Posts tonen met het label Bladel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Bladel. Alle posts tonen

dinsdag 13 november 2012

Heiligen en hun taakjes en wat Romeinse geschiedenis


Vijfde brief, deel 3

Tijdens mijn verblijf van enige dagen in Hilvarenbeek wandelde ik nu eens hierheen dan weer daarheen en bezocht bij gelegenheid ook een keer Diessen, dat aan de Nemer ligt. Dat dorp valt eigenlijk onder de eerstgenoemde plaats. Er is een grote kerk met een fraaie, spitse toren. De kerk is aan St.-Willibrord gewijd. Iedere kerk in de Meierij is aan een bijzondere heilige gewijd. Maar niet alleen dat, ook moet ieder dorp, elke schutterij, iedere persoon een patroonheilige hebben. Dat is immers goed? Zo hebben de heiligen wat te doen, want iedere sint moet nu behoeden, beschermen en beveiligen wat aan hem is toevertrouwd. Ieder heeft zo zijn werk, anders zou hij maar lanterfanten en dat kan toch niet. Hoe verstandig is dit dus allemaal verzonnen!!

Ook het internet heeft een beschermheilige, Isidorus
Hilvarenbeek vaarwel zeggende, ging ik via Lage Mierde, Hoge Mierde, Hulsel en Reusel, dat vanouds Rosole geheten zou hebben, naar Bladel. Ik koos die omweg om eens een keer die dorpjes te kunnen bekijken, maar ik trof er niets van belang aan.

Ik word slaperig, een sein om de pen neer te leggen en naar bed te gaan. Het wordt tijd ook, want het is bijna middernacht. Daar ligt de pen! Ik ga slapen!

Vervolg

Ik zal je verder niets over Bladel vertellen, behalve dat ik hier nu al een paar dagen ben en van hieruit een flinke uitstap heb gemaakt via Hapert, Hoogeloon, Casteren, Wintelre en Oostelbeers naar Oirschot. Nu iets over deze dorpen.

Hapert ligt aan de Beerze, heeft een kleine kerk en een watermolen op genoemd riviertje. Hoogeloon heeft de nieuwsgierige wandelaar niets bijzonders te bieden en in Casteren zie je een vervallen kerk. Dat is alles, behalve dat de overlevering over deze drie dorpjes het volgende te melden heeft: de eerste Romeinse keizer, Julius Caesar, zou met zijn troepen tot de eerste plaats zijn opgetrokken, toen hij in de Meierij was. Hier ontstond toen een opstand onder de manschappen, zodat het begon te haperen, en men noemde dit dorp Hapert. Om zijn leger tot bedaren te brengen, moest hij hun soldij of loon verhogen. Intussen was hij verder opgerukt tot Hoogeloon, dat daaraan dus zijn naam ontleend zou hebben. Toen alles ten slotte weer bedaard was, sloeg hij zijn kamp op in Casteren, dat dus afgeleid is van het Latijnse woord castra, dat legerplaats betekent. Wat vind je van dit verhaal? Is het niet een stuk leuker dan waarschijnlijk?

dinsdag 21 februari 2012

Het wonderschone Oirschot

Zestiende brief, deel 2

Nadat ik Bladel verlaten had, wandelde ik door enkele kleine en armzalige dorpjes, waar ik niet stil bleef staan, omdat ik er niets opmerkelijks zag. Deze streek is wel de dorste en armste regio van de Meierij, tenminste zo kwam het mij voor. Na door deze plaatsjes gewandeld te zijn (ik zal je de namen ervan besparen, want daar heb je toch niets aan), kwam ik tenslotte aan in Oirschot.

Daar ontrolde zich een geheel ander toneel. Een prachtig dorp, dat zeer uitgestrekt is, overal beplant met allerlei soorten bomen en houtgewas, wat dus zeer mooie wandeldreven opleverde. Het dorp praalt met een van de mooiste kerken van de Meierij en de toren is, ook zonder spits, de hoogste die men in de Meierij kan vinden. De schoonheid van de architectuur doet evenmin voor weinig andere torens onder.

Het kasteel van dit dorp ligt zeer aangenaam bij het riviertje de Beerze. Men treft er een kapel aan, die men tegenwoordig gebruikt om er op marktdagen boter te wegen. De wandelingen die ik hier maakte, bevielen me uitstekend. Ik zou hier graag langer dan een dag of twee zijn gebleven om alles nauwkeurig te bekijken, maar dat kon niet. Deels omdat de tijd die ik aan mijn reis kon besteden langzaamaan aan het verstrijken was; deels omdat mij ook hier de haat, de dweepzucht en de bijgelovige fantasieën die ik hier moest aanzien en aanhoren, enorm irriteerden.

Ik ging daarom, na een dag of twee hier verbleven te hebben, via het dorp Moergestel weer terug naar het aanzienlijke Tilburg.

donderdag 16 februari 2012

Naar Hilvarenbeek en Bladel


Zestiende brief, deel 1

Ik ben, na een paar dagen rondgewandeld te hebben, weer hier in Tilburg aangekomen. Zodra ik mijn herberg binnenkwam, vroeg ik of er een brief voor mij was. De waard gaf me meteen je laatste. Ik was heel blij met de verzekering dat het goed met je ging, en ook met je lieve echtgenote en kinderen. Ik las er ook uit, dat... Maar voor ik jouw brief ga beantwoorden, wil ik je eerst vertellen over mijn verdere reis (al heeft die niets interessants opgeleverd).

Vanuit Tilburg ging ik via Goirle, dat hier gewoonlijk Gool wordt genoemd, naar Hilvarenbeek. Dit dorp is dicht bebouwd en helemaal niet onaardig: de huizen liggen rondom een groot, vierkant plein. Het dorp pronkt met een mooie kerk en een even mooie toren die een klokkenspel heeft. Dit viel me in het bijzonder op, omdat ik mij niet kan herinneren ergens anders een dorp gezien te hebben met een carillon.

In Hilvarenbeek werd de geleerde J. Gropius geboren. Waarschijnlijk ontleent dit dorp zijn naam aan een lustig beekje of riviertje dat erlangs stroomt en dat de Hilver of Hulver genoemd wordt. Van hier wandelde ik over Lage Mierde naar het mooie dorp Bladel, niet ver van de Brabantse grens. Dit dorp zou volgens Martinet het aloude Bladelle zijn dat keizer Karel de Eenvoudige in de tiende eeuw aan Dirk, graaf van Holland, heeft geschonken.

In de Rijmkroniek van Melis Stoke leest men dit:

Ghegeven in ons Heren iaer
Achte hondert en daer naer
Driwerf twintich ende drie mede,
Tote Bladele tere stede,
dat een dorp is ende so heet,
neghen daghe, als ment weet,
voor midde somer sinte Jans dach,
als sine ghebeernesse lach.

De kundige Huydecoper echter wil hier niet het dorp Bladel in de Meierij in zien, maar een zeker Bladoli villa in het land van Beauvais. Mijn vriend, sla zijn aantekeningen op het eerste boek van Stoke er maar eens op na om te zien wie gelijk heeft, want ik zal die kwestie niet kunnen beslissen.