Posts tonen met het label Geldrop. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Geldrop. Alle posts tonen

dinsdag 3 september 2013

Sinterklaas, Vastenavond en het feest van Sint Jan

Ganstrekken vanaf een kar
(bron: Historie van het ganstrekken en aanverwante volkstradities)

Vierentwintigste brief, deel 6

In alle dorpen wordt het feest van Sint Nicolaas gevierd. In sommige daarvan rijdt er dan iemand op een paard rond, soms zelfs twee mensen op één paard. Zij zijn heel erg raar uitgedost, soms zelfs afschuwelijk, en strooien met allerlei klein gebak naar de kinderen die hen massaal volgen, van hoop en vrees vervuld, omdat ze denken dat dit de ware St.-Nicolaas is. Dit ritueel voert men vooral in Eindhoven en in Oss uit. In Geldrop kent men St.-Nicolaas niet, maar daar vieren de kinderen een vergelijkbaar feest halverwege de veertigdaagse vastentijd. Ze noemen hem “de heer van Halfvasten”.

In sommige dorpen lopen de schoolkinderen rond met ratels en stokken, maken een vreselijk kabaal en vragen aan iedere deur paaseieren of geld. De opbrengst wordt later door de schoolmeester onder hen verdeeld. Dat gebeurt gewoonlijk een paar dagen voor Pasen.

Op Vastenavond “rijdt” men in vele dorpen “de gans”: een levende gans, waarvan de hals met zeep is ingesmeerd, wordt aan zijn poten opgehangen aan een touw, dat zo hoog gespannen is, dat er een man te paard onderdoor kan rijden. Terwijl men er - meestentijds halfdronken - onderdoor rijdt, probeert men de kop van de gans af te trekken. Wie daarin slaagt, krijgt de gans.

Het is een teken van grote wreedheid, want hoe harder de arme gans schreeuwt en hoe langer het dier gemarteld wordt, hoe groter de vreugde en het genoegen van de toeschouwers. Men smeert de nek in met zeep, want dan kan men de kop niet goed vastpakken, zodat het ongelukkige dier des te langer moet lijden.

In sommige dorpen is het de gewoonte om op het feest van Sint Johannes de Doper, op 24 juni, bloemen boven de deuren en vensters van de huizen te hangen. Men zegt dat dat gebeurt, omdat Sint Jan een bloemenliefhebber was. Anderen geven als reden voor dit gebruik het volgende. Johannes kwam eens in een stad waarvan de inwoners hem wilden doden. Omdat het avond was, ging hij een huis binnen. De stedelingen versierden dat huis met bloemen, om toch maar niet te vergeten waar hij naar binnen was gegaan, zodat ze hem de volgende dag konden vermoorden. Maar toen ze die volgende dag ontwaakten en hun boze plan wilden gaan uitvoeren, waren alle andere huizen als door een wonder op precies dezelfde manier met bloemen versierd, zodat men niet meer wist in welk huis Johannes zich bevond en hij dus aan het dreigende gevaar kon ontsnappen. Om dit tastbare wonder te vereeuwigen, blijft dit gebruik in zwang.

donderdag 1 augustus 2013

Nog wat kleine feitjes

Drieëntwintigste brief, deel 3

Ik voeg hier in het voorbijgaan nog aan toe dat dit kasteel veel geleden heeft van de verwoestingen die de beruchte Maarten van Rossem heeft aangericht. De Geldorpenaars kunnen hun verfoeilijke godsdiensthaat niet verbergen, aangezien zij dit jaar nog de eredienst van de hervormden hebben geprobeerd te verstoren en nog regelmatig stenen door de ramen gooien als er gepreekt wordt.

Dit zijn de dingen waarover ik vorig jaar fouten gemaakt heb als gevolg van de verkeerde inlichtingen die men mij verstrekte. Nu nog over wat anders. De geograaf G. Mercator* stelt dat de Meierijenaars af zouden stammen van de oude Aduatucers, over wie Julius Caesar het dikwijls heeft in zijn geschriften. Anderen houden de Aduatucers voor de toenmalige bewoners van het graafschap Namen of Namur. Deze laatste mening lijkt mij veruit het waarschijnlijkst.

Godfried III (bron: Wikimedia Commons)
De stad ’s-Hertogenbosch zou in het jaar 1184 zijn gesticht door hertog Godfried III, bijgenaamd “in de wieg”**. Hij was de vader van hertog Hendrik I en overleed in het jaar 1187. Er bestaat ook een zeer slecht tijddicht in het Latijn met de volgende inhoud:

GODEFRIDVS DVX E SILVA FECIT OPPIDVM

Het lijkt aan te willen geven dat Godfried III, hertog van Brabant, in 1184 deze stad heeft gesticht.

*) Atlantis, p. 204.
**) J. van Oudenhoven, Beschrijving van de stadt ’s Hertogenbosch, p. 2 en 7; J.L. Godfried, Historische Chronijk, 1e deel, p. 1142; F.M. Janiçon, De Republiek der Veréénigde Nederlanden, deel 3, p. 120; Histoire Generale des Pais Bas, deel 1, p. 240 (Uitgeg. Brussel 1743); J.F. Martinet, Historie der Waereld, 8e deel, p. 45 en zijn Veréénigd Nederland, p. 45.

dinsdag 30 juli 2013

Bisschoppen van Den Bosch

Grafmonument bisschop Masius

Drieëntwintigste brief, deel 2

Gisbertus Masius is niet de laatste bisschop van Den Bosch geweest, zoals mij abusievelijk bericht was en ik jou dus ook op mijn vorige reis verkeerd heb geschreven. Masius was de vierde bisschop van deze stad. De eerste bisschop, Franciscus Sonnius, werd hier in 1562 aangesteld. Masius stierf in het jaar 1614. Onder het beeld op zijn tombe kan men het volgende grafschrift lezen in het Latijn:

Omnia mors aequat
Hic iacet
Quem bommelia mundo protulit
Ducis-sylva infula excepit
Mors virtutibus canisque auctum intercepit
Quid hic triumphas germana somni
Ille tibi reddidit quod debuit
Et quod non debuit
In patriam transtulit

G. Masius was een geleerd man, maar ook bitter paaps en vervolgziek. Hij hield een redevoering over de noodzaak van het lezen van de H. Schrift. Deze redevoering is een stuk dat zeer zeldzaam is, maar meer dan de moeite waard om te lezen. Het is in 1630 vertaald en in druk uitgegeven. Zijn onverdraagzaamheid blijkt uit het volgende voorbeeld. Een oude vrouw van tachtig, die achttien jaar lang hervormd lidmaat was geweest, werd ziek. Masius hoorde daarvan, ging naar haar toe en wilde haar de gewijde hostie toedienen. Zij weigerde dat en stierf. Daarop liet hij het lijk van haar bed rukken, de drempel opgraven, haar daaronderdoor naar de markt slepen en ten slotte in een kuil onder de galg smijten. Mag je dit verwachten van een bisschop die het lezen van de Bijbel aangeprezen heeft?

Al het andere dat ik je over deze bisschop heb verteld, is waar, behalve wat ik vermeld heb over het kasteel van Geldrop. Ik zei dat hij zich daar na de overgang van Den Bosch in 1629 heimelijk zou hebben opgehouden, maar dat is dus van toepassing op de zésde bisschop van die stad, M. van Ophoven, die in die tijd leefde.

Toen deze stad naar de kant van de Staten der Verenigde Nederlanden overging, moesten alle mannelijke geestelijken de stad binnen twee maanden verlaten hebben. Dat was gebaseerd op het tweede artikel van het verdrag dat gesloten was tussen prins Frederik Hendrik aan de ene kant en de geestelijkheid, de magistraat en de burgerij van de stad ’s-Hertogenbosch aan de andere kant. Dat artikel luidde als volgt: “dat alle geestelijke en religieuze manspersonen uit de stad zullen vertrekken binnen de tijd van twee maanden, op voorwaarde dat zij zich in de tussentijd houden aan de plakkaten van het Rijk, en dat zij mee mogen nemen hun meubelen, beelden, schilderijen en andere kerkelijke ornamenten.”

Als het dus waar is dat zich op het kasteel van Geldrop in stilte een bisschop heeft opgehouden, dan gaat dat naar alle waarschijnlijkheid om M. van Ophoven.

dinsdag 19 juli 2011

Kasteel en kerk van Geldrop

Kasteel Geldrop
Kasteel Geldrop (foto: Flickr/manfred.d)

Achtste brief, deel 4

Tenslotte kwam ik in Geldrop aan. Dit dorp is in vergelijking met de andere dorpen in de Meierij tamelijk harmonisch, maar wel met veel erg eenvoudige huizen bebouwd. Het voornaamste middel van bestaan is het maken van wollen lakens, die er zeer goed geweven en vaak als Leidse lakens verkocht worden. Geldrop zou een welvarend dorp zijn, als de inwoners beter orde op zaken hadden gesteld. Maar de koffie en de jenever (mannen en vrouwen gebruiken deze dranken zonder onderscheid in behoorlijk grote hoeveelheden) verslinden hier ontzettend veel tijd en geld.

Het kasteel in deze plaats is niet mooi, maar het schijnt wel heel oud te zijn. Er bevindt zich daar een klein kamertje, waar de laatste bisschop van Den Bosch, Masius, zijn geheime schuilplaats had, nadat Frederik Hendrik die stad had ingenomen. Masius had hier ook een soort kapel, waar hij dagelijks de mis in opdroeg. Dit is dezelfde Masius die zich staande tussen Jezus en Maria heeft laten portretteren, met het bijschrift: “in medio positus, que me vertam nescio” [staande in het midden weet ik niet tot wie ik mij moet wenden]. Iemand anders, die beter nadacht, heeft eronder geschreven: “Zot! Keer u tot God!”.

Grafmonument bisschop Masius
In het koor van de Grote Kerk te ’s-Hertogenbosch vindt men een levensgrote afbeelding van deze bijgelovige twijfelaar, terwijl hij gekleed in zijn bisschoppelijk gewaad voor een altaar knielt.

Bij het kasteel, daarvan afgescheiden door een gracht, staat nog een zware, vierkante toren. Die toren is in vroeger tijden versterkt geweest, want men kan erbovenop nog de plek zien waar de kanonnen ooit stonden. De kerk met zijn toren is een groot gebouw. In de vorige eeuw is deze toren ingestort. Hij was toen zeer hoog en stak ver boven de kerk uit (zoals tegenwoordig nog steeds). Hij viel precies op de kerk, waar juist de priester een mis aan het opdragen was. Meer dan vijfhonderd mensen werden hierdoor zodanig verpletterd, dat men de lijken niet meer afzonderlijk kon herkennen en ze dus maar met manden het graf heeft ingedragen.