden deze vier regeltjes:

Komt pellegrims met vlijt, wilt deeze Maaget eeren!
Zoo hoort zij uw gebed, eer gij zult wederkeeren.
Zij is een Voorspraakres voor ons toch allegaêr;
Daarom bezoekt deez’ plaats, en komt tot Kevelaar!

Wat vind je daar nu van? Overal in de Meierij vind je bij de roomsen afbeeldingen van dit Mariabeeld, of anders wel van de Lieve Vrouw van Handel (met die plaats heb ik je verleden jaar kennis laten maken), met allerlei bijschriften, zelfs godslasterlijke. Gewoonlijk staat erboven Vera effigies matris Jesu [ware afbeelding van de moeder van Jezus]; of ook wel matris Dei [moeder Gods], of vera effigies miraculosae imaginis matris Dei in pago Kevelaar [ware afbeelding van het miraculeuze beeld van de Moeder Gods in Kevelaer].

Ook zie je in iedere roomse woning een zogenaamde huiszegen hangen, dat is een afbeelding van de gekruisigde Christus, waarnaast een in vele opzichten Godonterend gebed te lezen valt. Naar aanleiding hiervan herinner ik me dat ik ooit, toen ik door Pruisisch Gelderland reisde, ergens langs de weg een groot, houten kruis tegenkwam met een beeld eraan. Daaronder las ik deze verzen, die mij beter bevielen dan de regels onder het Mariabeeld:

Dit beeld, o mensch!, dat Gij hier ziet,
Is Jezus Christus zelve niet.
Aanbid daarom geen hout en steen,
Maar Christus, God en Mensch, alleen.

donderdag 26 januari 2012

Waren alle geuzen maar weg!

Landschap rond Oisterwijk (bron: BHIC)

Vijftiende brief, deel 3

Hij: Ja, ja. Ik wou maar dat we alle geuzen hier kwijt waren. Dat wensen we allemaal. Men heeft het ons wel wijsgemaakt, maar zij zijn nog niet weg. Als de Fransen maar katholiek geweest waren, dan zouden we ze zeker wel weggekregen hebben, maar die waren zelf ook wel meer dan half geus.

Ik: U dacht dus dat de geuzen weggejaagd zouden worden als de Fransen kwamen?

Hij: Jazeker wel! Maar als we geweten hadden dat die verdoemde ketters niet weggejaagd zouden worden en dat we zoveel moeite hadden moeten doen voor de grote kerk, of dat wij geen processies zouden mogen houden, dan zouden wij katholieken niet naar de komst van de Fransen verlangd hebben. Die hadden dan gerust weg mogen blijven.

Dit gesprek begon mij de keel uit te hangen, omdat ik een afkeer voelde voor zo’n bittere godsdiensthaat als deze man uitstraalde. Om van hem af te komen, deed ik dus alsof ik zeer vermoeid was en ging onder een boom zitten alsof ik wat wilde uitrusten. Hij ging verder en ik schreef dit gesprek meteen op om het je zoveel mogelijk woord voor woord te kunnen opsturen.

Hoe is het mogelijk dat men zo kan denken: “een mens is na dit leven ongelukkig, dus kan men hem ook in dit leven ongelukkig maken”.

dinsdag 24 januari 2012

Aan een ketter is niets verloren

Vijftiende brief, deel 2

Hij: De mensen zijn hier heel braaf en doen niemand kwaad, tenzij het een geus is. Er is niets op tegen als men zo iemand eens een loer kan draaien.

Ik: Zijn zij dan niet ook mensen, of bedreigen ze iemand?

Hij: Nee, dat niet. Maar het zijn ketters, die geen religie hebben, en die men daarom niet hoeft te sparen. Want aan een ketter is toch niets verloren; ze zijn immers allemaal verdoemd.

Ik: Dat laatste is wel ongelukkig voor ze. Maar moet je ze dan niet eerder beklagen, omdat deze ketters na dit leven verdoemd zijn, en moet je dan hun leven hier op aarde juist niet zo aangenaam mogelijk maken, in plaats van ze te haten? God zelf tolereert de geuzen en Hij geeft in dit leven alles zowel aan hen als aan de roomsen. Hij maakt dus geen onderscheid. Waarom zouden wij dat dan wel doen? - Maar waarom zijn ze eigenlijk verdoemd?

Hij: Dat zegt onze pastoor. De geuzen zijn geen christenmensen. Zij aanbidden niet Onze Lieve Heer, of Onze Lieve Vrouw of de heiligen. Zij zeggen dat onze religie maar aperij is (God vergeve mij de zonden). Ze zijn nog erger dan de duivel (moge God ons en alle christenen voor hem bewaren), want die heeft tenminste nog schrik voor het teken van het H. Kruis en wij kunnen hém daarmee verjagen, maar een geus of ketter niet.

Ik: Dan zijn ze veel verstandiger dan de duivel en ook niet zo bang, als ze er niets om geven.

donderdag 19 januari 2012

Van Schijndel naar Tilburg

Landschap rond Oisterwijk (bron: BHIC)
Vijftiende brief, deel 1

Waarde vriend!

Toen ik Schijndel verliet, was het een bijzonder mooie dag om te wandelen. Het was niet te warm, vooral niet in het vroege ochtenduur, want er waaide een koel briesje, en de grond was flink bedekt met dauw, die een zeer aangename geur verspreidde. Ik werd heel wat minder snel moe, dan als het vreselijk heet geweest zou zijn.

Het eerste dorp dat ik bereikte, was Boxtel. Ik bleef hier echter niet langer dan nodig was om mij een beetje op te frissen, want ik herinnerde me nog levendig het begin van mijn reis, toen men mij hier zo vreselijk had geïrriteerd met nutteloze vragen.

Vervolgens wandelde ik verder richting Oisterwijk, een aanzienlijke plaats, waarnaar een deel van de Meierij is genoemd, namelijk het Kwartier van Oisterwijk. Hier at ik mijn middagmaal en sliep wat om uit te rusten. Tegen zonsondergang kwam ik in Tilburg aan. Onderweg, tussen Boxtel en Oisterwijk, werd ik door een man ingehaald, met wie ik het volgende gesprek voerde:

Hij: u lijkt hier vreemd te zijn (ik had hem naar de goede weg gevraagd).
Ik: ja, dat is zo.
Hij: wie bent u dan en waar komt u vandaan?
Ik: dat zeg ik noch aan u noch aan iemand anders.
Hij: ik denk niet dat u het niet wilt zeggen, omdat u een slecht mens bent.
Ik: wat dat betreft, hebt u gelijk. Maar ik vertrouw de mensen hier niet.