Zestiende brief, deel 3
De weg die ik moest begaan, was behoorlijk eenzaam. Slechts een enkele man uit Oirschot die ook naar Moergestel ging, volgde dezelfde route als ik. Ik sprak met hem en leidde ons gesprek naar die onderwerpen waarover ik graag wat wilde weten. Hij bevredigde gedeeltelijk mijn nieuwsgierigheid door mij te vertellen over vele zaken die het bijgeloof betroffen.
Sommige dingen kwamen mij erg bespottelijk voor, anderen weer volledig ongegrond, maar bovenal liet hij zijn haat tegen de protestanten doorschemeren, zodra hij daar maar de geringste aanleiding toe meende te zien.
Ik kwam dus op deze wandeling van Tilburg en terug niets tegen dat ook maar iets opleverde voor jou, behalve dat ik overal blijken van het domste bijgeloof aantrof en van verfoeilijke ontevredenheid, omdat men meende bedrogen te zijn. Want als de wens van de meierijenaars nu sinds een jaar of drie in vervulling was gegaan, dan zou de roomse godsdienst nergens met meer pracht uitgeoefend worden dan door hen. Ja, dan waren alle protestanten in de Meierij inmiddels al uitgeroeid. Hun naam was al lang van de aardbodem verdwenen, en zelfs was er dan een vreselijke banvloek uitgesproken over iedereen die het maar zou durven de naam “geus” uit te spreken.
Laat mij nu jouw brief en de vragen die daarin staan zo goed als ik kan beantwoorden. Ik heb in alle dorpen waar ik geweest ben zoveel mogelijk de denk- en levenswijze van de meierijenaars bestudeerd.
Reizen door de Meierij
Brabant door de ogen van Stephanus Hanewinckel
donderdag 23 februari 2012
dinsdag 21 februari 2012
Het wonderschone Oirschot
Zestiende brief, deel 2
Nadat ik Bladel verlaten had, wandelde ik door enkele kleine en armzalige dorpjes, waar ik niet stil bleef staan, omdat ik er niets opmerkelijks zag. Deze streek is wel de dorste en armste regio van de Meierij, tenminste zo kwam het mij voor. Na door deze plaatsjes gewandeld te zijn (ik zal je de namen ervan besparen, want daar heb je toch niets aan), kwam ik tenslotte aan in Oirschot.
Daar ontrolde zich een geheel ander toneel. Een prachtig dorp, dat zeer uitgestrekt is, overal beplant met allerlei soorten bomen en houtgewas, wat dus zeer mooie wandeldreven opleverde. Het dorp praalt met een van de mooiste kerken van de Meierij en de toren is, ook zonder spits, de hoogste die men in de Meierij kan vinden. De schoonheid van de architectuur doet evenmin voor weinig andere torens onder.
Het kasteel van dit dorp ligt zeer aangenaam bij het riviertje de Beerze. Men treft er een kapel aan, die men tegenwoordig gebruikt om er op marktdagen boter te wegen. De wandelingen die ik hier maakte, bevielen me uitstekend. Ik zou hier graag langer dan een dag of twee zijn gebleven om alles nauwkeurig te bekijken, maar dat kon niet. Deels omdat de tijd die ik aan mijn reis kon besteden langzaamaan aan het verstrijken was; deels omdat mij ook hier de haat, de dweepzucht en de bijgelovige fantasieën die ik hier moest aanzien en aanhoren, enorm irriteerden.
Ik ging daarom, na een dag of twee hier verbleven te hebben, via het dorp Moergestel weer terug naar het aanzienlijke Tilburg.
Nadat ik Bladel verlaten had, wandelde ik door enkele kleine en armzalige dorpjes, waar ik niet stil bleef staan, omdat ik er niets opmerkelijks zag. Deze streek is wel de dorste en armste regio van de Meierij, tenminste zo kwam het mij voor. Na door deze plaatsjes gewandeld te zijn (ik zal je de namen ervan besparen, want daar heb je toch niets aan), kwam ik tenslotte aan in Oirschot.
Daar ontrolde zich een geheel ander toneel. Een prachtig dorp, dat zeer uitgestrekt is, overal beplant met allerlei soorten bomen en houtgewas, wat dus zeer mooie wandeldreven opleverde. Het dorp praalt met een van de mooiste kerken van de Meierij en de toren is, ook zonder spits, de hoogste die men in de Meierij kan vinden. De schoonheid van de architectuur doet evenmin voor weinig andere torens onder.
Het kasteel van dit dorp ligt zeer aangenaam bij het riviertje de Beerze. Men treft er een kapel aan, die men tegenwoordig gebruikt om er op marktdagen boter te wegen. De wandelingen die ik hier maakte, bevielen me uitstekend. Ik zou hier graag langer dan een dag of twee zijn gebleven om alles nauwkeurig te bekijken, maar dat kon niet. Deels omdat de tijd die ik aan mijn reis kon besteden langzaamaan aan het verstrijken was; deels omdat mij ook hier de haat, de dweepzucht en de bijgelovige fantasieën die ik hier moest aanzien en aanhoren, enorm irriteerden.
Ik ging daarom, na een dag of twee hier verbleven te hebben, via het dorp Moergestel weer terug naar het aanzienlijke Tilburg.
donderdag 16 februari 2012
Naar Hilvarenbeek en Bladel
Zestiende brief, deel 1
Ik ben, na een paar dagen rondgewandeld te hebben, weer hier in Tilburg aangekomen. Zodra ik mijn herberg binnenkwam, vroeg ik of er een brief voor mij was. De waard gaf me meteen je laatste. Ik was heel blij met de verzekering dat het goed met je ging, en ook met je lieve echtgenote en kinderen. Ik las er ook uit, dat... Maar voor ik jouw brief ga beantwoorden, wil ik je eerst vertellen over mijn verdere reis (al heeft die niets interessants opgeleverd).
Vanuit Tilburg ging ik via Goirle, dat hier gewoonlijk Gool wordt genoemd, naar Hilvarenbeek. Dit dorp is dicht bebouwd en helemaal niet onaardig: de huizen liggen rondom een groot, vierkant plein. Het dorp pronkt met een mooie kerk en een even mooie toren die een klokkenspel heeft. Dit viel me in het bijzonder op, omdat ik mij niet kan herinneren ergens anders een dorp gezien te hebben met een carillon.
In Hilvarenbeek werd de geleerde J. Gropius geboren. Waarschijnlijk ontleent dit dorp zijn naam aan een lustig beekje of riviertje dat erlangs stroomt en dat de Hilver of Hulver genoemd wordt. Van hier wandelde ik over Lage Mierde naar het mooie dorp Bladel, niet ver van de Brabantse grens. Dit dorp zou volgens Martinet het aloude Bladelle zijn dat keizer Karel de Eenvoudige in de tiende eeuw aan Dirk, graaf van Holland, heeft geschonken.
In de Rijmkroniek van Melis Stoke leest men dit:
Ghegeven in ons Heren iaer
Achte hondert en daer naer
Driwerf twintich ende drie mede,
Tote Bladele tere stede,
dat een dorp is ende so heet,
neghen daghe, als ment weet,
voor midde somer sinte Jans dach,
als sine ghebeernesse lach.
De kundige Huydecoper echter wil hier niet het dorp Bladel in de Meierij in zien, maar een zeker Bladoli villa in het land van Beauvais. Mijn vriend, sla zijn aantekeningen op het eerste boek van Stoke er maar eens op na om te zien wie gelijk heeft, want ik zal die kwestie niet kunnen beslissen.
dinsdag 14 februari 2012
Wandelen door ansichten
De verslagen in boekvorm van Hanewinckels reizen door de Meierij zijn geïllustreerd met enkele mooie 'ansichtkaarten'. Een aantal van deze plaatjes is terug te vinden in de archiefcollectie, die bewaard wordt op het BHIC.
Het zijn prachtige kleine pentekeningen, met daarop beelden uit verschillende stadjes en dorpen. De poorten in Grave (de Maas-, Ham- en Brugpoort) zijn bijvoorbeeld keurig in beeld gebracht. Maar ook een dorpsgezicht van Beugen waarop we – behalve de kerk aan de horizon – ook een wat gezette heer, een kind met hoedje en twee honden zien. En dat allemaal op een plaatje dat kleiner is dan een ansichtkaart.
Er zitten ook enkele tekeningen bij, gemaakt met Oostindische inkt, waarbij de plaatsnamen niet staan vermeld maar die een indruk geven van het rustieke leven uit de achttiende eeuw.
Bron: tekeningen (deels gedrukt), afbeeldingen voor het boek van Hanewinckel, alsmede aantekeningen over de paginering, circa 1800 (collectie Hanewinckel, inv.nr. 14)
donderdag 9 februari 2012
Latijnse Scholen in Noord-Brabant rond 1800
Hanewinckel gaat in de vijftiende brief, deel 6 wat dieper in op het onderwijs aan de zogenaamde Latijnse Scholen. Hij is daar niet erg positief over, vooral niet over de scholen (hoe kan het ook anders) onder katholieke leiding : “(…) zo slecht als het Latijn in de roomse scholen onderwezen wordt, dat tart iedere verbeelding.”
Maar Hanewinckel geeft ook aan hoe het naar zijn idee anders zou kunnen: “Mij lijkt dat men in onze scholen de leergierigheid wat meer zou mogen prikkelen. Het hele onderwijs zou de jeugd meer moeten vermaken en meer ingericht moeten worden naar het begripsvermogen van de jongeren.”
In hoeverre klopt het beeld dat onze dominee schetst? We hebben daarvoor een andere bron. In 1815 werd mr. H. Wijnbeek aangesteld als “Inspecteur der Latijnsche Scholen” in Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel en Utrecht. Tussen 1817 en 1849 schreef hij negen rapporten over de onderwijssituatie. Over de Brabantse Latijnse Scholen is zijn oordeel niet mals. Zijn visie sluit dan ook naadloos aan bij die van Hanewinckel.
De scholen bevinden zich qua onderwijs “in een zeer achterlijke staat”. Er wordt alleen Latijn gegeven (de rijksoverheid had inmiddels ook andere vakken verplicht gesteld, zoals Grieks, geschiedenis en aardrijkskunde). De onderwijsmethode leek “opzettelijk uitgedacht om het aanleren van die taal zo moeilijk en vervelend mogelijk te maken.” De docenten verbeeldden zich intussen echter dat hun lesmethode de hoogste graad van volmaaktheid had bereikt.
Wijnbeek zag dat anders: “het ontwikkelen van de verstandelijke vermogens van de leerling, zijn geest met nuttige vaardigheden te verrijken, hem gevoel bij te brengen voor het krachtige en schone der oude schrijvers, dat alles ontbreekt hier over het algemeen.” En het gebruikte leerboek, de grammatica van Simon Verepaeus (overigens begraven in de Bossche Sint-Jan), was ook niet bepaald actueel. Dat stamde nog uit 1560 (en werd nog in 1864 in Bergen op Zoom herdrukt)!
Zo tegen 1850 is de inspecteur veel positiever over de ontwikkelingen. Op een enkele plaats staat er nog wel een “eigenzinnig warhoofd” les te geven, maar met de nieuwe generatie docenten gaat het uiteindelijk de goede kant op.
De verslagen van Wijnbeek zijn gepubliceerd in twee artikelen:
- J.L.M. de Lepper, “De Latijnse Scholen van Noord-Brabant in de negentiende eeuw” In: Brabantia 3 (1954) p. 241-299, en
- R. Reinsma, “De Latijnse Scholen van Noord-Brabant in de negentiende eeuw”. In: Varia Historica Brabantia IV (1975), p. 307-313.
Maar Hanewinckel geeft ook aan hoe het naar zijn idee anders zou kunnen: “Mij lijkt dat men in onze scholen de leergierigheid wat meer zou mogen prikkelen. Het hele onderwijs zou de jeugd meer moeten vermaken en meer ingericht moeten worden naar het begripsvermogen van de jongeren.”
In hoeverre klopt het beeld dat onze dominee schetst? We hebben daarvoor een andere bron. In 1815 werd mr. H. Wijnbeek aangesteld als “Inspecteur der Latijnsche Scholen” in Noord-Brabant, Gelderland, Overijssel en Utrecht. Tussen 1817 en 1849 schreef hij negen rapporten over de onderwijssituatie. Over de Brabantse Latijnse Scholen is zijn oordeel niet mals. Zijn visie sluit dan ook naadloos aan bij die van Hanewinckel.
De scholen bevinden zich qua onderwijs “in een zeer achterlijke staat”. Er wordt alleen Latijn gegeven (de rijksoverheid had inmiddels ook andere vakken verplicht gesteld, zoals Grieks, geschiedenis en aardrijkskunde). De onderwijsmethode leek “opzettelijk uitgedacht om het aanleren van die taal zo moeilijk en vervelend mogelijk te maken.” De docenten verbeeldden zich intussen echter dat hun lesmethode de hoogste graad van volmaaktheid had bereikt.
Wijnbeek zag dat anders: “het ontwikkelen van de verstandelijke vermogens van de leerling, zijn geest met nuttige vaardigheden te verrijken, hem gevoel bij te brengen voor het krachtige en schone der oude schrijvers, dat alles ontbreekt hier over het algemeen.” En het gebruikte leerboek, de grammatica van Simon Verepaeus (overigens begraven in de Bossche Sint-Jan), was ook niet bepaald actueel. Dat stamde nog uit 1560 (en werd nog in 1864 in Bergen op Zoom herdrukt)!
Zo tegen 1850 is de inspecteur veel positiever over de ontwikkelingen. Op een enkele plaats staat er nog wel een “eigenzinnig warhoofd” les te geven, maar met de nieuwe generatie docenten gaat het uiteindelijk de goede kant op.
De verslagen van Wijnbeek zijn gepubliceerd in twee artikelen:
- J.L.M. de Lepper, “De Latijnse Scholen van Noord-Brabant in de negentiende eeuw” In: Brabantia 3 (1954) p. 241-299, en
- R. Reinsma, “De Latijnse Scholen van Noord-Brabant in de negentiende eeuw”. In: Varia Historica Brabantia IV (1975), p. 307-313.
Abonneren op:
Berichten (Atom)



