Posts tonen met het label Gedachten over de Meierij. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Gedachten over de Meierij. Alle posts tonen

donderdag 28 november 2013

Gedachten over bijgelovigheid

Een liedjeszanger verkoopt zijn
liederen, vol 'bijgelovige leugens'
Bijgelovigheid is als men zaken, hoe dwaas ook, zonder enig onderzoek en zonder grondige redenen, als waarheid aanneemt. De roomse Meierijenaar handelt zonder ook maar iets te onderzoeken, zonder enig onderscheidingsvermogen, belachelijk en volstrekt eenzijdig.

Zonder enig onderscheidingsvermogen, omdat hij alles ontkent wat tegen zijn eigen bijgelovige religie indruist, met name wanneer het door een protestant als waarheid omhelsd wordt, en zo’n protestant een bedrieger en een ongelovige noemt. Belachelijk, omdat hij anderen voor ongelovigen en ketters uitmaakt, terwijl hij zelf behept is met de domste variant van ongelovigheid. Eénzijdig, omdat hij halsstarrig vasthoudt aan zijn eigen vooroordelen, hoe ongerijmd die ook zijn, en tegelijkertijd wil dat een protestant die vooroordelen zonder meer zal overnemen, terwijl de roomse zelf al helemaal niets kritisch onderzoekt.

Een roomse mens in de Meierij is niet alleen ongelovig, zoals ik heb aangetoond, hij is ook nog eens de bijgelovigheid zelf. Het is bijna overbodig dit nog eens te beredeneren. Waar het roomse bijgeloof heerst, daar heerst ook de lichtgelovigheid. Die ontstaat altijd uit domheid en gebrek aan oordeelsvermogen, wanneer men dus niet in staat is het valse van het ware te onderscheiden. Of uit vooroordelen, die door de opvoeding steeds weer worden gevoed en versterkt.

Zolang ongelovigheid, bijgelovigheid en lichtgelovigheid de middelen zijn en blijven om tijdelijke voordelen op te leveren voor de priesters, om over het geweten van de massa te kunnen heersen, om er eigen grootheid op te funderen, om door valse “wonderen” voor heilig gehouden te worden, zolang zal de ware godsdienst van Jezus daar veracht worden; zolang zullen beschaving en verlichting daar uit de landstreek geweerd worden. Oh! Mijn ongelukkig vaderland, waar bij-, on- en lichtgelovigheid zo diep wortel hebben geschoten!

donderdag 21 november 2013

Gedachten over het roomse bijgeloof

Het kind uit de kool, bijgeloof rond de kraam
(zie dit eerdere bericht over bijgeloof)

Duizenden mensen liggen bedolven in de stikdonkere nacht van het domste, ja niet alleen het domste, maar zelfs van het kwaadaardigste en meest vervolgzuchtige bijgeloof. En als het roomse bijgeloof in deze al vaker genoemde landstreek nu alleen gebaseerd was op domme onkunde; ja, als het domme volk alles geloofde, hoe dwaas ook, dan zou men het nog kunnen dulden. Men zou het van harte beklagen, vol medelijden. Maar aangezien uit deze bijgelovige domheid een onmenselijke vervolgingszucht voortkomt, moet de hervormde hier de roomsen vrezen.

Men moet immers beven bij de gedachte dat de roomsen, als zij de overhand zouden krijgen (en daartoe doet men sinds een paar jaar ernstige pogingen, en men is er nog steeds mee bezig), er het grootste genoegen in zouden stellen om alle protestanten en joden uit de hele Meierij te verdrijven. Meer nog, zij zouden zich met het grootste genoegen baden in het bloed der hervormden. Een jood zou meer barmhartigheid ondervinden (als de roomse Meierijenaar er een zou kennen) dan de onschuldige hervormde!

Het bijgeloof zoals dat zich op dit moment in de Meierij manifesteert, is werkelijk een schandvlek voor onze natie en ons vaderland. En zij die de boel opjutten (als dat niet zou gebeuren, zou het misschien allemaal wel langzaam verdwijnen) vormen een maatschappelijke pest, die geheel uitgebannen zou moeten worden.

Uit dit bijgeloof komt op natuurlijke wijze dweperij voort en dat gaat bij de Meierijenaar heel erg ver. Angst voor geesten, spoken en allerlei ongerijmde dwaasheden, en vooral de angst voor het Vagevuur, is een gebrek dat hier overal heerst en waarvan geen enkele roomse in de Meierij vrij van is. Het laatste valt nog enigszins te billijken, omdat het nu eenmaal een van de voornaamste onderdelen van de leer van de roomse kerk is. Maar het eerste komt enkel en alleen voort uit domme onkunde, die ook niet wordt tegengegaan, omdat het in het voordeel is van de priesters.

Door zijn bijgelovige, dwepende angst probeert de roomse Meierijenaar van alles te bedenken ter geruststelling van zijn hart: vasten, bedevaarten, missen, kortom alles wat hij voor Goede Werken houdt, hoezeer die ook tegen het gezonde verstand ingaan. Want: het zuiveren van de ziel, of het verbeteren van het hart, dat kent men niet. En daarom kan men ook niets anders doen dan de genoemde bijgelovige middelen gebruiken om zich te bevrijden van die benauwende, bijgelovige, dweepachtige angsten.

Men is in de Meierij ontzettend beducht voor de ware Verlichting, en vooral de priesters zijn dat. Alles waarvan men denkt dat het ook maar enige aanleiding kan geven tot rationeel denken, wordt verboden. Eenieder wie de zuivere godsdienst ter harte gaat, moet zich hier wel met een betrokken hart afvragen: “wanneer zal ooit de ware Verlichting tot de Meierij doordringen? Wanneer zal daar het dweepzieke bijgeloof ten onder gaan?”

donderdag 14 november 2013

Gedachten over de godsdienst

Mariaverering in Scherpenheuvel
(gezien tijdens een wandelreis naar Santiago)

De meeste christenen in ons vaderland beschouwen andere christenen als hun broeders, ook al verschillen ze in de manier waarop ze het Opperwezen vereren. Slechts één kerkgenootschap wijkt daarvan af. Ik bedoel de roomsen, of zoals ze het zelf liever noemen, de katholieken. Zij verdoemen, vervloeken, verketteren, onderdrukken en vervolgen alle anderen buiten hun eigen kerkgenootschap waar ze maar kunnen.

Dit vind in deze tijd vooral plaats in het gedeelte van ons vaderland dat eenieder kent als de Meierij van ’s-Hertogenbosch. Men mag de godsdienst van de roomse Meierijenaars met het volste recht de meest liefdeloze en vervolgzuchtige van alle kerken noemen. Een jood, een heiden, zelfs een Turk is menslievender en verdraagzamer op het stuk van de religie dan de roomse Meierijenaar.

Buiten hun geloofsgenoten zien zij absoluut niemand anders als hun naaste. Ze voelen geen liefde voor anderen, integendeel, zij haten hen met een dodelijke haat, volgens de jezuïtische denkbeelden die bij hen zijn ingeplant. Ik heb me afgevraagd hoe dat toch zo gekomen is, en ik kan maar één ding bedenken.

De geest van het vervolgzieke jezuïetisme wordt de priesters al op de Leuvense Academie ingeprent. In de kloosters is het nog veel erger. En juist deze mensen, vol haat en vervolgzucht jegens andersdenkenden, zijn de religieuze opvoeders van de jeugd. Zij kennen de liefdevolle godsdienst van Jezus Christus niet en zijn daarom ook niet in staat om die aan de kinderen te onderwijzen.

Bij de roomsen is alles uiterlijk vertoon van pracht en praal. Bij hen moet alles het oog verblinden, maar niets het hart raken. Bij hen delen Maria en andere heiligen meer in de eredienst dan het Opperwezen zelf. Het komt er bij de roomse Meierijenaar niet op aan hoe zijn verhouding is met God, als hij maar een goede verstandhouding heeft met de Bijzonder Goede Vrienden van God in de Hemel.

De Meierijenaar vereert niet alleen de heiligen, maar bewijst zelfs religieuze eer aan de beelden zelf waarmee een of andere heilige wordt voorgesteld. Meer dan eens heb ik Meierijenaars met volle eerbied geknield voor een beeld zien bidden. Dat zij het beeld zelf dienen, blijkt zonneklaar hieruit, dat zij verre bedevaarten maken. Het ene of het andere beeld verschilt blijkbaar zoveel in macht en het verrichten van wonderen, dat dat de moeite waard is. Hoe ouder een beeld, hoe heiliger, en dus des te meer waard om te aanbidden. Hoe mooier het is opgesierd, hoe meer eerbied het wekt in de Meierijenaar en des te vuriger hij zo’n beeld moet aanbidden.

Ach, als ik dit alles overdenk, dan is de ware religie bij dat kerkgenootschap, en vooral in dit land, niet te vinden. Akelige gedachte!

donderdag 7 november 2013

Gedachten over sociale vaardigheden (3)


Tenslotte wil ik het nog hebben over de sociale vaardigheid van dankbaarheid. De Meierijenaars kennen die nauwelijks. Als een roomse hier een weldaad ontvangt, van wie ook, dan zal hij zijn weldoener wel met woorden bedanken, hij zal zelfs plechtig beloven om bij gelegenheid iets terug te doen en het nooit meer te vergeten, maar nauwelijks heeft men hem de rug toegekeerd of de weldaad is uit het geheugen vervlogen, alsof hij nooit was bewezen en er wordt nooit meer aan gedacht.

Hoe kan het ook anders onder mensen die geen gevoel hebben voor het goede en deugdzame, omdat hun opvoeding in dat opzicht schandelijk is verwaarloosd!

Wat mij heel vaak heeft verwonderd, is dat de roomse Meierijenaar zelfs schaamteloos genoeg is, om zich bij zijn voormalige weldoener te melden als hij weer eens hulp nodig heeft, terwijl hij ondanks al zijn mooie beloften nooit meer aan die weldoener heeft gedacht of hem ook maar enige dankbaarheid heeft betoond.

Maar nooit is de ondankbaarheid groter dan wanneer een roomse een weldaad heeft ontvangen van een hervormde. Een ketter hoef je nooit goed met goed te vergelden. Ik zou dit met verschillende voorbeelden kunnen illustreren, maar ik wil hier verder maar stilzwijgend aan voorbij gaan, al zijn er uitzonderingen. Soms is er namelijk onder de roomse Meierijenaars wel een enkele dankbare ziel te vinden, zoals uit dit voorbeeld blijkt.

In 1794 werd een predikant in de Meierij door enige Fransen geplunderd en van zijn goed beroofd, zodat hij geld noch levensmiddelen meer had. Veel roomsen zagen dit met genoegen aan, met uitzondering van een timmerman, ook rooms, die zijn handen vol had om voor vrouw en kinderen de kost te verdienen en die eens door de predikant in netelige omstandigheden geholpen was. Toen de timmerman van de omstandigheden van de predikant hoorde, ging hij naar hem toe en bood hem al het geld aan dat hij bezat. Hij had het al in zijn hand en wilde het de hervormde leraar met alle geweld opdringen. Maar deze, door dankbaarheid getroffen, wilde het niet aannemen, omdat hij heel goed wist dat de man het geld harder nodig had dan hijzelf.

Dat is het enige voorbeeld dat ik ken van een roomse die dankbaar is jegens een hervormde.

donderdag 31 oktober 2013

Gedachten over sociale vaardigheden (2)

Deze foto van een neomist illustreert prachtig de macht van priesters
Bron: Brabant Bekijken

Voor vriendschap, de edelste der menselijke hartstochten, staat de Meierijenaar niet open. Zolang hij nog kind is, lijkt hij een zekere genegenheid, of zoals je het ook zou kunnen noemen, vriendschap, voor zijn speelmakkertjes te koesteren. Maar bij het klimmen van de jaren verflauwt deze gemoedsaandoening en sterft uiteindelijk geheel af, helaas!

Ik zie daarvoor twee oorzaken: 1. de opvoeding, die, zoals we al gezien hebben, er niet op is gericht om edele gevoelens op te wekken en 2. de dagelijkse beslommeringen die hen geheel in beslag nemen. Ze hebben zoveel met hun eigen zaken om handen, dat ze aan niets anders kunnen denken en zich nergens anders om bekommeren. Het kan hun niet schelen hoe het anderen vergaat, als zij hun eigen zaakjes maar op orde kunnen houden en hun eigen situatie verbeteren.

Op de waarheid, waarmee ik bedoel een waarachtige oprechtheid in onze woorden, zit men in de Meierij niet te wachten. Dit wordt alleen maar veroorzaakt door de overtuiging onder de roomsen, vooral in deze streek, dat een “leugentje om bestwil”, zoals men dat noemt, altijd en in alle omstandigheden geoorloofd is. En ook dat men geen geloof hoeft te schenken aan wat een ketter zegt.

Daar komt bij dat men de priesters de macht toeschrijft om alle zonden, ja zelfs een valse eed, te vergeven. Je hoeft dan ook niet bang te zijn om een valse eed af te leggen of een onwaarheid, hoe erg ook, te spreken. Als het al slecht is, dan hoef je maar te wachten op vergeving door de priester, tegen een kleine boetedoening of een beetje geld. Wat maakt het dan nog uit? Want na de vergeving van de zonden (absolutie) is men weer zo goed, zuiver, rein en heilig als van te voren.

In de Meierij kom je verder weinig naastenliefde tegen. Je zou juist denken dat de Meierijenaar een schitterend voorbeeld van pure naastenliefde zou zijn, als je hoort met hoeveel ophef een roomse hier over Goede Werken spreekt. Maar als je dat denkt, kom je bedrogen uit. Het eigenbelang overschaduwt hier de menslievendheid. Men wil wel Goede Werken verrichten, maar dat moet niet met te veel moeite gepaard gaan, en men moet er op kunnen rekenen dat men er altijd enig voordeel van heeft.

Goede Werken moeten ook niet te veel kosten, met uitzondering als het voor een priester is, dan geldt: hoe meer het kost, hoe beter. Een bedelaar wordt vaak met een “God helpe u!” afgescheept, hoe groot zijn nood ook is. Bij de protestanten heerst meer naastenliefde. Nog nooit heb ik daar een bedelaar zien wegsturen zonder aalmoes, al was die ook nog zo klein.

donderdag 24 oktober 2013

Gedachten over sociale vaardigheden (1)

Wim Daniëls neemt ook de Brabander
onder de loep, ook zijn groetgedrag


In onze omgang met elkaar leren we spreken, leren we onze rede te gebruiken, verbeteren we al onze zielsvermogens, nemen we kennis van kunsten en wetenschappen en leren we deugden. Zo kunnen we groeien en op onze beurt al die dingen weer doorgeven aan anderen. Maar om dat te bereiken, moet de omgang met andere mensen gul, oprecht, vriendelijk, leerzaam en onderhoudend zijn.

In de Meierij vind je van dat alles niets terug, want men komt zelden bij elkaar, behalve op zondag en tijdens de lange winteravonden, en dan bestaat de hele omgang, zoals ik al eerder zei, uit het elkaar vertellen van allerlei zotte bijgelovigheden. De omgang met elkaar is alleen in zoverre als gul en oprecht te verstaan dat men onbeschaafd is en ronduit zegt wat men denkt. Het leerzame en onderhoudende ontbreekt, want daar zijn ze als gevolg van hun opvoeding niet toe in staat.

Beleefdheid en hulpvaardigheid zijn twee sociale vaardigheden, waar de Meierijenaar prat op mag gaan. Als men elkaar ontmoet, als men een huis binnengaat of juist verlaat, zal men altijd op vriendelijke wijze goede dag, morgen of avond wensen. De hoed afnemen doen ze dan weer heel zelden, of het moet zijn voor iemand, die ze als iets meer dan een ander beschouwen.

Ze zijn zeer hulpvaardig, zelfs zonder eigenbelang. Hierin beschamen ze menig landgenoot uit andere streken. Moet een Meierijenaar ergens voor je naar toe, om iets te doen of te bezorgen, dan kun je er veilig van op aan dat hij dat ook doen zal, zonder er iets voor te vragen. Hij zal je bij terugkomst met plezier vertellen over wat hij heeft gedaan. Het is beloning genoeg voor hem, als je hem prijst of laat zien dat je tevreden bent met zijn verrichtingen. Geef je hem dan ook nog een pijp tabak, een kop koffie, een borrel of een glas bier, dan is hij niet alleen dubbel tevreden en beloond, maar zal hij je zelfs nog bedanken ook.

Ze zullen een vreemdeling die de weg niet weet of verdwaald is, op alle mogelijke manieren weer op weg helpen. Ze zien er zelfs geen been in om een stuk mee op te lopen, als de weg moeilijk te vinden is of als er veel zijwegen zijn. Het is een prijzenswaardige karaktertrek van de meeste Meierijenaars.

Van de andere kant moet ook worden gezegd dat de boeren die in de buurt van ’s-Hertogenbosch wonen veel minder beleefd en hulpvaardig zijn. Dat schijnt door twee dingen te komen: 1. ze zien zichzelf door de voortdurende omgang met stedelingen als onontbeerlijke wezens, waar men dus niet zonder kan en 2. ze nemen de gewoonten van de stedelingen enigszins over. Immers, in het algemeen kun je zeggen dat men op het platteland meer hulpvaardigheid vindt dan in de steden.

donderdag 17 oktober 2013

Gedachten over de levenswijze (2)

Klederdracht in de Meierij (bron)
De kleding van de mannen en vrouwen in de Meierij is niet mooi, hoewel de mode (als ik het zo eens mag noemen) van dorp tot dorp verschilt. Vroeger was alles eenvoudig, tegenwoordig echter neemt de pracht en praal, helaas!, hand over hand sterk toe. Dat gaat ten koste van velen. Het verlangen om mooiere kleding te dragen dan anderen is ook in mijn vaderland een ernstige kwaal.

Men kleedt zich duurder dan men zich kan veroorloven en dit komt (zoals bijna overal) vooral onder de jongelui voor. Dat is echter heel erg schadelijk en men kan het bewijs daarvoor heel goed opmaken uit het volgende: voordat men getrouwd is, kleedt men zich zo kostbaar als men kan. Vooral bij de ondertrouw probeert men zich prachtig uit te dossen. Men rekent niet uit of men het beetje geld dat men heeft niet beter aan iets anders zou kunnen besteden. O nee! Maar eenmaal getrouwd komt men - te laat - tot de ontdekking hoe dwaas het is geweest om al wat je bezit aan ijdelheid op te offeren. Al snel is men genoodzaakt om alle goud, zilver en soms zelfs kleren te verkopen, wil men nog te eten hebben.

Leerzame gesprekken kent men niet. Men is niet voorbereid op het lezen van een nuttig boek, vooral niet als er bij nagedacht moet worden. Als men al iets leest, dan is het Tijl Uilenspiegel; Valentijn en Ourson; De Vier Heemskinderen; Doctor Faustus; de Destructie van Jerusalem; Jan Mandeville; de Troost der zielen in het vagevuur en meer van dergelijke zotte prullen (waarin men echter heilig gelooft).

Als men zondags bijeen komt, dan weet men over niets anders te praten dan over de dagelijkse bezigheden. Dat verveelt natuurlijk snel en dan neemt men zijn toevlucht tot het kaartspel, waar al teveel mensen aan verslingerd zijn.

Tot slot: de Meierijenaar munt bepaald niet uit in de schone kunsten en wetenschappen. Geleerdheid vind je niet onder de roomsen in mijn landstreek. Herinner je maar wat ik al eerder over ongeloof en opvoeding heb geschreven, en het zal niemand verbazen dat men er hier in deze streek niet alleen niet in uitmunt, maar zelfs niet eens middelmatig is op dit gebied. Kunst en ambacht worden altijd volgens de oude tradities beoefend, men streeft nooit naar verbetering. Ouders en voorouders hebben altijd op dezelfde manier gewerkt en hun brood ermee kunnen verdienen, waarom zouden hun kinderen dan niet op dezelfde manier doorgaan?

Misschien zal hier wel nooit enige verandering in komen.

donderdag 10 oktober 2013

Gedachten over de levenswijze (1)

Hellup! Het bier is op! Bron: Brabant Bekijken

Over de levenswijze van mijn landgenoten valt weinig of niets positiefs te melden. Ik zal hun manier van leven kort schetsen en zowel het lovens- als afkeurenswaardige in hun gedrag naar waarheid beschrijven.

De Meierijenaars leven in het algemeen zeer sober en matig. Ze eten simpele, maar meestal voedzame spijzen. Daardoor zijn ze door de bank genomen gezond en sterk en gehard tegen de vele ongemakken, vooral ook omdat ze gewend zijn aan veel en hard werken. Aan nietsdoen komen ze niet toe, omdat ze wel moeten werken, willen ze te eten hebben. Je vindt weinig overdaad onder hen en dat kan ook haast niet, want ze hebben te weinig bezittingen en kunnen niet genoeg verdienen om hun levensdagen in luiheid en ledigheid door te brengen.

Maar om eerlijk te zijn, voltrekt er zich wel een grote verandering in de levenswijze van de Meierijenaars op het gebied van de luxe, omdat er tegenwoordig oneindig veel meer geld nutteloos verspild en verteerd wordt dan vroeger. Men gaat langzamerhand steeds een stapje verder en zaken die men een paar jaar geleden nog helemaal niet of slechts bij naam kende, zijn tegenwoordig niet alleen bekend en gewoon geworden, maar zelfs “onmisbaar”. Je treft ook steeds meer mensen aan die de dwaze gedachte koesteren dat iets alleen maar goed kan zijn, als het veel geld kost.

In het algemeen tref je er weinig zuiplappen, hoewel dat ook van plaats tot plaats verschilt. Maar wat absoluut afkeurenswaardig is, is dat men op zon- en heiligendagen op grote schaal misbruik maakt van bier en sterke drank. Op dat soort dagen heeft men volstrekt niets te doen. Men kent geen fatsoenlijke en aangenaam onschuldige ontspanning. Daarom zit er niets anders op dan dat men zich na de H. Mis naar kroegen en herbergen begeeft om daar met een glas bier of jenever de tijd te doden, of zich te vermaken met kaarten. Door de week zal men zeer zelden een dronkaard over straat zien waggelen, maar zondags des te vaker.

Slordigheid en morsigheid zijn de twee voornaamste gebreken in bijna alle huishoudens. Wanneer er een kermis op komst is, dan zijn alle vrouwtjes druk bezig hun huis aan kant te maken. Op zon- en feestdagen brengt men het woonvertrek een beetje op orde, voor de rest bekommert men zich niet om zindelijkheid. Misschien is dat wel noodgedwongen, want de Meierijse vrouwen, vooral de boerinnen, hebben hun handen al vol aan de dagelijkse werkzaamheden. En uiteindelijk is men zo gewend aan slordigheid en is alles altijd zo smoezelig, dat men er ook geen oog meer voor heeft.

donderdag 3 oktober 2013

Gedachten over de opvoeding

De zorg van ouders om hun kinderen voor kwaad te behoeden (bron: DBNL)

De opvoeding wordt in de Meierij zeer verwaarloosd. Het hart van de jeugd wordt er niet beschaafd, men zaait er geen gevoel voor het goede, schone of deugdzame in. Al wat de roomse Meierijenaar zijn kinderen laat leren is een beetje lezen en schrijven, en een ambacht. Van de honderd kinderen is er met moeite één te vinden die écht kan lezen en schrijven. Dat komt doordat men, zodra men denkt enig voordeel van een kind te kunnen krijgen, het voor werken bestemt. Men brengt zijn kroost geen liefde voor het goede, schone en edelmoedige bij, want men kent die liefde zelf niet eens.

De Meierijenaars brengen hun kinderen geen liefde, achting en eerbied voor hun ouders bij, een grove fout in de opvoeding. Ouders geven al net zo weinig om hun kinderen als kinderen om hun ouders. En dat is ook logisch, als je je herinnert wat ik verteld heb over de onverschilligheid tussen huwelijkspartners. Hoe sterker de liefde tussen echtelieden, hoe vuriger hun genegenheid voor hun nakomelingen. Maar als kinderen zien dat er een kille onverschilligheid heerst tussen hun ouders, dan volgen zij dit voorbeeld en leven onverschillig tegenover de mensen voor wie ze eigenlijk de zuiverste liefde en hoogste achting zouden moeten voelen.

Het enige waar de roomse Meierijenaar zich erg om bekommert, is het doorgeven van bijgeloof op alle mogelijke manieren (en echt, hij is ook bijna tot niets anders in staat). Vertel de gemiddelde Meijerij-bewoner over de mooiste, edelmoedigste en menslievendste trekken van werkelijk grote mannen, en het zal hen nauwelijks raken: ze blijven koud en ongevoelig. Maar vertel ze daarentegen over het leven van een gefantaseerde heilige, hoe dwaas of onwaarschijnlijk ook, en je vindt niet alleen aandachtige luisteraars, maar je verhaal wordt zelfs niet eens in twijfel getrokken.

Vermeng je verhaal met de ijselijkste en meest onwaarschijnlijke spookverhalen: ja dan, en dan alleen, heb je pas echt de goede toon getroffen! Men zal niet moe worden om het aan te horen, men zal alles gretig geloven, en vooral zal men het proberen in zijn geheugen te prenten om het ook aan anderen te kunnen doorvertellen. Als je met je verhaal ophoudt, dan zal men je zo vriendelijk mogelijk vragen, niet aflatend aandringend, om meer van dergelijke verhalen te vertellen. Hoe wonderlijker, hoe onwaarschijnlijker, hoe afgrijselijker het verhaal, hoe meer geloof eraan wordt gehecht. Dat komt natuurlijk voort uit domme onkunde, want hoe dommer een mens is, hoe gretiger hij wil horen over het wonderlijke, en hoe meer hij geneigd is het allemaal als de zuivere waarheid te omhelzen.

Geen wonder dat er zo weinig gezond mensenverstand in die streken wordt gevonden.

donderdag 26 september 2013

Gedachten over het huwelijk

Huwelijk te Erp in 1925 (collectie BHIC, fotonr. BCE2084)

De beste toestand waarin men terecht kan komen op deze wereld is in een gelukkig huwelijk. Maar als men de Meierijse huwelijken eens goed bekijkt, dan zal men in die streken (uitgezonderd bij de protestanten) bijna nooit een goede, volmaakte en gelukkige echtverbintenis vinden. Waarom is een huwelijk in de Meierij zelden of nooit gelukkig, zo heb ik mijzelf vaak afgevraagd. Na alles te hebben overwogen, kon ik geen ander antwoord op deze vraag vinden dan het volgende.

Een huwelijksband wordt in mijn vaderland zelden of nooit aangegaan op basis van deugdzaamheid en rechtschapenheid, of op basis van overeenstemming in karakter. Men ziet een meisje, wordt op het eerste gezicht verliefd (of denkt dat te worden) en onderzoekt dan vervolgens niet of dat meisje ook wel verstand heeft en een deugdzaam hart, of hoe haar karakter is. O nee! Men vraagt zich altijd af of deze vrouw, met wie men wil gaan trouwen, wel enig geld heeft, waarmee men een beginnetje kan maken. Kan zij werken? Weet ze hoe ze de zaken moet aanpakken? Als de man die vragen voor zichzelf voldoende beantwoord heeft, probeert hij het meisje over te halen met hem te trouwen. Het meisje van haar kant doet hetzelfde en dan wordt het huwelijk snel gesloten, zonder verder nader onderzoek.

Als, eenmaal getrouwd, de eerste driften zijn bevredigd, ontstaat er al spoedig een onverschilligheid tussen man en vrouw (dat kan ook haast niet anders als het op deze manier gaat). Men leert elkaar wat beter kennen, de harten blijken niet gelijkgestemd, men leeft hoe langer hoe meer langs elkaar heen; er wordt geen vriendelijk woord meer gewisseld. Men spreekt onderling bijna altijd op een grauwende, gebiedende toon, en er gaat zelden een dag voorbij of er wordt geruzied. De man gaat ’s morgens vroeg aan de arbeid en verlaat totaal onverschillig zijn vrouw. ’s Middags komt hij weer naar huis en na de maaltijd, waarbij meestal geen woord wordt gesproken, gaat hij weer weg zonder enige belangstelling te tonen voor zijn vrouw, die haar werk in huis te doen heeft en vaak als een slavin moet zwoegen.

Het avondmaal wordt op dezelfde manier als het middagmaal gehouden en daarna begeeft men zich, nog steeds geheel onverschillig, samen te ruste. Geen onderhoudende conversatie (de Meierijenaar is daartoe niet in staat) veraangenaamt de sobere maaltijd. Geen kus uit oprechte liefde wordt ter verwelkoming bij thuiskomst gewisseld. O nee! Men vindt het in de Meierij zelfs schandalig, als een man uit zuivere huwelijksliefde een hartelijke kus op de lippen van zijn echtgenote zou drukken. Ongeëvenaarde onverschilligheid binnen het huwelijk is een karaktertrek van de Meierijenaars. Ik heb dit nog maar zwakjes geschetst, maar niemand zal zich erover verwonderen, dat er zoveel slechte en onbevredigende huwelijken zijn in de Meierij.