Posts tonen met het label 's-Hertogenbosch. Alle posts tonen
Posts tonen met het label 's-Hertogenbosch. Alle posts tonen

donderdag 12 september 2013

Het einde van de reis

Glas in lood, in de Sint-Jan van 's-Hertogenbosch (foto Peetje2/Flickr)

Vierentwintigste brief, deel 9

Oh, hoe onbegrijpelijk groot was de Formeerder en Bestuurder daarvan in mijn bijziende ogen. “Werelden”, zei ik, “werelden tollen boven mijn hoofd. Werelden, bewoond door redelijke schepselen die hun Schepper prijzen en zijn liefde veel volmaakter verheerlijken dan ik dat kan, dan enig sterveling op aarde dat kan. Hier zie ik overtuigend dat er een Schepper en bestuurder van alles is. Oh! dat mijn hart met flauwere tonen de liederen mag vervangen van de bewoners van die werelden die ik in een onmetelijke ruimte zie zweven. Eeuwig zij God door mij geprezen!”

Hoezeer voelde ik op dat moment, mijn vriend, de waarheid van dat gezegde: er is er maar Eén die alles regeert! Vóór ik in de gaten had hoe laat het al was en hoelang ik al op de wal had gestaan, sloeg de klok elf maal; zo diep was ik verzonken in het overpeinzen van de mooie, heldere hemel die met sterren was bezaaid. Ik spoedde mij naar mijn herberg, at een beetje en ging meteen zitten om je deze brief te schrijven.

Morgen, of liever: vandaag, want het is al twee uur in de morgen geweest, blijf ik nog hier. De volgende dag ga ik scheep van hier naar mijn woonplaats en zodra ik mijn zaken, die zeker tijdens mijn afwezigheid iets achteruit gegaan zullen zijn, weer op orde heb gebracht, dan kom ik naar jou toe om na zo’n lange afwezigheid weer enkele echt genoeglijke dagen met elkaar door te brengen.

Hier heb je nu het einde van mijn tweede reis door de Meierij en ook het einde van alles wat ik in deze landstreek opnieuw heb gezien, gehoord en ondervonden. Verheug je met mij dat ik deze reis zonder enig gevaar en zonder enige tegenspoed volbracht heb. Laat deze en mijn vorige brieven voor jou het sterkste bewijs zijn van mijn vriendschap. Laten zij getuigen hoeveel invloed je op mij hebt, want als jij me niet tot deze tweede reis zou hebben aangespoord, dan zou ik beslist lang geaarzeld hebben om die te beginnen, hoe sterk mijn zin om te gaan reizen ook is. Maar genoeg hierover!

Ik hoef dit niet verder tussen ons beiden uit te leggen. Ik eindig dan met deze verzekering, namelijk dat niets mij meer genoegen kan of zal geven, dan wanneer ik ervan overtuigd ben, dat ik iets tot jouw genoegen heb kunnen doen en met deze zekere overtuiging onderteken ik met: jouw oprechte, belangeloze, standvastige en beste
Vriend

dinsdag 10 september 2013

Van de domme Meiereijenaar tot de Ene Alregeerder

Vierentwintigste brief, deel 8

Nadat de onbekende mij al deze stukjes had verteld, voegde hij er nog aan toe met een gezicht, waarvan de trekken een en al verontwaardiging lieten zien: “men moet toch verdrietig worden, zodra men zijn voet op Meierijsche bodem zet en daar ook maar een beetje de levens- en denkwijze van de roomsen doorziet. Werkelijk! Als ik bedenk dat we al aan het einde van de 18e eeuw gekomen zijn, de eeuw die door velen verlicht wordt genoemd, dan krimpt mijn hart helemaal weg van pijn, vooral als ik die Verlichting op de Meierij toepas en bedenk hoe weinig de inwoners daarvan gevorderd zijn in kunde enzovoort. Men moet zich inderdaad schamen een Meierijenaar te zijn.

Mij dunkt dat het er in de 10e of IJzeren Eeuw van het christendom niet beroerder kan hebben uitgezien met de godsdienst dan het daarmee tegenwoordig in de Meierij staat. Ik geloof nooit dat er toen zoveel domheid heerste als er nu nog in de godsdienstbeleving van de roomse Meierijenaars is. Nooit zal ik kunnen geloven dat men toen zo onverdraagzaam en zo vervolgzuchtig was als de huidige roomsen in de Meierij zijn, als ze zouden durven. Maar lof aan God! (hier klaarden zijn gelaatstrekken op) Lof aan God! Zij hebben niet alles in hun macht. Er is er maar Eén die regeert! Op Deze vertrouw ik!  !!  !!”

Met deze conversatie, die mij zeer trof, traden we de stadspoort binnen. Hier nam ik hartelijk afscheid van deze brave onbekende en bedankte hem welgemeend voor zijn gezelschap dat mij zo aangenaam was geweest. Hij ging de wal op. Ik vergat hem te vragen wie hij was of waar hij woonde, zozeer hadden zijn woorden mijn ziel geroerd en getroffen. Ik ging meteen door naar het koffiehuis. Het was er heel erg vol en ik ergerde mij meteen, want de aanblik van het spelen met kaarten of aan de troktafel [soort biljart] kon mijn gedachten niet op orde brengen, die nog bezig waren met de onbekende en wat hij gezegd had. Snel liep ik het koffiehuis weer uit en begaf me diep in gedachten naar de stadswal.

Het avondlijk uur was heel mooi en de lucht was helder. Ik zag op de wal geen één redelijk wezen, behalve hier en daar een eenzame schildwacht op zijn post. Mijn oog kon geen veraf gelegen voorwerpen onderscheiden. Ik hoorde het gedruis van de stedelingen van ver, maar zonder mij erom te bekommeren. Uiteindelijk verlosten de laatste woorden van mijn onbekende: “er is er maar Eén die regeert!” mij geheel uit mijn mijmering. Ik verhief mijn gedachten tot de troon van de Alregeerder. Mijn ogen richtte ik nu op het ontelbare leger van de sterren en ik overdacht de ontelbare bollen die boven mijn hoofd rondtolden.

dinsdag 27 augustus 2013

Doodsgebruiken

Voor de woning van den overledene staat een bos stro, enkele stenen
en een paasplantje (bron: Zandstad, collectie UvT)

Vierentwintigste brief, deel 4

In sommige dorpen van de Meierij heeft men de gewoonte om op een hoorn te blazen als men ’s avonds in een huis bijeen wil komen om een rozenkrans te bidden. De meesten die dit horen, gaan dan daarheen. Als het gebed is afgelopen, begint men allerlei gekkigheid uit te halen en is alle vroomheid weer vervlogen. Dit blazen van een hoorn gebeurt ook wel als iemand op sterven ligt, zodat men nog een laatste keer voor de stervende kan bidden.

“Ieder mens,” zei de onbekende, “wenst gerust te sterven, en dus ook de roomsen, al zetten die daar de verkeerde middelen voor in. Op een deugdzaam leven volgt bij de christen altijd een geruste dood, zo is mijn stellige overtuiging. Ja, deze twee zaken beschouw ik als het beste op aarde, daarom denk ik dikwijls aan de woorden van onze grote dichter R. Feith uit Het Graf. Mag ik die u eens voorlezen?” (Ik antwoordde instemmend. Daarop haalde hij een boek uit zijn zak en las mij met krachtige stem en een gevoelvol hart de volgende regels voor. Ik vroeg hem meteen ze over te schrijven om ze jou te kunnen toesturen).

O sterfling, wie ge ook zijt! Van al het heil op aard’
Is dit alleen de wensch, der ed’le menscheid waard.
Een leven, vrij van schand’, van wroeging en van zorgen;
Een vrolijke avond en een slaap tot aan den morgen;
Een doodbed, zacht van dons, waar nog ’t herdenken streelt,
En waar de zielrust om de kalme sponde speelt;-
Zie daar den besten schat, dien de aarde ons aan kan bieden,
Hij blijft ons eigendom, waar jeugd en voorspoed vlieden;
Wie hem alreê bezit, heeft niet vergeefsch geleefd;
Gelukkig, die hem kent en moedig naar hem streeft!*

Verder heeft men in bepaalde dorpen de gewoonte om meteen de deuren en ramen te sluiten als er een lijk is. Op andere plekken legt men een bos stro met enkele stenen erop voor de deur neer. Dit stro is met zwarte, leren banden bij elkaar gebonden, maar als de dode ongehuwd is, dan zijn er witte en zwarte linten omheen gebonden. In voorname plaatsen is dit stro heel netjes gemaakt en kan men de bossen huren, zoals in Den Bosch het geval is, waar het verhuren van die strobossen een exclusief voorrecht is van het Hervormd Weeshuis.

Ook zijn er dorpen waar men een grote lantaarn zonder licht buiten aan de deur hangt, zodra er iemand gestorven is. Dat symbool vind ik mooi. Het laat heel passend zien, dunkt mij, dat de lamp des levens van een sterveling is uitgeblazen. Als een dode wordt begraven, legt men een zwart kleed over de kist en soms ook wel, zoals ik meer dan eens heb gezien, een wollen deken. Zo draagt men hem ten grave. Maar als de dode een kind is of ongehuwd, dan neemt men een wit linnen laken, versiert dat met bloemen, linten enzovoort - hoe bonter, hoe mooier - en gebruikt dat als een baar- of doodskleed.

*) Tweede Zang, p. 51-52.

donderdag 22 augustus 2013

Ruziemakende roomsen

Een askruisje halen als laatste restje van Carnaval (foto Bespiegelingen)

Vierentwintigste brief, deel 3

Men zegt ook, dat datzelfde slechte sujet een dag of twee na dit voorval in een herberg kwam, waar de drost, een roomsgezinde van overtuiging, met nog enkele andere belijders van die religie en één protestant een glaasje bier zat te drinken. Dat hij toen enorm op de hervormden begon te schelden en tegen die ene protestant gezegd zou hebben: “gij hebt mij eens gevraagd wat dat voor as is, waarvan wij op Aswoensdag een kruis op ons voorhoofd getekend krijgen” (die protestant kon zich niet herinneren daar ooit over gesproken te hebben); “ik zal het oe zeggen: dat is de as van het hout waarop Luther en Calvijn verbrand zijn.” Dit verwekte algemene hilariteit en hierdoor aangevuurd, ging hij naar men zegt door op de volgende manier: “de geuzen moeten nu allemaal weg zijn. Ik ga in het huis van de dominee wonen. Wij hebben nu de overhand, de geuzen moeten allemaal vertrekken. En zoals ik over het water heb gevaren, zo hoop ik spoedig over het bloed te varen van de Vughtse geuzen. Ik zal de eerste zijn om ze kapot te maken.”

Mogen zulke zaken straffeloos passeren? Moest zo iemand niet als voorbeeld voor anderen gestraft worden? Kan het gebeuren dat zo iemand ongestraft en rustig blijft wonen? Is het niet de plicht van een drost om alle misdadigheid, al dat schelden op en belasteren van een of andere religie te voorkomen en te verhinderen?

Hij vertelde mij verder dat een van de aanvoerders die de drost van Stiphout zo pijnlijk en onmenselijk hebben behandeld, zoals ik je tijdens mijn vorige reis heb verteld, vanwege die misdaad lang in de Gevangenpoort in Den Bosch heeft vastgezeten, maar dat hij uiteindelijk weer op vrije voeten werd gesteld en nu schoolmeester te Stiphout is! “Kan iemand die zich zo slecht heeft gedragen, wel schoolmeester zijn of blijven?” vroeg hij mij.

dinsdag 20 augustus 2013

Een gelukkige ontmoeting in Vught

Taalstraat Vught bij café Het Bijltje, ca. 1901 (collectie BHIC, fotonr. FOTOVU.0105)

Vierentwintigste brief, deel 2

Een mij onbekende man, die als enige met mij in diezelfde gelagkamer zat, vroeg me of hij een kopje thee met mij mocht drinken, als ik het niet erg vond. Ik stond hem dat graag toe, temeer omdat hij mij zeer geschikt toescheen. Hij vertelde mij dat hij uit de Meierij kwam, waar hij een tijdje ter ontspanning bij zijn familie was geweest. Dat hij deze dag een aantal uren te voet had afgelegd en blij was dat hij nu zo dicht bij Den Bosch was, waar hij woonde. Ik bevond me dus in het gelukkige toeval om met iemand over de Meierij te kunnen spreken die zijn weg scheen te weten in deze streek. Hij was bijzonder naar mijn zin, want hij sprak goed en verstandig. Ik vroeg hem daarom een glas wijn met mij te drinken, want ik wilde hem graag langer spreken. Hierin stemde hij met plezier in (hij was zeer vermoeid van het wandelen) en wij brachten de tijd samen dan ook zeer genoeglijk door. Tegen de avond stapten wij langzaam stadwaarts, terwijl we ons onderweg met dezelfde, voor mij zeer aangename, gesprekken bezig hielden.

Hij vertelde mij zeer veel dingen die ik je al gemeld heb, maar ook nog het volgende, waarvan ik je toch deelgenoot wil maken, van hoeveel of hoe weinig belang het ook is, omdat het toch nog iets bijdraagt aan jouw kennis van de Meierijsche bijgelovigheden, gebruiken en godsdiensthaat. Ik zal je het in dezelfde volgorde vertellen als waarin we onze gesprekken gehouden hebben (slechts heel zelden komen gesprekken in de juiste volgorde tot stand).

Hier in Vught (ik geef alles net zo weer als ik de informatie ontvangen heb) heeft een zekere boerenkinkel de predikant van de hervormden onvoorwaardelijk uit diens woning willen zetten, onder de woorden dat de predikant weg moest en hijzelf in de pastorie zou gaan wonen, omdat de predikant al lang genoeg in dat huis had gewoond. Een paar dagen nadat die kinkel allerlei brutaliteiten had uitgehaald met de vreselijkste vloeken en gestamp tegen de deur, kwam hij op een avond terug met een geweer en eiste op dezelfde manier dat de predikant het huis zou verlaten. Dat alles gebeurde aan het einde van februari van dit jaar.

donderdag 15 augustus 2013

Een laatste blik op de Sint Jan

Foto: Bert Kaufmann/Flickr

Vierentwintigste brief, deel 1

Allerbeste vriend!

Hier is de laatste brief die je van me zult ontvangen vanuit deze stad. Ik zal daarom een deel van deze nacht, hoe graag ik anders ook vroeg naar bed ga, besteden aan het schrijven naar jou en ik zal me niet eerder te ruste leggen dan voordat ik deze brief heb afgemaakt. Morgen kan ik, zoals men zegt, rustig een gat in de dag slapen, omdat ik dan niets meer te doen heb. Overmorgen vertrek ik van hier.

Toen ik vanmorgen over een deel van de wal had gewandeld, begaf ik me naar de Sint-Janskerk om dat prachtige en trotse gebouw voor het laatst te bekijken. En terwijl ik dat deed, zei ik tegen mezelf: “trots gebouw! Prachtige muren! Zouden zij die u gesticht hebben, ooit gedacht hebben dat uiterlijke pracht meer van de godsdienst afleidt dan dat het mensen daartoe aanlokt? Kenden ze wel die gouden les om God in geest en waarheid te dienen? Ongelukkige tijd!, waarin men meer aandacht had voor het opsieren van grootste gebouwen ter ere van de heiligen, dan om de simpele godsdienst van Jezus zuiver te belijden en na te volgen. Gelukkig bestaat die tijd voor een groot deel van de christenen niet meer! Die dagen zijn voorbij! Oh, dat ze dan ook nooit meer mogen weerkeren, hoezeer men zich hier ook druk maakt!”

Daarop begaf ik mij naar mijn herberg, nuttigde mijn middagmaal en wandelde na het eten naar Vught. Het eerste wat ik hier deed, was dat ik nog eens met alle aandacht de ruïne van de kerktoren in deze plaats in ogenschouw nam. Ik bekeek hem van alle kanten en moest van harte Martinet* gelijk geven, die deze toren onder de mooiste van ons vaderland telt en er het volgende over zegt: “dat de toren van het dorp Vught bij ’s-Hertogenbosch, hoewel zonder spits, qua gave muren de meeste torens, zo niet alle overtreft.” Vervolgens dronk ik een kopje thee, terwijl ik vanuit mijn herberg een uitstekend zicht had over de steenweg naar Boxtel. Zover mijn ogen konden zien, zag ik op die weg een massa van gaande en komende rijtuigen, karren en wandelaars. Oh, wat een heerlijke aanblik!

*) Historie der Waereld, 8e deel, p. 509. Het Veréénigd Nederland, p. 509.

dinsdag 13 augustus 2013

De laatste loodjes

Drieëntwintigste brief, deel 6

Verder weet ik op dit moment niets meer toe te voegen aan deze brief, ik kan me tenminste niets meer herinneren. Als ik mij straks heb aangekleed, loop ik nog eens een rondje over de wal, dan ga ik eten en na het middagmaal ga ik naar Vught, als het weer tenminste mee wil werken, om een kopje thee te drinken. De avond zal ik in het koffiehuis doorbrengen, want ik moet de Bosschenaars beslist nog eens horen praten en zien kaarten. Zo, nu weet je, wat je vriend vandaag gaat doen.

Overmorgen vertrek ik beslist van hier en morgen krijg je de laatste brief van mij, als ik vandaag nog wat ontdek. Anders is dit de laatste. Ik ben oprecht blij dat ik deze voettocht door de Meierij weer zo goed ten einde heb gebracht. Het heeft mij veel genoegen verschaft, al zou dat genoegen nog veel groter zijn geweest, als ik had mogen ervaren dat er nu meer verdraagzaamheid zou heersen in de Meierij dan vorig jaar, maar helaas!

Alles is wat dat betreft nog hetzelfde en in veel opzichten zelfs erger geworden. Dezelfde domheid, hetzelfde bijgeloof, dezelfde dweepzucht, godsdiensthaat en vervolgingszucht heersen er nog even sterk. En ze zullen er wel altijd blijven. Nooit zal hier verandering in komen of er moet een wonder gebeuren. Maar geduld! Ik moet deze brief gaan sluiten, want ieder ogenblik kan de post wegrijden. Over een paar dagen ben ik bij je, over enkele dagen kan ik je in persoon verzekeren dat je mij nog als dezelfde oprechte vriend kunt beschouwen, die ik altijd voor je ben geweest. Ja, dat niets enige verandering kan of zal veroorzaken in het hart van hem die ondertekent als geheel de
Jouwe.

donderdag 8 augustus 2013

De ongewisse toekomst der predikanten

Drieëntwintigste brief, deel 5

Tot slot en op het laatst moet ik nog dit aan deze brief toevoegen: nergens heeft men zoveel onrust gestookt als in de Meierij; niemand heeft ook meer zijn best gedaan om de predikanten der hervormden van hun bezoldiging te beroven, dan de Meierijenaars; en men is hierin ook zo goed geslaagd, dat die ongelukkigen over ruim een jaar (dan zijn immers de drie jaar voorbij die de Staatsregeling noemt) niets meer van het Rijk ontvangen. Is dat wel rechtvaardig? Hebben de Meierijsche predikanten niet het grootste recht op hun jaarwedde? Waren zij niet voor het leven aangesteld? Moest men zich dus niet aan dit contract houden? Had men hen minstens gedurende hun leven dit voorrecht niet moeten laten genieten? Zou men niet veel humaner zijn omgegaan met roomse geestelijken? Die heeft men toch ook hun inkomsten laten behouden na de overgang van Den Bosch?

Ja zeker wel! Over de zaken die aan de roomsen zijn toegestaan volgens het verdrag van de overgave van ’s-Hertogenbosch, getekend op 14 september 1629, vind ik het volgende, namelijk artikel 3 en 4: “deze geestelijke en religieuze personen zullen hun leven lang alle inkomsten en vruchten genieten van hun goederen, die gelegen zijn op plaatsen waar men belasting betaalt. Alle nonnen en religieuze vrouwspersonen zullen in de stad mogen blijven en hun leven lang onderhouden worden vanuit de inkomsten van hun respectievelijke kloostergoederen.”

Als men op die manier ook de hervormde kerkleraren in de Meierij had behandeld, o!, hoezeer zouden deze ongelukkigen zich dan verheugd hebben, terwijl zij nu zitten te zuchten en met een benauwd hart hun toekomstig lot tegemoet zien, omdat hun kleine gemeenten hen niet kunnen onderhouden. Moet de hervormde godsdienst in deze contreien soms geheel uitgeroeid worden? Is dat niet het verlangen van alle roomse Meierijenaars? Hebben zij dit niet al vaak in woord en daad laten zien, waar ze maar konden? Meer wil ik je er nu niet over zeggen, mijn vriend!

dinsdag 6 augustus 2013

Nog eens over de Bossche Rariteitenkamer

Drieëntwintigste brief, deel 4

Hier in deze stad is alles nog precies hetzelfde als vorig jaar. Ik zag of hoorde niets bijzonders, behalve dat de roomsen nog steeds geweldig tumult maken om de grote of Sint-Janskerk. Dit jaar heeft het stadsbestuur de Vughterbinnenpoort ofwel de zogenaamde Rariteiten- en Kunstkamer laten afbreken. Dat heeft een ruim uitzicht opgeleverd, maar als het aan mij had gelegen, had ik hem laten staan. Men heeft de curiosa deels weggegooid, maar het beste heeft men er laten uithalen en bewaard.

Je kon er best wat leuke dingen zien, maar ook veel onbeduidends, zaken die nooit bestaan hebben, zoals de beurs en het wenshoedje van Fortunatus, de blaasbalg van Doctor Faustus en meer van dergelijke prullen. Veel beter zouden me de maliënkolders van Bréauté en Lekkerbeetje met hun pistolen, of de sporen van Maarten van Rossem enzovoort  bevallen. Het is jammer dat men bij het verzamelen van die zeldzaamheden niet kieskeuriger is geweest en ook jammer dat niet alles beter is bewaard en onderhouden.

De Meierijenaars hebben het voorrecht om met honden en valken te mogen jagen, zelfs tot voor de poorten van Antwerpen. Alle Brabanders hebben dat privilege, dat hen door de oude hertogen is verleend. Dat noemt men hier gewoonlijk: haar met haar en veder met veder vangen. In de Blijde Inkomste van Maria, hertogin van Bourgondië, Brabant etc., leest men in artikel 59 onder andere het volgende, waaruit men kan concluderen dat alle geboren Brabanders en dus ook de Meierijenaars dat recht bezitten: “dat iedere man zonder boete op hazen en vossen mag jagen door geheel Brabant, en evenzo op konijnen buiten vrijgestelde jachtgebieden, en ook met vogels zonder boete overal vliegen en bovendien met netten vogels vangen, namelijk mussen, vinken, leeuweriken, snippen, plevieren, zwaluwen, kwartels en dergelijke, en ook schieten op eenden of watervogels.”

Deze privileges zijn in de Meierij altijd onderhouden en worden nog steeds gevolgd. Wie maar wil, jaagt overal met windhonden en valken, al is dit laatste vermaak wat duur en wordt het daarom heel weinig gedaan.

Aantekening:
De beurs en het wenshoedje van Fortunatus: dit zouden dus voorwerpen zijn, afkomstig uit het verhaal Een nieuwe Historie van Fortunatus Borse en van zynen wensch hoed. Zeer Geneugelyk en playsant om te Lesen, Lerende hoe een Jong Gesel hem Heuslyk houden zal in Handel en Wandel, met Woorden en Werken; by Hoge en Lage Personen. Dit 16e-eeuwse volksboekje werd in 1643 bewerkt tot een toneelstuk: Fortunatus beurs en wensch-hoedt, bly-droef-eyndend spel door Bernard Fonteyn (1602/3-1645).

donderdag 1 augustus 2013

Nog wat kleine feitjes

Drieëntwintigste brief, deel 3

Ik voeg hier in het voorbijgaan nog aan toe dat dit kasteel veel geleden heeft van de verwoestingen die de beruchte Maarten van Rossem heeft aangericht. De Geldorpenaars kunnen hun verfoeilijke godsdiensthaat niet verbergen, aangezien zij dit jaar nog de eredienst van de hervormden hebben geprobeerd te verstoren en nog regelmatig stenen door de ramen gooien als er gepreekt wordt.

Dit zijn de dingen waarover ik vorig jaar fouten gemaakt heb als gevolg van de verkeerde inlichtingen die men mij verstrekte. Nu nog over wat anders. De geograaf G. Mercator* stelt dat de Meierijenaars af zouden stammen van de oude Aduatucers, over wie Julius Caesar het dikwijls heeft in zijn geschriften. Anderen houden de Aduatucers voor de toenmalige bewoners van het graafschap Namen of Namur. Deze laatste mening lijkt mij veruit het waarschijnlijkst.

Godfried III (bron: Wikimedia Commons)
De stad ’s-Hertogenbosch zou in het jaar 1184 zijn gesticht door hertog Godfried III, bijgenaamd “in de wieg”**. Hij was de vader van hertog Hendrik I en overleed in het jaar 1187. Er bestaat ook een zeer slecht tijddicht in het Latijn met de volgende inhoud:

GODEFRIDVS DVX E SILVA FECIT OPPIDVM

Het lijkt aan te willen geven dat Godfried III, hertog van Brabant, in 1184 deze stad heeft gesticht.

*) Atlantis, p. 204.
**) J. van Oudenhoven, Beschrijving van de stadt ’s Hertogenbosch, p. 2 en 7; J.L. Godfried, Historische Chronijk, 1e deel, p. 1142; F.M. Janiçon, De Republiek der Veréénigde Nederlanden, deel 3, p. 120; Histoire Generale des Pais Bas, deel 1, p. 240 (Uitgeg. Brussel 1743); J.F. Martinet, Historie der Waereld, 8e deel, p. 45 en zijn Veréénigd Nederland, p. 45.

dinsdag 30 juli 2013

Bisschoppen van Den Bosch

Grafmonument bisschop Masius

Drieëntwintigste brief, deel 2

Gisbertus Masius is niet de laatste bisschop van Den Bosch geweest, zoals mij abusievelijk bericht was en ik jou dus ook op mijn vorige reis verkeerd heb geschreven. Masius was de vierde bisschop van deze stad. De eerste bisschop, Franciscus Sonnius, werd hier in 1562 aangesteld. Masius stierf in het jaar 1614. Onder het beeld op zijn tombe kan men het volgende grafschrift lezen in het Latijn:

Omnia mors aequat
Hic iacet
Quem bommelia mundo protulit
Ducis-sylva infula excepit
Mors virtutibus canisque auctum intercepit
Quid hic triumphas germana somni
Ille tibi reddidit quod debuit
Et quod non debuit
In patriam transtulit

G. Masius was een geleerd man, maar ook bitter paaps en vervolgziek. Hij hield een redevoering over de noodzaak van het lezen van de H. Schrift. Deze redevoering is een stuk dat zeer zeldzaam is, maar meer dan de moeite waard om te lezen. Het is in 1630 vertaald en in druk uitgegeven. Zijn onverdraagzaamheid blijkt uit het volgende voorbeeld. Een oude vrouw van tachtig, die achttien jaar lang hervormd lidmaat was geweest, werd ziek. Masius hoorde daarvan, ging naar haar toe en wilde haar de gewijde hostie toedienen. Zij weigerde dat en stierf. Daarop liet hij het lijk van haar bed rukken, de drempel opgraven, haar daaronderdoor naar de markt slepen en ten slotte in een kuil onder de galg smijten. Mag je dit verwachten van een bisschop die het lezen van de Bijbel aangeprezen heeft?

Al het andere dat ik je over deze bisschop heb verteld, is waar, behalve wat ik vermeld heb over het kasteel van Geldrop. Ik zei dat hij zich daar na de overgang van Den Bosch in 1629 heimelijk zou hebben opgehouden, maar dat is dus van toepassing op de zésde bisschop van die stad, M. van Ophoven, die in die tijd leefde.

Toen deze stad naar de kant van de Staten der Verenigde Nederlanden overging, moesten alle mannelijke geestelijken de stad binnen twee maanden verlaten hebben. Dat was gebaseerd op het tweede artikel van het verdrag dat gesloten was tussen prins Frederik Hendrik aan de ene kant en de geestelijkheid, de magistraat en de burgerij van de stad ’s-Hertogenbosch aan de andere kant. Dat artikel luidde als volgt: “dat alle geestelijke en religieuze manspersonen uit de stad zullen vertrekken binnen de tijd van twee maanden, op voorwaarde dat zij zich in de tussentijd houden aan de plakkaten van het Rijk, en dat zij mee mogen nemen hun meubelen, beelden, schilderijen en andere kerkelijke ornamenten.”

Als het dus waar is dat zich op het kasteel van Geldrop in stilte een bisschop heeft opgehouden, dan gaat dat naar alle waarschijnlijkheid om M. van Ophoven.

donderdag 25 juli 2013

Het Hazewindje in Den Bosch

"Int Hasewijntken", afgebroken in 1835 (meer info in de Bossche Encyclopedie)

Drieëntwintigste brief, deel 1

Hooggewaardeerde vriend!

Misschien wordt dit de laatste brief die je van mij uit deze stad zult ontvangen, misschien komt er nog één. Dat zal ervan afhangen of ik hier korter of langer zal blijven, want ik denk morgen of overmorgen te vertrekken. Wellicht blijf ik nog een dag langer. In deze brief zal ik je een paar dingen opsommen, waarover ik in mijn vorige reisverslag fouten heb gemaakt. Als ik dat heb afgehandeld, zal ik ook nog over andere dingen schrijven.

Het oudste huis in deze stad is niet het Gewandhuis, maar een ander pand dat het Hazewindje wordt genoemd. Het Gewand- of Lakenhuis (het Hoogduitse woord Gewand betekent ‘laken’ of ook wel ‘kledingstuk’) is zeer oud en werd opgericht om er wollen stoffen in te verkopen. Niemand, ongeacht wie hij was: man of vrouw, clericus of leek, mocht binnen Den Bosch een wollen laken kopen of verkopen, behalve in dit huis, op straffe van een zware boete. Dat blijkt uit het privilege van hertog Jan III, “gegeven te Brussel, op de zondag na het octaaf van Driekoningen in het jaar van onze heer 1329”.

Door dit huis het oudste huis van deze stad te noemen, heb ik dus een fout gemaakt. Het Hazewindje, een huis niet ver van het Gewandhuis, is eigenlijk het oudste gebouw van Den Bosch. Dit huis zou al vóór de stichting van de stad door de oude hertogen zijn gebouwd voor hun jagers en honden, die hier in het jachtseizoen verbleven. Dit gebouw verraadt een zeer hoge ouderdom. Boven de deur kan men nog een gevelsteen zien met een windhond. Daar is het huis naar vernoemd, of liever naar het gebruik ervan als jacht- of hondenhuis.

Bij gelegenheid dat mij de ouderdom van dit huis werd aangetoond, vertelde men mij nog het volgende: op zekere dag kwamen in de hitte van de achtervolging van het wild door de honden, de jagers van de hertog op het terrein van de graaf van Megen terecht. Zij werden daarop door de jagers van de graaf overvallen en zwaar gewond, terwijl de honden werden doodgeslagen. Dit laatste nam de hertog zo hoog op, dat hij de graaf de volgende boete oplegde: de gedode honden moesten aan hun achterpoten worden opgehangen, waarna de graaf net zo lang graan over ze uit moest laten storten tot ze helemaal bedekt waren. Het koren was dan de schadevergoeding voor de dode honden. Aan dit vonnis, aan deze boete moest de graaf van Megen zich onderwerpen. Was dat niet een bijzondere manier van boete opleggen?

dinsdag 23 juli 2013

De ware aard van de Meierijse boer

Graan dorsen (bron: boek over oud-Brabants dorpsleven)

Tweeëntwintigste brief, deel 5

De boeren in de Meierij zijn over het algemeen zeer inhalig en geweldig uit op eigen voordeel. Ze zijn ook zeer doortrapt in hun zakendoen, namelijk als ze iets willen kopen of verkopen. In sommige opzichten zijn ze zelfs zeer bedrieglijk, waarvan dit spreekwoord uit de Meierij getuigt: al wie een boer wil bedriegen, moet een boer meenemen. Er valt ook niet veel te roemen over het karakter en de deugdzaamheid van de Meierijsche boeren. Juist daarom vind je hier in deze streek het volgende gezegde, dat ik geheel voor zichzelf zal laten spreken:

Een boer is maar een beest, hij gaat met beesten om;
Al wat geen beest is, is hem niet wellekom.

Je mag hieruit concluderen dat van de Meierijenaars de boeren al van oudsher het slechtste karakter hebben. Men zegt tenminste in deze streek, als men een slecht mens wil aanduiden: “o, het is maar een boer.” Ik denk echter dat men hier een uitzondering moet maken, hoewel het ook zeker is dat men in de Meierij weinig goeds wil horen van een boer. Men zegt ook dat de Meierijsche boeren de grootste plaag voor de boeren waren, toen zij in 1794 voor de Fransen en andere troepen karrediensten moesten verrichten.

Als iets bijzonders voeg ik hier nog aan toe dat men in de Meierij weinig kreupelen, verminkten of gebochelden aantreft. Ik heb er ook weinig schele mensen gezien en ik heb er geen een ontmoet die bijziend was. Dat alles vloeit voort uit natuurlijke oorzaken, veel te lang om dat nu aan je te vertellen. Maar je kunt het gemakkelijk zelf beredeneren. Ik zou daarom overbodige moeite doen je iets te willen schetsen dat jou veel beter dan mij bekend is.

Iets anders dat zeker is: in de steden Den Bosch, Helmond en Eindhoven en in die dorpen, waar veel ambachtslieden wonen, heb ik de meeste mismaakte mensen gezien. Ook daarvan kan men natuurlijke oorzaken vinden.

Hier heb je nu weer een brief, en wel een die geschreven is in de volgorde waarin mij de zaken door de hersens schoten. Accepteer hem zoals hij is en geloof dat ik altijd ben, je onveranderlijke en oprechte
Vriend

donderdag 18 april 2013

De gevaren van spiegels en hondengejank

Kerkhof bij de NH Kerk te Berlicum (bron: RCE/Wikimedia Commons)

Zestiende brief, deel 3

Ik verliet deze plaats en stapte naar Berlicum, een levendig dorp als gevolg van de doortocht van alles wat vanuit het Land van Cuijk, het Land van Ravenstein, het graafschap Megen, een deel van Gelderland, het Land van Kleef en de Meierij naar Den Bosch toe gaat. Een fraaie en frisse kerk, gesierd met een tamelijk hoge en spitse toren, midden in het dorp gelegen, geeft het enige luister.

Het kerkhof wordt omringd door een muur, die van boven afgedekt is met blauwstenen zerken. Nergens in de Meierij heb ik zo’n mooi kerkhof gezien als hier. Er staan ook verschillende kastelen en buitenplaatsen die niet onaardig zijn. Nadat ik te Berlicum alles bekeken had, verlegde ik mijn koers via Hintham weer naar Den Bosch. Ik denk mij hier in deze stad nog enige tijd op te houden om te zien of ik nog iets voor je kan bijeensprokkelen, wat jouw aandacht waard is. Ik verheug me erover dat ik mijn reis al weer zover ten einde heb gebracht. Vooral geniet ik van het blijde vooruitzicht jou over niet al te lange tijd in eigen persoon te kunnen verzekeren van mijn onveranderlijke vriendschap.

Ik wil hier nog wat bijgelovige feiten over de roomse Meierijbewoners bijvoegen:
Toen de Fransen in 1794 in de Meierij kwamen, hadden veel inwoners hun geld en hun waardevolste bezittingen verborgen, de meesten hadden hun spullen in de grond begraven. Dat was voorzichtig en goed. Maar men verkeerde in de dwaze veronderstelling dat als men iets verstopte, men dan ook de spiegels weg moest doen, want de Fransen zouden in de spiegel kunnen zien waar iemand zijn eigendom verstopt had. Men zou zeggen: hoe kom je op zo’n zot denkbeeld; hoe kan het dat iedereen dit zo algemeen geloofde en hoe kon dat zich zo algemeen verspreiden?

Intussen verraadden de Meierijenaars zich vaak zelf, doordat ze voortdurend gingen kijken bij of benauwd keken naar de plaats waar hun goederen verborgen lagen. Dat werd vaak door de Fransen opgemerkt, waarna ze het geld wegnamen. En dan had de onschuldige spiegel het gedaan... Men moet zich toch wel verbazen hoe niet alleen een enkel individu, maar zelfs een heel volk zo onbegrijpelijk bijgelovig en dom kan zijn.

Nog meer voorbeelden: oh! wat is het huilen van de honden in de avond of ’s nachts een akelig geluid voor de roomsen in de Meierij, want het betekent dat er dan binnenkort iemand zal sterven in het huis waarbij een hond zit te huilen. Toen ik de spot dreef met dit bijgeloof, zei men mij het volgende: een hond heeft een zeer scherp reukvermogen, hij ruikt al van te voren de dood van een mens en die geur is onverdraaglijk voor hem, daarom huilt hij. Mooi! Fraai!

donderdag 14 juni 2012

Adieu Meierij!

De Markt te Tilburg, met in het midden de oudste kerk van de stad,
de Heikese of Dionysiuskerk, en met links de ‘Drie Gouden Zwanen’
Aquarel van Jan de Beijer uit 1742

Negentiende brief, deel 10

Als ik mij morgen net zo goed voel als nu, vertrek ik na de middag met de postwagen naar Den Bosch. Die rijdt viermaal per week van Den Bosch naar Breda en weer terug en gaat altijd via Tilburg. Ik durf het namelijk nog niet aan om de route op mijn aangeboren rijtuig af te leggen, omdat ik nog niet helemaal hersteld ben.

Zonder verhindering ben ik dan morgenavond in de genoemde stad en ga ik overmorgen scheep naar jou toe. Den Bosch verveelt mij geweldig, ik blijf er niet langer dan strikt noodzakelijk. En als ik eerder kon vertrekken, dan zou ik nog eerder die stad verlaten, waar zowel domheid, bijgeloof als vervolgzucht heersen.

Ik stuur deze brief meteen weg, zoals hij is. Je zult hem waarschijnlijk snel ontvangen. Hij zal je er niet alleen van verzekeren dat ik weer bijna hersteld ben, maar ook dat ik binnen drie of vier dagen bij je zal zijn - weg, weer en wind dienende en als alles naar mijn vurige wens verloopt.

Je kunt je niet voorstellen hoezeer ik ernaar verlang dit land te verlaten, maar vooral ook om jou weer te zien en je te verzekeren dat mijn reis en mijn lange rondwandeling te midden van een dom, dweepzuchtig, bijgelovig en onverdraagzaam volk niet de minste verandering heeft gebracht in de durende vriendschap van je onveranderlijke

Vriend.

donderdag 14 april 2011

Filosofische gedachten op weg naar Vught


Vierde brief, deel 1

Hooggeachte vriend!

Op dit moment ben ik in Eindhoven. Eergisteren heb ik Den Bosch verlaten zodra de stadspoort openging. De ochtend was meeslepend mooi en ik beloofde mezelf een zeer aangename wandeling, maar ik was nog onzeker naar welk deel van de Meierij ik me het eerst zou begeven. Kom, zei ik tot mezelf, ik zal de zogenaamde Steenweg maar volgen. Die zal me toch wel ergens naar toe brengen.

Mijn gehele last bestond uit een reiszak met wat linnengoed; mijn Ossian; een kleine Adversaria [aantekenboekje], dat ik altijd bij me heb als ik pad ga; een paar zakpistolen ter bescherming; en ook wat geld, dat spreekt vanzelf. Veel kon ik niet meenemen, omdat mijn reis voor het grootste gedeelte te voet zal moeten gaan. Ik beschouwde mezelf als iemand in wie niemand belang zou stellen, maar ook als iemand die nu van niemand afhankelijk was. Ik was trots op mezelf, want ik kon nu bijna met de Griekse wijsgeer Bias zeggen: Omnia mea mecum porto!, omdat ik ook al het noodzakelijke bij me had.

Nauwelijks was ik het Fort Isabel gepasseerd, en dus buiten de verdedigingswerken van de stad, of ik zag vóór mij het dorp Vught liggen en aan mijn rechterzijde de Vughtse hei, zeer bekend in onze vaderlandse geschiedenis vanwege het duel van Gerard Abrahams, bijgenaamd Lekkerbeetje. Vanuit de verte bekeek ik die plek, waar zo’n twee eeuwen geleden Breauté gevangen genomen werd. Daarbij herinnerde ik me het gezegde van onze Martinet, dat bijna elk stukje Brabantse grond (en daar hoort de Meierij ook toe) met mensenbloed is bezoedeld.

Een kille huivering trok door mijn botten, toen ik me voorstelde dat misschien wel iedere stap die ik deed, neerkwam op de reeds lang vergane beenderen van mijn medemensen die in de afgelopen oorlogen rond Den Bosch gesneuveld waren en die ooit, op de jongste dag, wraak zullen afroepen over hen die hen naar de slachtbank hebben geleid.

Met deze gedachten kwam ik aan in Vught. Dit is een levendig dorp, want bijna iedereen die vanuit de Meierij, Maastricht en Luik naar Den Bosch gaat, of de andere kant op, moet door deze plaats reizen. Ik zag hier niets opvallends, afgezien van de ruïne van een toren, die in vroeger tijden een hoogtepunt van bouwkunde moet zijn geweest. Vught heeft ook enkele buitenplaatsen, bijna allemaal langs de Steenweg gelegen, maar geen daarvan kan echt fraai genoemd worden. Het mooiste van al is nog wel Voorburg.

donderdag 7 april 2011

Mijn laatste dag in Den Bosch

Fort Sint Antonie. Foto: Fortified Places

Derde brief, deel 10

Omdat het me veel te vol was op de Pettelaar (het was net de feestdag van een of andere heilige), wandelde ik verder om eens een behoorlijke tijd in de open lucht te kunnen ademen. Na ruim een uur wandelen kwam ik in Sint-Michielsgestel. Dat is een heel mooi dorp, zeer lieflijk aan de Dommel gelegen. Het heeft een mooie kerk en een fraai afstekende toren. Ook vind je hier zeer veel mooie buitenplaatsen. Sint-Michielsgestel heeft een straatweg. Het is er zeer levendig, omdat het zo dichtbij de stad ligt en zeer velen die vanuit de Meierij op weg zijn naar Den Bosch, hun route via dit dorp kiezen.

Dit dorp, dat een heerlijkheid is, behoort toe aan de Keurvorst van de Palts, die er alle ambtenaren aanstelt, de predikantsplaats te vergeven heeft en als ik me niet vergis ook de post van schoolmeester. Tenminste, zo was het altijd.

Buiten de Vughterpoort, op ongeveer één kwartier van de stad, lag ooit het dorpje Reut, tegenwoordig het Fort Isabel. Dit fort is vrij groot en wordt bewoond. Er staat een kleine, hervormde koepelkerk. Voorheen hield een vaste predikant daar iedere zondag de dienst, maar dat is sinds enkele jaren opgehouden. Iets dichter bij de stad, aan je rechterhand als je naar het centrum terugkeert, ligt de Schans St. Antonie. In de verte, aan de linkerzijde, een half uurtje lopen vanaf de Sint Janspoort, zie je het kleine dorpje, of liever de buurtschap Deuteren, dat slechts uit enkele kleine huizen bestaat.

Omdat ik het nu over de Sint Janspoort heb, moet ik je, als in het voorbijgaan, zeggen dat men mij vertelde dat vanouds op deze poort twee Latijnse versregels stonden, waarin men Johannes de Doper om bescherming van haard, altaar en burgers smeekte:

Hanc porsam, civesque tuos, arasque, focosque
Custodi dilecte Deo, Patrone Joannes
[Bescherm, Godbeminde patroon Johannes, deze poort, uw burgers, altaren en haarden!]

Dit was een lange brief voor je. Je ziet dat ik mijn tijd hier niet verbeuzeld heb. Ik zal deze plaats nu snel verlaten, want het begint me hier tegen te staan. Morgen - ik verheug me al op voorhand - morgen ga ik, zodra de poorten opengaan, de stad uit. Zodra ik ergens terecht gekomen ben, waar ik enige dagen denk te blijven, kun je weer een brief van me verwachten. Ik ben onveranderlijk geheel je

Vriend.

dinsdag 5 april 2011

Buiten de stad

Herberg De Pettelaar
Foto: collectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch, inv.nr. 9908

Derde brief, deel 9

Af en toe heb ik ook een wandeling buiten de stad gemaakt. Ik wil je daarom alles vertellen, wat ik op die wandelingen heb geleerd. Buiten de stad liggen vier dorpen: Orthen, Hintham, Den Dungen en Reut. De inwoners daarvan zijn ook Bossche burgers, die dezelfde privileges als de stadsbewoners genieten. Men noemt deze inwoners daarom “buitenburgers”.

Aan de noordzijde van de stad, buiten de Orthenpoort, ligt Orthen, heel vroeger Ortduinen geheten. Ooit was dit een groot dorp, maar tegenwoordig is het nog maar een kleine buurtschap, doordat het in het jaar 1672 geheel is afgebrand. Dit dorp is veel ouder dan Den Bosch, want die stad noemde men in vroeger tijden in het Latijn Civitas de Ortduno, ofwel Nova civitas apud Ortdunum [de (nieuwe) stad bij Orthen]. Tussen dit dorpje en de stad ligt de Orthenschans. De Bosschenaren gaan vaak naar Orthen om een luchtje te scheppen, omdat het maar een kwartier lopen van de stad afligt.

Vanuit Orthen wandelde ik naar Hintham, ten oosten van Den Bosch gelegen. Het omvat maar een paar huizen. Vroeger was hier een pesthuis, maar dat is door de oorlog geheel vernietigd. Buiten de Kleine Hekel, wat verder oostwaarts dan Hintham, ligt Den Dungen, een welvarend en vruchtbaar dorp. De kerk en de kerktoren zijn zeer sierlijk gebouwd en gesticht in 1569. De inwoners van deze plaats brengen dagelijks veel groente, fruit en vruchten van de moestuin naar Den Bosch, meestal op hun rug. De afstand naar Den Bosch is maar een klein uurtje. In Den Dungen worden zeer veel kinderen uit andere dorpen gedoopt, omdat ze dan worden aangemerkt als geboren Bosschenaren en dus alle voorrechten daarvan genieten.

Aan de zuidkant van de stad, buiten de Grote Hekel, lag vroeger een schans, de Pettelaarse Schans geheten. Die is nu echter met de grond gelijk gemaakt. Iets voorbij de plek waar die schans heeft gelegen, staat een herberg, die nog steeds De Pettelaar heet. Daar wandelen op zon- en feestdagen veel Bosschenaren naar toe, maar dan wel die van het laagste allooi, die hier dan op hun manier behoorlijk vrolijk zijn. In de buurt van deze herberg zijn ook aangename wandelwegen, die echter, althans zo leek het mij, weinig gebruikt worden.

donderdag 31 maart 2011

Bossche pronk- en roddelzucht

Foto: collectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch, inv.nr. 23457

Derde brief, deel 8

In ’s-Hertogenbosch heerst zeer veel pracht en de kleding is, in het bijzonder onder het vrouwelijk geslacht en vooral bij de Roomsen, uiterst pronkzuchtig. De zeden zijn hier over het algemeen zeer slecht en geweldig bedorven. De gezelschappen zijn niet geschikt voor iemand die nadenkt, die beter en wijzer wil worden. In het algemeen wordt er over andere mensen geroddeld. Maar ik moet ook toegeven dat je er heus wel gezelschappen kan aantreffen, waar dat niet gebeurt. Die zijn echter zeldzaam en bestaan dan altijd voor het grootste deel uit bejaarden. Onder de protestanten tref je de beste gezelschappen aan.

Op mooie avonden is heel Den Bosch buitenshuis. Men is op straat, iedereen staat dan tot een uur of tien, elf voor zijn deur en babbelt met zijn buren. Dan worden anderen flink over de hekel gehaald, en al wie toevallig langskomt - en dat hoort ook zo, want wat doet zo iemand op straat? - wordt eens stevig onder de loep genomen. In één woord: kwaadsprekerij en bemoeizucht zijn de onafscheidelijke karaktertrekken van de Bosschenaren.

Het spijt mij, vriend, dat ik je zo’n zwart portret van de bewoners van Den Bosch moet schetsen, maar ik mag nu eenmaal de waarheid geen geweld aandoen. Tegelijkertijd staat het eveneens vast dat er ook brave mensen gevonden worden, die men dit alles niet mag of kan verwijten.  In het koffiehuis en andere herbergen wordt altijd, en vooral ’s avonds, gespeeld. Dan zijn de kaarten een alleraangenaamste tijdpassering voor de Bosschenaren. Er moet dan ook, en dat spreekt vanzelf, een glaasje geleegd worden. O wat een rampzalig tijdverdrijf: spelen en drinken! Moet of mag men op zo’n manier de kostbare tijd kapot slaan die nooit meer terugkomt, als hij eenmaal is voorbijgesneld?!

Je zult dus wel begrijpen, hoe vervelend ik het koffiehuis vond, want er wordt geen enkel verstandig gesprek gevoerd. Ik heb nu en dan ook andere herbergen bezocht (ik moest natuurlijk alles onderzoeken). Daar trof ik mensen van een lagere sociale status en minder opvoeding, en dus was het daar logischerwijze nog veel erger. Maar ook hier vormen kaarten en drinken de enige geliefde bezigheid.

dinsdag 29 maart 2011

Roomse eerzucht

Derde brief, deel 7

Onder de Roomsen, die hier veruit in de meerderheid zijn, heerst veel onverdraagzaamheid en wrok. Ofschoon het ook waar is dat er onder hen, vooral onder de voornaamsten, heus enkelen zijn die dit afkeuren. Maar zoveel is zeker, dat velen van dit kerkgenootschap het met schele ogen van afgunst aanzien dat de Hervormden nog steeds de Grote Kerk in bezit hebben. En geen wonder ook! Men taxeert deze kerk wat de waarde van het interieur betreft al op een half miljoen.

Maar dat geld telt eigenlijk nog het minste, want de kerk is een bisschoppelijke en dus sacrale kerk en dat doet er voor een domme Roomse alles toe. Wat zou men er niet voor over hebben om zo’n heilig kerkgebouw maar in bezit te krijgen. Het Opperwezen (althans zo denkt het domme bijgeloof) schept nu eenmaal meer behagen in een gewijde dan in een ongewijde kerk. Of zouden de béélden meer zin hebben in een heilige kerk? Dat moet wel, want God zelf kan overal, en wil ook overal, in geest en waarheid gediend worden. Maar genoeg hierover!

Ik meld je dit alleen, mijn vriend, opdat je zou zien, hoe dwaas en dweepzuchtig bijgeloof denkt en hoe schaamteloos het zijn gedachten naar buiten brengt. Hier schiet mij trouwens iets te binnen, dat ik niet mag en moet vergeten te melden. Luister daarom met allebei je oren aandachtig naar het verhaal, zoals het gebeurd is.

Een zekere juffrouw in deze stad had gedroomd (anderen zeggen dat zij in haar droom een goddelijke openbaring heeft gehad, of dat het haar op bovennatuurlijke wijze gezegd was), dat in de Grote Kerk spoedig weer een bisschop de H. Mis zou lezen, en dat alles wat de godsdienst betreft, hersteld zou worden naar de situatie van voor 1629. Alle “geuzen” zouden de stad dus moeten verlaten. Haar jongste zoon, die op dat moment inderdaad al voor priester studeerde, zou de eerste bisschop zijn. Zij vertelde dit belangrijke en onfeilbare nieuws aan anderen. Het werd met blijdschap aangehoord, met verrukking geloofd en met vreugde doorverteld, want wie kon daarover zwijgen.

Maar wat loopt het raar, zoals de man zei, en hij had een krab aan een touwtje. Ja, wat gebeurde er? Onze aanstaande bisschop, die noch de gave van onthouding, noch die van kuisheid bezat, bezwangerde een meisje. Hij kon dus geen priester, laat staan bisschop meer worden. Integendeel, hij trouwde met het meisje en alle mooie plannen vielen derhalve in duigen.

De Roomsen die zich er al enorm op verheugd hadden, schaamden zich nu geweldig, maar de Hervormden gaf het ruim de gelegenheid tot spot en hartelijk gelach om de nieuwe “bisschop”.