Dertiende brief, deel 4
Een priester werd ’s avonds of in de nacht bij een zieke geroepen. Hij ging ernaartoe om hem het Laatste Oliesel en de gewijde ouwel te geven als viaticum [teerspijze: de (laatste) communie voor degene die in stervensgevaar verkeert]. Degene die de priester had geroepen, had vroeger een geschil van mening met hem gehad, waaraan hij de priester herinnerde onder de toevoeging van deze woorden: als gij ons Heer (de gewijde hostie) niet bij u had gehad, dan zou ik u eens flink afrossen. De priester, ook niet mals, zette de hostie op de grond en antwoordde: kom maar op! daar staat ons Heer en de duvel mag Hem halen als Hij een van ons beiden te hulp komt! Wat zeg je daar nu van, mijn vriend!? Ik wil hier geen opmerking over maken, maar laat dit geval aan jouw eigen gedachten over. Het kan je ruim stof tot overdenking geven.
Van Gemert ging ik via Erp naar Veghel, waar ik nu deze brief zit te schrijven. De inwoners van Erp dragen de bijnaam van “beiren” [schreeuwlelijkerds], maar waarom weet ik niet. Maar dit weet ik wel, namelijk dat ik in Den Bosch, in de zogenaamde Rariteitenkamer, een paar skeletten van booswichten heb gezien, die met kaarten in de hand bij elkaar zaten. Daarachter stond een geraamte met een glas in de hand, net alsof het voor de anderen eens wilde inschenken. Deze opstelling noemde men de “beiren van Erp”, waarschijnlijk vanwege de onbarmhartige wreedheid die zij bij het plegen van hun diefstallen en moorden uitoefenden. Vermoedelijk is daarna deze bijnaam op alle Erpenaars toegepast, omdat de genoemde booswichten in Erp woonden of zich daar het vaakst ophielden. Maar dat is natuurlijk geheel verkeerd en ten onrechte gebeurd.
Ik heb je op dit moment niets meer te schrijven, waaruit vanzelf volgt dat ik deze brief moet beëindigen. Want om je slechts letters zonder feiten, of ze nu van gewicht zijn of niet, te schrijven, dat zou je helemaal niet aanstaan, en het zou mij enorm irriteren.
Ik ben enz.
Posts tonen met het label Gemert. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gemert. Alle posts tonen
donderdag 14 maart 2013
dinsdag 12 maart 2013
Grafschrift
Dertiende brief, deel 3
Als een priester wordt begraven, dan legt men hem met zijn misgewaad aan en een preekmuts op het hoofd in de kist. Men zet een vat met vuur, waarop wierook brandt, naast hem en zo wordt hij in het graf gelegd. Zie! Zo gaat men in de Meierij om met een dode priester.
Na het bekijken van deze graven ging ik langs het kasteel van Beek naar Gemert. Dit kasteel wordt Eikenlust genoemd, en met recht, want je treft daar de mooiste dreven aan met eiken erlangs. Nergens in de hele Meierij vind je er zo veel.
In Gemert is alles nog zoals het vorig jaar was. In de kapel of het kerkje van de hervormden, dat hoe langer hoe meer in verval raakt, las ik het volgende grafschrift, dat vorig jaar aan mijn aandacht was ontsnapt:
In Gemert zag ik uit de verte de juge de paix [vrederechter]. Zoals mij werd verteld, is hij advocaat van beroep, maar begrijpt hij weinig of geen Frans. Desalniettemin moet hij voortdurend met de Fransen omgaan. Dat komt nogal dwaas over, dunkt mij. Waarom dan niet voor de eer bedankt? Maar er zijn nu eenmaal veel mensen die groot willen lijken in de wereld. Een Franse vrederechter die geen Frans kent: o grootse titel!
Ik sprak met iemand (ik weet niet of hij een inwoner van deze plaats was, maar hij leek me protestant), die me vertelde over de vele dwaasheden die hier door roomse geestelijken begaan worden. Volgens zijn verhaal zouden zij zelf weinig of liever nog niets geloven. Zij zouden spotten met de lichtgelovigheid van het dwaze volk, maar tegelijk hielden ze dat volk dom, enkel en alleen om hun eigen beurs te spekken. Hij vertelde me nog de volgende anekdote, die ik je doorgeef zoals ik hem zelf heb gekregen.
Als een priester wordt begraven, dan legt men hem met zijn misgewaad aan en een preekmuts op het hoofd in de kist. Men zet een vat met vuur, waarop wierook brandt, naast hem en zo wordt hij in het graf gelegd. Zie! Zo gaat men in de Meierij om met een dode priester.
Na het bekijken van deze graven ging ik langs het kasteel van Beek naar Gemert. Dit kasteel wordt Eikenlust genoemd, en met recht, want je treft daar de mooiste dreven aan met eiken erlangs. Nergens in de hele Meierij vind je er zo veel.
In Gemert is alles nog zoals het vorig jaar was. In de kapel of het kerkje van de hervormden, dat hoe langer hoe meer in verval raakt, las ik het volgende grafschrift, dat vorig jaar aan mijn aandacht was ontsnapt:
Hier rust der weduwen man,
Der wezen toeverlaat,
Ooit regent van het volk,
Hoop van de burgerij;
De waardige Egeling,
Een zuil van Utrechts staat.
Dat ieder een dankbare traan,
Aan zijn gedachtenis wijde.
Z.
Geboren te Utrecht
Den 28 november 1732
Gestorven alhier de 13e
En begraven den 19 december
Anno 1789
In Gemert zag ik uit de verte de juge de paix [vrederechter]. Zoals mij werd verteld, is hij advocaat van beroep, maar begrijpt hij weinig of geen Frans. Desalniettemin moet hij voortdurend met de Fransen omgaan. Dat komt nogal dwaas over, dunkt mij. Waarom dan niet voor de eer bedankt? Maar er zijn nu eenmaal veel mensen die groot willen lijken in de wereld. Een Franse vrederechter die geen Frans kent: o grootse titel!
Ik sprak met iemand (ik weet niet of hij een inwoner van deze plaats was, maar hij leek me protestant), die me vertelde over de vele dwaasheden die hier door roomse geestelijken begaan worden. Volgens zijn verhaal zouden zij zelf weinig of liever nog niets geloven. Zij zouden spotten met de lichtgelovigheid van het dwaze volk, maar tegelijk hielden ze dat volk dom, enkel en alleen om hun eigen beurs te spekken. Hij vertelde me nog de volgende anekdote, die ik je doorgeef zoals ik hem zelf heb gekregen.
dinsdag 27 december 2011
Afscheid van Gemert
| Het gebouw van de voormalige Latijnse School in Gemert biedt tegenwoordig plaats aan het Gemeentearchief Gemert-Bakel Bron afbeelding: Wikipedia |
Dertiende brief, deel 7
Voor de rest is Gemert geen onaangenaam dorp voor een vreemdeling om er enige tijd te verblijven. Men kan zich er behoorlijk vermaken, omdat men er aangename wandelwegen treft. Men kan er veel kranten lezen en altijd gezelschap vinden, als men tenminste genoegen vindt in luidruchtige en oppervlakkige gesprekken...
Ik ben nog vergeten te melden dat er hier ook een Franse en een Latijnse school is. Op die laatste worden jongelingen die voor priester studeren in het monnikenlatijn onderwezen. Maar tegenwoordig is de school geheel in verval.
Zo, dat is alles wat ik je over dit dorp kan zeggen. Morgenvroeg vertrek ik en ga ik naar... Ja! Dat weet ik zelf nog niet, maar zodra ik ergens kom waar ik een dag ga uitrusten, zul je opnieuw een brief, groot of klein, van me krijgen. Intussen verzeker ik je, dat ik onophoudelijk aan jou en de jouwen denk, en mij daarom met alle recht noem
geheel d
JOUWE.
donderdag 22 december 2011
Bedelen en zuipen
Dertiende brief, deel 6
Onder de inwoners van Gemert zijn veel armen. Men treft er ook zeer veel bedelaars aan, die iedere vreemdeling aanspreken om een aalmoes, onder het prevelen van hun Onzevaders en Weesgegroetjes. Als men hun wat geeft, zeggen ze op deze manier dank: “God loont! Ik zal goed voor u bidden.” Maar zodra men hen de rug heeft toegekeerd, zijn zij hun belofte vergeten. Als men aan de een geeft, steekt een ander ook schielijk zijn hand uit om wat te krijgen.
In dit dorp zijn veel linnenweverijen. De inwoners zijn in het algemeen grote liefhebbers van jenever en bier. ’s Avonds zijn de herbergen altijd vol met volk, dat hier zijn kannetjes leegt. In de Meierij zie je dat overal waar ambachtslieden wonen.
In vroeger tijden waren de roomsen hier veel verdraagzamer tegenover de geuzen dan tegenwoordig. Dat komt doordat ze merken dat de hervormden nu nog net zo vrij leven als vroeger, en dat hadden ze niet gedacht. Bovendien mogen ze nu niets meer buiten hun kerk doen, net zo min als de geuzen overigens, en dat stoort hen, want ze worden niet graag gelijkgesteld aan ketters.
Het is inderdaad opmerkelijk, zoals ik al meer dan eens heb vastgesteld, dat de roomsen het niet kunnen hebben dat iemand vrijheid van godsdienst geniet op dezelfde plek waar zij die zelf hebben. Maar als men hen spreekt, lijken zij tamelijk verdraagzaam, hoewel zij diep in hun hart geheel anders voelen. Een oplettend toehoorder kan dat gemakkelijk uit hun redeneringen opmaken.
Onder de inwoners van Gemert zijn veel armen. Men treft er ook zeer veel bedelaars aan, die iedere vreemdeling aanspreken om een aalmoes, onder het prevelen van hun Onzevaders en Weesgegroetjes. Als men hun wat geeft, zeggen ze op deze manier dank: “God loont! Ik zal goed voor u bidden.” Maar zodra men hen de rug heeft toegekeerd, zijn zij hun belofte vergeten. Als men aan de een geeft, steekt een ander ook schielijk zijn hand uit om wat te krijgen.
In dit dorp zijn veel linnenweverijen. De inwoners zijn in het algemeen grote liefhebbers van jenever en bier. ’s Avonds zijn de herbergen altijd vol met volk, dat hier zijn kannetjes leegt. In de Meierij zie je dat overal waar ambachtslieden wonen.
In vroeger tijden waren de roomsen hier veel verdraagzamer tegenover de geuzen dan tegenwoordig. Dat komt doordat ze merken dat de hervormden nu nog net zo vrij leven als vroeger, en dat hadden ze niet gedacht. Bovendien mogen ze nu niets meer buiten hun kerk doen, net zo min als de geuzen overigens, en dat stoort hen, want ze worden niet graag gelijkgesteld aan ketters.
Het is inderdaad opmerkelijk, zoals ik al meer dan eens heb vastgesteld, dat de roomsen het niet kunnen hebben dat iemand vrijheid van godsdienst geniet op dezelfde plek waar zij die zelf hebben. Maar als men hen spreekt, lijken zij tamelijk verdraagzaam, hoewel zij diep in hun hart geheel anders voelen. Een oplettend toehoorder kan dat gemakkelijk uit hun redeneringen opmaken.
dinsdag 20 december 2011
Een voorbeeld van verdraagzaamheid!
Dertiende brief, deel 5
Ook hier heeft het hatelijke bijgeloof zijn ware aard laten zien. Want de roomsen hebben alle ramen van deze kapel ingegooid en ze maken een vreselijk kabaal tijdens de erediensten van de hervormden (deze vinden stipt iedere zondag plaats). Zo onverdraagzaam als de roomsen zijn, zo tolerant zijn de hervormden. Laat ik je hiervan een staaltje melden, dat het waard is aan de vergetelheid te worden ontrukt.
Een doopsgezinde koopman uit Amsterdam verbleef hier vanwege een ongesteldheid voor het herstel van zijn gezondheid. Hij woonde altijd toegewijd de diensten van de hervormden bij. Toen het Avondmaal gehouden werd, werd ook hij door een naburig, waarnemend predikant (Gemert heeft op het moment geen eigen leraar) aan de tafel uitgenodigd en ontving hij als broeder en medechristen het brood en de wijn.
Wat vind je hiervan? Verdient deze daad niet vereeuwigd te worden, mijn vriend, net zoals de handelwijze van de hervormden en doopsgezinden in Holwerd, Friesland, vereeuwigd is door ons in een artikel “Bijdragen tot de geschiedenis der verdraagzaamheid in ons Vaderland”, verschenen in de Algemeene Vaderlandsche Letteroefeningen van 1794!
De hervormden in de Meierij zijn enorm verdraagzaam tegenover andere protestanten, die zij beschouwen als broeders, die het ondanks de verschillen in details eens zijn over het allerbelangrijkste, namelijk het dienen van God in geest en waarheid.
Ook hier heeft het hatelijke bijgeloof zijn ware aard laten zien. Want de roomsen hebben alle ramen van deze kapel ingegooid en ze maken een vreselijk kabaal tijdens de erediensten van de hervormden (deze vinden stipt iedere zondag plaats). Zo onverdraagzaam als de roomsen zijn, zo tolerant zijn de hervormden. Laat ik je hiervan een staaltje melden, dat het waard is aan de vergetelheid te worden ontrukt.
Een doopsgezinde koopman uit Amsterdam verbleef hier vanwege een ongesteldheid voor het herstel van zijn gezondheid. Hij woonde altijd toegewijd de diensten van de hervormden bij. Toen het Avondmaal gehouden werd, werd ook hij door een naburig, waarnemend predikant (Gemert heeft op het moment geen eigen leraar) aan de tafel uitgenodigd en ontving hij als broeder en medechristen het brood en de wijn.
Wat vind je hiervan? Verdient deze daad niet vereeuwigd te worden, mijn vriend, net zoals de handelwijze van de hervormden en doopsgezinden in Holwerd, Friesland, vereeuwigd is door ons in een artikel “Bijdragen tot de geschiedenis der verdraagzaamheid in ons Vaderland”, verschenen in de Algemeene Vaderlandsche Letteroefeningen van 1794!
De hervormden in de Meierij zijn enorm verdraagzaam tegenover andere protestanten, die zij beschouwen als broeders, die het ondanks de verschillen in details eens zijn over het allerbelangrijkste, namelijk het dienen van God in geest en waarheid.
donderdag 15 december 2011
Waarom processies verboden moeten worden
![]() |
| Kasteel Gemert (bron: ICC Kasteel Gemert) |
Dertiende brief, deel 4
Wat is dat toch een combinatie van dingen! Bijgeloof, devotie, religie, dansen, zuipen en zo maar door. De man die het kruis sleept, moet dit voorrecht nog wel van de priester kopen, al is het een zware klus. Maar dat is ook geen wonder, want het levert bijzondere eer op, heiligheid en vergeving van zonden.
Als je nadenkt over deze bijgelovige plechtigheden, mag je wel met de heidense dichter Persius uitroepen:
O curva in terras animae, et coelestium inanes!
wat ik ergens heel mooi vertaald vond als:
Verblinde zielen! die laag naar de aarde kromt
en ledig zijt van ’t goed, dat uit de hemel komt!
en ledig zijt van ’t goed, dat uit de hemel komt!
Tegenwoordig vinden deze schandelijke processies niet meer plaats, omdat zij door de Fransen zijn verboden. Maar in stilte komen hier nog veel Meierijenaars heen op bedevaart. Dat moest naar mijn idee verhinderd worden, want hierdoor verdwijnt er veel geld over de grens, wordt er veel tijd verspild en worden het domme bijgeloof en haat erdoor aangewakkerd.
Gemert is een behoorlijk groot en mooi dorp, maar een paar jaar geleden heeft het zwaar geleden onder een hevige brand. Nog niet alle huizen zijn al weer opgebouwd. Midden in het dorp ligt een zeer mooi kasteel, werkelijk een prachtig gebouw. De Grote Kerk behoort aan de roomsen toe en de hervormden, die maar met weinig zielen zijn, bezitten slechts een klein kerkje, de kapel genoemd, dat vroeger een klooster is geweest.
dinsdag 13 december 2011
Een echte kruissleper
Dertiende brief, deel 3
Dat ging zo vanaf Handel tot aan de kerk in Gemert. Hij stelde de persoon van Jezus voor. Een paar anderen, gewapend met snaphanen en sabels, waren de soldaten. Ze hadden hem aan een touw om zijn middel vastgebonden en trokken hem daarmee over straat, sloegen met hun sabel op het houten kruis, wat een dof en akelig geluid gaf, omdat het kruis hol is, en schreeuwden voortdurend: voort! voort!.
Op enkele plaatsen viel de man op de grond alsof hij bezweken was en vanuit een naburig huis kwam men dan aanzetten met wat drank om onzen Heer (zo zei men dat) te laven. Als hij neerviel, knielden duizenden mensen voor hem.
Achter de kruissleper kwam de priester in zijn misgewaad met de ciborie of gewijde ouwel. Hij liep onder een baldakijn, dat door vier personen werd gedragen. Daarachter volgden andere geestelijken, ook in hun staatsiekleding.
Nooit heb ik met meer afgrijzen een processie bekeken dan hier in Gemert, al was het er op zo’n moment zeer levendig en vrolijk. Want tijdens een bedevaart wordt van alles gekocht en verkocht. Het lijkt net een kermis. De huizen zijn allemaal versierd met groene takken, de herbergen zitten propvol met volk, men danst en springt er lustig rond, men zuipt bij het leven en men doet er allerlei slechte dingen.
Dat ging zo vanaf Handel tot aan de kerk in Gemert. Hij stelde de persoon van Jezus voor. Een paar anderen, gewapend met snaphanen en sabels, waren de soldaten. Ze hadden hem aan een touw om zijn middel vastgebonden en trokken hem daarmee over straat, sloegen met hun sabel op het houten kruis, wat een dof en akelig geluid gaf, omdat het kruis hol is, en schreeuwden voortdurend: voort! voort!.
Op enkele plaatsen viel de man op de grond alsof hij bezweken was en vanuit een naburig huis kwam men dan aanzetten met wat drank om onzen Heer (zo zei men dat) te laven. Als hij neerviel, knielden duizenden mensen voor hem.
Achter de kruissleper kwam de priester in zijn misgewaad met de ciborie of gewijde ouwel. Hij liep onder een baldakijn, dat door vier personen werd gedragen. Daarachter volgden andere geestelijken, ook in hun staatsiekleding.
Nooit heb ik met meer afgrijzen een processie bekeken dan hier in Gemert, al was het er op zo’n moment zeer levendig en vrolijk. Want tijdens een bedevaart wordt van alles gekocht en verkocht. Het lijkt net een kermis. De huizen zijn allemaal versierd met groene takken, de herbergen zitten propvol met volk, men danst en springt er lustig rond, men zuipt bij het leven en men doet er allerlei slechte dingen.
dinsdag 29 november 2011
De Lieve Vrouw van Handel
| Processiebruidjes anno 2010 (bron: Eindhovens Dagblad) |
Dertiende brief, deel 2
Op sommige dagen vonden er bedevaarten hierheen plaats, of eigenlijk naar de Lieve Vrouw van Handel (een buurtschap van Gemert; het Mariabeeld hier is net zo beroemd als dat van Kevelaar of Scherpenheuvel). Vanuit alle dorpen in de Meierij, het Land van Ravenstein, Opper-Gelderland, het Land van Kleef en zo voort, stroomden dan enkele duizenden mensen hier naar toe. Toen ik een paar jaar geleden een deel van de Meierij en ook Gemert bezocht, heb ik er zelfs een bedevaart van Rotterdammers en nog andere Hollanders getroffen.
Men hield dan plechtige ommegangen of processies, al waren die godslasterlijk en akelig om te zien. Kijk maar, mijn vriend, hoe dat er toeging. Voorop liep een man met een kruis in zijn hand, die enkele woorden riep, die ik niet verstond, waarschijnlijk om de komst van de processie aan te kondigen. De klokken werden geluid en iedereen die binnen in huis was, begaf zich op straat. Dan volgde de hele stoet, bestaande uit een grote massa mannen, vrouwen en kinderen, die allemaal zongen of baden ter ere van Maria.
Enkele meisjes droegen een mand met bloemen en strooiden die over straat voor de processie uit. Hierop volgde een man, gehuld in een purperen mantel en met een doornenkroon op, wiens gezicht, handen en benen (hij liep op blote voeten) met rode verf bestreken waren als ware het bloed. Hij droeg een groot, rood houten kruis op zijn schouder en sleepte dat voort met de houding van iemand die zwaar gebukt gaat en voortdurend dreigt te bezwijken onder de last.
donderdag 24 november 2011
Wie is de baas in Gemert?
![]() |
| Gemert, zoals getekend in Jacob Kuijpers Gemeente Atlas, 1865-1870 |
Dertiende brief, deel 1
Waarde vriend!
Vandaag iets over Gemert, hoewel dit dorp strikt genomen niet tot de Meierij behoort. Gemert is eigenlijk een vrije Rijksheerlijkheid, waar vroeger (tegenwoordig is het in handen van de Fransen) een Landcommandeur van de Duitse Orde het oppergezag voerde.
In 1662 hebben de Staten-Generaal het dorp verkocht voor 40.000 gulden, onder de voorwaarde dat de Landcommandeur zou zorgen voor een kerk voor de hervormden en dat hij een predikant en een schoolmeester zou aanstellen, die overigens wel door de Staten-Generaal zou moeten worden goedgekeurd. De hervormden zouden volledige vrijheid van godsdienst moeten genieten, er mochten geen kloosters zijn en de inwoners zouden het recht van appel in Den Bosch hebben. Je mag concluderen dat Gemert dan wel niet tot de Meierij behoort, maar dat de Staten-Generaal er evenveel te zeggen hebben.
Door deze overeenkomst hadden zowel roomsen als hervormden hier de volle vrijheid om ieder hun religie vrij en onbelemmerd naar eigen goeddunken uit te oefenen. Nergens werd de roomse godsdienst met meer pracht en bijgelovigheid gepraktiseerd dan hier, maar tegenwoordig is dat vanwege de Fransen geheel veranderd. In het openbaar mag er geen enkele religieuze uiting meer worden verricht of een plechtigheid die daarmee in verband staat.
Laat ik je nu eens schetsen hoe het hier met de roomse godsdienst toeging. Overal zag men langs de straten beelden van zogenaamde heiligen of kruisen staan. De priesters wandelden hier voortdurend in hun miskleren over straat als ze naar de kerk of op ziekenbezoek gingen, met het Venerabile in de hand, terwijl iedereen daarvoor op de knieën ging.
dinsdag 4 oktober 2011
Een laatste pintje in Helmond
Elfde brief, deel 1
Allerbeste vriend!
Het is al een hele tijd geleden dat je mijn laatste brief hebt gekregen, dus je begrijpt wel dat ik niet meer in Helmond ben. Waar ik dan wel ben, is nog een raadsel voor je, maar ik ben op dit moment in Gemert. Ik heb verschillende dorpen bezocht, maar ik ga je daar geen beschrijving van geven, omdat dat niet veel leuks voor je zou opleveren. Ik zal alleen je aandacht vragen voor zaken waarvan ik denk dat ze die ook echt waard zijn.
Ik heb Gemert uitgekozen om er een paar dagen te blijven. Ik voel me hier veel geruster, veel veiliger dan midden in de Meierij, aangezien de Fransen, die op dit moment deze plaats bezetten, iedere neiging tot fanatieke vervolging in toom houden. Ik heb van alles wat mij sinds mijn laatste brief is overkomen korte notities gemaakt, dus ik heb me voorgenomen je alles in deze en volgende brieven te vertellen. En als het mij hier gaat vervelen, wandel ik weer verder.
De avond voor mijn vertrek ging ik nog een keer om een pintje naar het stadhuis van Helmond, maar ik maakte er niets mee waar ik je attent op zou moeten maken. Ik verveelde me al snel bij een onbeduidend gezelschap, dat niets anders deed dan zouteloze gesprekken voeren, roken, drinken en kaartspelen, en ik ging er al gauw vandoor. Toevallig raakte ik diezelfde avond nog in het gezelschap van een roomse burgeres, juffrouw of mevrouw (weet ik veel wie ze was). Ze liet haar afkeurenswaardige vervolgzucht heel duidelijk blijken toen ze zei: “dat men de geuzen zou moeten dwingen om katholiek te worden.” “Nee,” zei een ander, “dat hoeft niet, want ze moeten op den duur vanzelf wel bij ons in de Kerk komen.”
De eerste spreekster nam de draad weer op: “Dat is zo! Ze raken nu al hun kerkgebouwen kwijt, hun verdomde predikanten krijgen na anderhalf jaar geen tractement meer, en dan gaan alle geuzen vast en zeker weg. Dat zal dan plezierig zijn, om niet meer onder dat vee gebukt te moeten gaan!”
Allerbeste vriend!
Het is al een hele tijd geleden dat je mijn laatste brief hebt gekregen, dus je begrijpt wel dat ik niet meer in Helmond ben. Waar ik dan wel ben, is nog een raadsel voor je, maar ik ben op dit moment in Gemert. Ik heb verschillende dorpen bezocht, maar ik ga je daar geen beschrijving van geven, omdat dat niet veel leuks voor je zou opleveren. Ik zal alleen je aandacht vragen voor zaken waarvan ik denk dat ze die ook echt waard zijn.
Ik heb Gemert uitgekozen om er een paar dagen te blijven. Ik voel me hier veel geruster, veel veiliger dan midden in de Meierij, aangezien de Fransen, die op dit moment deze plaats bezetten, iedere neiging tot fanatieke vervolging in toom houden. Ik heb van alles wat mij sinds mijn laatste brief is overkomen korte notities gemaakt, dus ik heb me voorgenomen je alles in deze en volgende brieven te vertellen. En als het mij hier gaat vervelen, wandel ik weer verder.
De avond voor mijn vertrek ging ik nog een keer om een pintje naar het stadhuis van Helmond, maar ik maakte er niets mee waar ik je attent op zou moeten maken. Ik verveelde me al snel bij een onbeduidend gezelschap, dat niets anders deed dan zouteloze gesprekken voeren, roken, drinken en kaartspelen, en ik ging er al gauw vandoor. Toevallig raakte ik diezelfde avond nog in het gezelschap van een roomse burgeres, juffrouw of mevrouw (weet ik veel wie ze was). Ze liet haar afkeurenswaardige vervolgzucht heel duidelijk blijken toen ze zei: “dat men de geuzen zou moeten dwingen om katholiek te worden.” “Nee,” zei een ander, “dat hoeft niet, want ze moeten op den duur vanzelf wel bij ons in de Kerk komen.”
De eerste spreekster nam de draad weer op: “Dat is zo! Ze raken nu al hun kerkgebouwen kwijt, hun verdomde predikanten krijgen na anderhalf jaar geen tractement meer, en dan gaan alle geuzen vast en zeker weg. Dat zal dan plezierig zijn, om niet meer onder dat vee gebukt te moeten gaan!”
Abonneren op:
Posts (Atom)

