Veertiende brief, deel 1
Beste vriend!
Over Veghel zal ik je nu niets anders zeggen, dan dat men aldaar ook hevig aan het stoken is om de hervormde kerk in eigendom en bezit van de roomsen te krijgen. Nadat ik dit dorp had verlaten, wandelde ik naar Dinther. Onderweg trof ik een priester die met mij dezelfde route volgde, om, zoals hij mij vervolgens zei, via Dinther naar Den Bosch te gaan. Onder het lopen las hij in zijn Breviarium of getijdenboek. Nadat we elkaar gegroet hadden, stak hij dat in zijn zak.
Ik verheugde me erop, dat ik nu eens met een priester zou kunnen spreken. We hadden het eerst, zoals dat gewoonlijk gaat, over het mooie weer en de lange dagen. Ten slotte werd onze conversatie van meer gewicht en ons gesprek kwam nu op de kerkgebouwen.
Priester: ik kan noch zal het ooit goedkeuren dat de onzen de hervormden hun kerk ontnemen. We hebben overal heel goede kerkgebouwen, beter zelfs dan die van de andere gezindten.
Ik: dat laatste is zo. Maar zouden er niet priesters achter zitten die het volk ophitsen om de grote kerken te willen overnemen? Mij schijnt het tenminste toe, dat ze veel zouden kunnen doen om hun parochianen op dit punt te kalmeren.
Priester: in veel dorpen hebben de priesters minder te zeggen dan u denkt. Het is waar dat er een paar zijn die zich hier sterk mee hebben bemoeid, zoals bijvoorbeeld in Deurne, Best, Woensel en Tongelre. Maar veruit de meesten veroordelen het gedrag van onze geloofsgenoten krachtig, al kunnen ze niet alles afdwingen. We hebben sinds een aantal jaren niet meer zoveel invloed op onze parochies als u wel denkt.
Ik: dat laatste mag dan heel goed waar zijn, maar ik geloof (en men zegt het ook), dat vele priesters heimelijk het volk opruien, omdat ze het graag zo zouden zien, maar zichzelf verder om bepaalde redenen op de achtergrond houden.
Priester: ik spreek dat niet tegen als het om een enkeling gaat, maar het gaat niet op voor iedereen. Ik kan u op mijn priesterlijke woord verzekeren dat er velen met mij zijn die geen bijzondere heiligheid in een grote kerk zien. Ik hou mij aan het gezegde in de H. Schrift, in het evangelie van Johannes, dat God overal gediend kan worden, in de geest en in waardigheid.
Posts tonen met het label Veghel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Veghel. Alle posts tonen
dinsdag 19 maart 2013
Een interessant gesprek
Meer lezen:
Best,
Brief 14 (reis 2),
Brieven (reis 2),
Deurne,
Dinther,
Reis 2,
Tongelre,
Veghel,
Woensel
donderdag 14 maart 2013
Vechten rond het sterfbed en Erpse beren
Dertiende brief, deel 4
Een priester werd ’s avonds of in de nacht bij een zieke geroepen. Hij ging ernaartoe om hem het Laatste Oliesel en de gewijde ouwel te geven als viaticum [teerspijze: de (laatste) communie voor degene die in stervensgevaar verkeert]. Degene die de priester had geroepen, had vroeger een geschil van mening met hem gehad, waaraan hij de priester herinnerde onder de toevoeging van deze woorden: als gij ons Heer (de gewijde hostie) niet bij u had gehad, dan zou ik u eens flink afrossen. De priester, ook niet mals, zette de hostie op de grond en antwoordde: kom maar op! daar staat ons Heer en de duvel mag Hem halen als Hij een van ons beiden te hulp komt! Wat zeg je daar nu van, mijn vriend!? Ik wil hier geen opmerking over maken, maar laat dit geval aan jouw eigen gedachten over. Het kan je ruim stof tot overdenking geven.
Van Gemert ging ik via Erp naar Veghel, waar ik nu deze brief zit te schrijven. De inwoners van Erp dragen de bijnaam van “beiren” [schreeuwlelijkerds], maar waarom weet ik niet. Maar dit weet ik wel, namelijk dat ik in Den Bosch, in de zogenaamde Rariteitenkamer, een paar skeletten van booswichten heb gezien, die met kaarten in de hand bij elkaar zaten. Daarachter stond een geraamte met een glas in de hand, net alsof het voor de anderen eens wilde inschenken. Deze opstelling noemde men de “beiren van Erp”, waarschijnlijk vanwege de onbarmhartige wreedheid die zij bij het plegen van hun diefstallen en moorden uitoefenden. Vermoedelijk is daarna deze bijnaam op alle Erpenaars toegepast, omdat de genoemde booswichten in Erp woonden of zich daar het vaakst ophielden. Maar dat is natuurlijk geheel verkeerd en ten onrechte gebeurd.
Ik heb je op dit moment niets meer te schrijven, waaruit vanzelf volgt dat ik deze brief moet beƫindigen. Want om je slechts letters zonder feiten, of ze nu van gewicht zijn of niet, te schrijven, dat zou je helemaal niet aanstaan, en het zou mij enorm irriteren.
Ik ben enz.
Een priester werd ’s avonds of in de nacht bij een zieke geroepen. Hij ging ernaartoe om hem het Laatste Oliesel en de gewijde ouwel te geven als viaticum [teerspijze: de (laatste) communie voor degene die in stervensgevaar verkeert]. Degene die de priester had geroepen, had vroeger een geschil van mening met hem gehad, waaraan hij de priester herinnerde onder de toevoeging van deze woorden: als gij ons Heer (de gewijde hostie) niet bij u had gehad, dan zou ik u eens flink afrossen. De priester, ook niet mals, zette de hostie op de grond en antwoordde: kom maar op! daar staat ons Heer en de duvel mag Hem halen als Hij een van ons beiden te hulp komt! Wat zeg je daar nu van, mijn vriend!? Ik wil hier geen opmerking over maken, maar laat dit geval aan jouw eigen gedachten over. Het kan je ruim stof tot overdenking geven.
Van Gemert ging ik via Erp naar Veghel, waar ik nu deze brief zit te schrijven. De inwoners van Erp dragen de bijnaam van “beiren” [schreeuwlelijkerds], maar waarom weet ik niet. Maar dit weet ik wel, namelijk dat ik in Den Bosch, in de zogenaamde Rariteitenkamer, een paar skeletten van booswichten heb gezien, die met kaarten in de hand bij elkaar zaten. Daarachter stond een geraamte met een glas in de hand, net alsof het voor de anderen eens wilde inschenken. Deze opstelling noemde men de “beiren van Erp”, waarschijnlijk vanwege de onbarmhartige wreedheid die zij bij het plegen van hun diefstallen en moorden uitoefenden. Vermoedelijk is daarna deze bijnaam op alle Erpenaars toegepast, omdat de genoemde booswichten in Erp woonden of zich daar het vaakst ophielden. Maar dat is natuurlijk geheel verkeerd en ten onrechte gebeurd.
Ik heb je op dit moment niets meer te schrijven, waaruit vanzelf volgt dat ik deze brief moet beƫindigen. Want om je slechts letters zonder feiten, of ze nu van gewicht zijn of niet, te schrijven, dat zou je helemaal niet aanstaan, en het zou mij enorm irriteren.
Ik ben enz.
donderdag 5 januari 2012
Beroemd, maar niet in Veghel
Veertiende brief, deel 2
In Veghel is de beroemde ingenieur C.J. Kraijenhoff geboren. Deze deskundige man is zeer bekend geworden door de aanleg en voltooiing van het Canal Imperial in Spanje. Zoals men weet is dat een mooie vaart. In Spanje had niemand genoeg kennis om zo’n kanaal te graven, om te waterpassen en om schutsluizen en dergelijke te bouwen. Die eer komt slechts iemand uit ons vaderland toe. Ik informeerde in Veghel naar deze man, maar tot mijn verontwaardiging wist niemand wie hij was geweest of dat hij hier was geboren.
De Meierij is nu eenmaal het land niet om kundigheid en verstand in ere te houden. Als de man rooms was geweest en hij had iets bijgedragen aan het bijgeloof of hij had de dweepzucht opgehitst, dan zou zijn naam zeker niet in vergetelheid zijn geraakt. Maar al zijn Veghel en de Meierij zo’n groot man onwaardig, de geschiedenisboeken hebben zijn naam al vereeuwigd en zeker in Spanje zal hij, zolang het Canal Imperial er is, herinnerd worden.
Na de middag ging ik naar Schijndel, waar ik pas tegen de avond aankwam, omdat ik van de goede weg was afgedwaald. Ik was erg moe en had dus geen zin om iets te gaan bezichtigen. Ik ging vroeg naar bed met het voornemen om vandaag alles eens goed te bekijken, zoals ik ook gedaan heb.
In Veghel is de beroemde ingenieur C.J. Kraijenhoff geboren. Deze deskundige man is zeer bekend geworden door de aanleg en voltooiing van het Canal Imperial in Spanje. Zoals men weet is dat een mooie vaart. In Spanje had niemand genoeg kennis om zo’n kanaal te graven, om te waterpassen en om schutsluizen en dergelijke te bouwen. Die eer komt slechts iemand uit ons vaderland toe. Ik informeerde in Veghel naar deze man, maar tot mijn verontwaardiging wist niemand wie hij was geweest of dat hij hier was geboren.
De Meierij is nu eenmaal het land niet om kundigheid en verstand in ere te houden. Als de man rooms was geweest en hij had iets bijgedragen aan het bijgeloof of hij had de dweepzucht opgehitst, dan zou zijn naam zeker niet in vergetelheid zijn geraakt. Maar al zijn Veghel en de Meierij zo’n groot man onwaardig, de geschiedenisboeken hebben zijn naam al vereeuwigd en zeker in Spanje zal hij, zolang het Canal Imperial er is, herinnerd worden.
Na de middag ging ik naar Schijndel, waar ik pas tegen de avond aankwam, omdat ik van de goede weg was afgedwaald. Ik was erg moe en had dus geen zin om iets te gaan bezichtigen. Ik ging vroeg naar bed met het voornemen om vandaag alles eens goed te bekijken, zoals ik ook gedaan heb.
dinsdag 3 januari 2012
Ontbijt in Erp
![]() |
| De Aa met daarlangs het Kerkhofs of Friedesen bosje (collectie BHIC, nr. BCE2379) |
Veertiende brief, deel 1
Hooggewaardeerde S.....!
Nauwelijks had de zon gisterochtend de oostelijke horizon verlaten, of ik zei vaarwel tegen Gemert. De weg die ik geheel in mijn eentje, terwijl zich allerlei gedachten bij vormden, bewandelde, was eenzaam. Ik kwam geen levend schepsel tegen. De weg verveelde me stierlijk, temeer omdat ik niet wist waar ik terecht zou komen. Ik had immers geen plan gemaakt om naar deze of gene plaats te gaan.
Na twee uur gewandeld te hebben, kwam ik tenslotte in Erp. Hier nuttigde ik mijn ochtendontbijt en werd er niets wijzer, behalve dat de roomsen ook hier de Grote Kerk (zo noemt men overal in de Meierij de kerk van de hervormden) in bezit wilden krijgen. Dit dorp leek me niet belangrijk genoeg om er lang te verblijven, dus stapte ik na het ontbijt kalmpjes voort richting Veghel.
Veghel beviel me, want het is een uitstekend, groot en mooi dorp. Een paar jaar geleden is er een straatweg aangelegd met lantaarns, zodat het eerder een plaats van aanzien dan een dorp lijkt. Het mag bogen op een mooie kerk en een fraaie toren, die nog nieuw is, aangezien de vorige na een blikseminslag is afgebrand. Ook is er een mooi raadhuis.
De rivier de Aa stroomt zeer lieflijk langs dit dorp, en de wandelwegen die ik, in de korte tijd die ik had, kon bekijken, bevielen me bijzonder goed.
dinsdag 20 september 2011
Over bodemschatten en taalvondsten
![]() |
| De Bossche Meierij (bron: Wandelblog Joop van der Perk) |
Tiende brief, deel 6
De bodem in de Meierij is in het algemeen zeer zandig. Men vindt in enkele dorpen heel veel oer, waaruit heel goed ijzer gewonnen zou kunnen worden. In Aarle en Nuenen trof ik mooi blauwsel (kobaltoxide) aan, terwijl Martinet alleen maar over Veghel spreekt als vindplaats.
Op sommige plaatsen is ook een soort bruine oker te vinden, die goed als verfstof te gebruiken zou zijn, net als het gele zand dat vlekken in de kleren geeft, zo sterk kleurt het. Men vindt hier ook vitrioolachtig water. Als men er thee in doet, krijgt het een zwarte kleur, als men het tenminste niet kookt. Een deskundige zou in de Meierij veel stof kunnen vinden om de kennis over de natuurlijke historie van het vaderland uit te breiden, als iemand dit zou willen proberen.
De taal van de Meierijenaars is heel erg lomp en ze is op veel plekken (nergens treft men zoveel verschillende dialecten aan als in de Meierij), zoals hier in Helmond, bijna niet te verstaan voor een Hollander. Ik geloof trouwens wel dat het bestuderen van de taal ons nog veel oude woorden zou leren, die tegenwoordig bijna geheel in onbruik zijn geraakt.
Zie hier, wat ik op dat gebied heb verzameld: al einskens, allengs; berg en dag, hoog en laag; ederikken, herkauwen; dedi, deed hij; killen, koud zijn; flets, flauw; luiken, sluiten; gelooken, gesloten; lelijk begaaden, vuil maken; haer, hier; hemelen, ten hemel gaan of sterven; ophemelen, opsieren; mer, men er; op en neer, heen en weer; uitsteeken, uitzonderen; vaaren, rijden; vries, vorst; herd, herder; hadder, had er; katijvig, ellendig.
Je hoort hier ook enkele Hoogduitse en verbasterde Franse woorden. De Meierijenaars hebben sinds 1795 vooral meesterlijk op zijn Frans leren vloeken en schelden, al weten ze niet wat ze zeggen.
Abonneren op:
Posts (Atom)


