Posts tonen met het label Brieven. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brieven. Alle posts tonen

donderdag 26 juli 2012

De laatste feitjes

Twintigste brief, deel 8

Oisterwijk wordt zo genoemd naar het gelijknamige dorp en Maasland, omdat het langs de Maas ligt.

Ieder kwartier heeft iets bijzonders. Zo noemt men Peelland het grootste kwartier; Kempenland het heerlijkste, vanwege het verblijf van de oude vorsten aldaar; Oisterwijk het mooiste; en Maasland het vetste. Tegenwoordig draagt de Meierij samen met de andere Generaliteitslanden de naam van Bataafs Brabant, ter onderscheiding van Oostenrijks Brabant, dat nu deel uitmaakt van het tegenwoordige België, al zie ik geen noodzaak tot deze naamsverandering.

In later tijden heeft men deze streek de Meierij van ’s-Hertogenbosch genoemd (die naam was van oudsher onbekend), omdat deze stad door de tijd heen de voornaamste en grootste is geworden en men daar het hoogste gerechtshof heeft gevestigd.

Ziedaar, mijn vriend, alles wat ik nog over de staatkundige aspecten kan meedelen. Het kan je overvloedige stof tot nadenken verschaffen. Meer wil ik er niet van zeggen, ik laat alles aan jouw eigen oordeelsvorming over.

Laat intussen ook deze brief je ervan getuigen dat ondergetekende zich met alle recht jouw ware vriend kan en mag noemen.

L.J.A.

dinsdag 24 juli 2012

Naam en indeling van de Meierij

Twintigste brief, deel 7

Ik wil hier nu ook iets over de naam van het land toevoegen. (Dat had ik al eerder moeten doen, maar beter laat dan nooit). Wat betreft de naam van de streek waar ik doorheen gereisd ben, daar heb ik je, mijn vriend, eigenlijk niet veel over te zeggen. Men noemt de regio, zoals je weet, Majorij of Meierij. Sommigen leiden deze naam af uit het Latijnse woord maior, groter, maar dat is ongefundeerd.

Anderen schrijven de betekenis, met meer aannemelijkheid, toe aan het woord majoor, meier, of het Franse maire, met de betekenis van een hoofdschout, zodat het zoveel betekent als het hoofdschoutambt van Den Bosch.

De vraag is echter of de Meierij wel altijd juridisch onder de stad heeft behoord. Andere plaatsen staken in vroeger tijden immers in grootheid en macht uit boven Den Bosch. Men leest nog in oude papieren over “de stad Helmond en het stadje Den Bosch”. Maar misschien zou men de benaming mogen afleiden uit het Hoogduitse Maijer of Meijer, dat “boer” of “landman” betekent. Dan geeft de naam Meierij te kennen dat het gaat om een landstreek rondom Den Bosch die door boeren bewoond wordt.

De Meierij verdeelt men in vieren, de zogenaamde kwartieren, in deze volgorde: Peelland, Kempenland, Oisterwijk en Maasland. Peelland ontleent zijn naam aan de Peel, die ik u al eerder heb beschreven. Die naam komt weer van het Latijnse palus, moeras, of van het Hoogduitse Pfuhl, waarmee ons woord ‘poel’ en uiteindelijk ook Peel samenhangt.

Kempenland wordt volgens sommigen zo genoemd naar de oude Cimbrae, en dan moet het zoveel betekenen als “land van de Cimbrae”. Anderen leiden het af van kampen of kempen in de betekenis van ‘strijden’. Weer anderen van het Latijnse woord campus, een veld of een vlakte. Of ook wel van het meierijse woord kampen of kempen, dat zijn landerijen die omgeven zijn door een aarden wal, met hakhout beplant.

Misschien kan men het beter van het Latijn afleiden, waarin het woord campi ‘landdagen’ betekent. Immers, in dit kwartier hielden de oude koningen en vorsten vaak hun verblijf en hun landdagen.

donderdag 19 juli 2012

Als je maar rooms bent, dan is alles goed

Twintigste brief, deel 6

Rooms zijn gaat boven alles. Iemand mag de deugd in persoon zijn en de wijsheid van Salomon bezitten, als hij een protestant is, is hij in de ogen van de roomsen toch een te verafschuwen persoon. Ik weet dat men bij gelegenheid van de verkiezing van volksvertegenwoordigers tegen een hervormde zei: “het is jammer dat u niet katholiek bent, dan zou u zeker gekozen worden en zou u alles kunnen krijgen. Maar aangezien u geus bent, gaat dat niet!”

Hoe kan men daar dan ooit goede bestuurders krijgen? Want het is zo zeker als tweemaal twee vier is, dat er in de hele Meierij, met uitzondering van Den Bosch, geen enkele roomse ooit is geweest of nu is, die in staat is om zelfs maar een dorp te besturen, laat staan als vertegenwoordiger van een heel volk op te treden.

Ik heb zelf in de Meierij horen zeggen: “een volksvertegenwoordiger hoeft geen verstand te bezitten, als hij maar deugt.” Dat wil zeggen: als hij maar door en door rooms is.

dinsdag 17 juli 2012

De macht van de roomse geestelijkheid

Twintigste brief, deel 5

De macht van de roomse geestelijkheid is hier in het algemeen veel te groot. Zoals de priester denkt, zo denken ook zijn leken. Dat leidt tot vele zaken die best anders zouden kunnen en ook moeten zijn, maar ik heb geen advies hoe dit veranderd te krijgen. Zolang de gewetensdwang blijft, zolang een sterveling heerst over de zielen van zijn medemensen, zolang hij achter alle geheimen weet te komen, zolang hij de macht heeft om hun zonden kwijt te schelden onder voorwaarden die híj bepaalt, zolang zullen deze geestelijken meer dan teveel invloed blijven houden op alles, wat dan ook.

Men vertelt dat er in Den Bosch een functie vacant was. Welke, dat is mij ontschoten. Het bestuur dacht deze functie aan een hervormde te geven, maar de priesters kwamen tussenbeide en zeiden dat het niet gepast was een ketter te begunstigen. Men gunde de functie dus aan een roomse, ofschoon die oneindig minder deskundig was en veel minder geschikt dan de hervormden, die er om gevraagd hadden. Zo gaat het ook in andere plaatsen.

“Is het volgens de regels van de staatkunde om zulke mensen zo’n macht te gunnen en hen zo stilzwijgend mee te laten regeren?”, zo werd mij gevraagd toen ik in de Meierij was. Mijn antwoord was een stilzwijgen, want ik wist niet of het wel veilig voor me was hier iets op te zeggen.

donderdag 5 juli 2012

Een voorstel tot belastinghervorming

Twintigste brief, deel 4

Als men iemand vraagt hoe het nu gaat, dan is meteen zijn antwoord: “Hoe zou het gaan? Het is geen spat beter dan vroeger, we moeten nog precies evenveel betalen.”

Hiermee zijn de vragen die je me hebt gesteld (voor zover ik me kan herinneren, tenminste) beantwoord. Ik wil daar nu nog het een en ander aan toevoegen.

In de Meierij zou veel te verbeteren zijn als men alles op de juiste manier zou aanpakken. Men zou belastingen die zwaar drukken en onbillijk zijn, kunnen afschaffen en andere instellen, die minder nadelig zijn voor het merendeel van de mensen. Bijvoorbeeld: bijna iedereen moet bijdragen in de dranken, zoals men dat hier noemt. Dat wil zeggen dat ieder dorp weet hoeveel belasting het moet opbrengen voor het gebruik van bier, wijn etc. Dit bedrag wordt dan door het lokale bestuur verdeeld over de inwoners. Daardoor betalen er velen, die nooit wijn of bier gebruiken, mee aan dit bedrag.

De belasting op noodzakelijke dingen, waar men niet buiten kan, zouden of geheel moeten worden afgeschaft, of tenminste zoveel mogelijk verlaagd moeten worden. Daarentegen zouden luxe zaken (ook in de Meierij heerst veel te veel weelde) zwaar belast moeten worden.

dinsdag 3 juli 2012

Heel anders gelopen dan gedacht

Twintigste brief, deel 3

Dat zijn dus de drie voornaamste eisen. Daardoor komt het dat men in het begin gekozen heeft voor schoenmakers, koekenbakkers, zadelmakers, boeren, priesters en artsen. De eersten hiervan hadden geen idee wat besturen was en de laatste twee categorieën bezaten, behalve talrijke bijgelovigheden en bitterheid, niet de minste vaardigheid behalve om de mis te lezen en wat te kwakzalveren.

Bovendien komt bij de verkiezingen veel goochelarij te pas, want vele, zo niet de meeste meierijenaars kunnen niet lezen of schrijven. Iemand anders, die wel schrijven kan, schrijft dus de meeste stembriefjes en zet er de naam op van wie hij maar wil. Als men zo iemand, een die kan schrijven, op zijn hand heeft, dan heeft men veel gewonnen! Meer nog, men is altijd zeker dat men gekozen zal worden. Men weet ook bijna altijd al van te voren wie volksvertegenwoordiger zal worden.

4. “Is men in de Meierij tevreden?”
Nee! Volgens de gedachten van velen is het allemaal verkeerd uitgepakt. Zie hier wat men zich had voorgesteld: men zou geen of weinig belasting gaan betalen. Men zou de Grote Kerken (dit is een belangrijk punt) in eigendom krijgen zonder er iets voor te geven. Men zou de geuzen kwijtraken: er zou er geen één meer in de Meierij mogen overblijven. Men zou alle geuzenambtenaren afzetten en er eerlijke katholieken voor in de plaats aanstellen. Men zou de roomse religie in al zijn facetten mogen uitoefenen, want een land dat door ketters (geuzen) bewoond wordt, kan nooit gelukkig zijn. Maar alles is dus anders uitgevallen dan de valse voorstelling die men zich had gevormd.

donderdag 28 juni 2012

Onbekwame volksvertegenwoordigers

Twintigste brief, deel 2

2. “Hoe is men aan dat idee gekomen?
Een paar mensen, die even weinig wisten van regeren, vaderlandse geschiedenis enzovoort, als een koe van saffraan eten, zoals men dat hier in de Meierij uitdrukt, hebben zich opgeworpen als volksvertegenwoordigers. Zij vestigden zich in Tilburg en vaardigden daar wetten uit. Het volk was dwaas genoeg om ze als hun bestuurders te erkennen, aangezien men zich verbeeldde het nu gewonnen te hebben (want het klinkt natuurlijk mooi een ‘provincie’ te zijn).

Hadden die lui hun best gedaan om de misstanden op te heffen, waar zij zo hevig tegen tekeer gingen, of om de dwingelandij weg te nemen, waarover ze zo hard schreeuwden als zij onder het volk waren, zouden hun pogingen dan niet lovenswaardig geweest zijn?

3. “Zijn de meierijenaars wel in staat om hun eigen vertegenwoordigers of bestuurders te kiezen?
Op dit punt kan ik je uitgebreid antwoorden, want ik heb dit allemaal nauwgezet onderzocht. Neen! Zij zijn daartoe niet in staat. De enige eisen waar ze naar kijken, zijn namelijk de volgende: dat iemand die verkozen wordt, goed moet kunnen zwetsen, en de onderdrukking die men in het verleden heeft ondergaan, zwaar moet kunnen aanzetten. Hij moet veel praten over verbeteringen die er zullen komen en die hij zeker zal doorvoeren, zodra hij aan de macht is. En tenslotte moet hij door en door, onvervalst rooms zijn; dit is een punt dat geenszins uit het oog verloren moet worden.

dinsdag 26 juni 2012

Politiek in de Meierij

Twintigste brief, deel 1

Geachte vriend!

Toen ik na het voltooien van mijn reis door de Meierij weer bij je was en ik opnieuw het genoegen had om me na zo’n lange afwezigheid weer met jou, mijn vriend, te onderhouden, hebben we alleen maar terloops gesproken over de staatkundige aspecten van de Meierij. Mijn aanwezigheid thuis was nu eenmaal dringend vereist. Ik beloofde je bij mijn afscheid dat ik binnenkort bij je zou terugkomen en dan enkele dagen bij je zou doorbrengen om alles eens rustig door te praten.

Maar... tijdens mijn afwezigheid zijn veel zaken blijven liggen en ik heb het daardoor zo druk gekregen dat ik geen dag van huis kan. In de weinige stille momenten die mij overblijven, wil ik je daarom alles schrijven en je in deze brief alles vertellen, wat ik ervan weet. Maar eerst wil ik de vragen die je mij gesteld hebt (voor zover ik me die kan herinneren) beantwoorden. Jij vroeg mij:

1. “Is het wel verstandig geweest dat de Meierij zich tot ‘provincie’ uitriep, en niet de loop van de gebeurtenissen afwachtte?
De Meierij lijkt er niet op berekend een provincie te zijn, omdat ze dan natuurlijk meer moet opbrengen dan als Generaliteitsland, zoals men dat placht te noemen. Het is namelijk geen landstreek die zware belastingen kan verdragen. Men heeft altijd al geklaagd dat de Meierij te veel moest opbrengen.

donderdag 14 juni 2012

Adieu Meierij!

De Markt te Tilburg, met in het midden de oudste kerk van de stad,
de Heikese of Dionysiuskerk, en met links de ‘Drie Gouden Zwanen’
Aquarel van Jan de Beijer uit 1742

Negentiende brief, deel 10

Als ik mij morgen net zo goed voel als nu, vertrek ik na de middag met de postwagen naar Den Bosch. Die rijdt viermaal per week van Den Bosch naar Breda en weer terug en gaat altijd via Tilburg. Ik durf het namelijk nog niet aan om de route op mijn aangeboren rijtuig af te leggen, omdat ik nog niet helemaal hersteld ben.

Zonder verhindering ben ik dan morgenavond in de genoemde stad en ga ik overmorgen scheep naar jou toe. Den Bosch verveelt mij geweldig, ik blijf er niet langer dan strikt noodzakelijk. En als ik eerder kon vertrekken, dan zou ik nog eerder die stad verlaten, waar zowel domheid, bijgeloof als vervolgzucht heersen.

Ik stuur deze brief meteen weg, zoals hij is. Je zult hem waarschijnlijk snel ontvangen. Hij zal je er niet alleen van verzekeren dat ik weer bijna hersteld ben, maar ook dat ik binnen drie of vier dagen bij je zal zijn - weg, weer en wind dienende en als alles naar mijn vurige wens verloopt.

Je kunt je niet voorstellen hoezeer ik ernaar verlang dit land te verlaten, maar vooral ook om jou weer te zien en je te verzekeren dat mijn reis en mijn lange rondwandeling te midden van een dom, dweepzuchtig, bijgelovig en onverdraagzaam volk niet de minste verandering heeft gebracht in de durende vriendschap van je onveranderlijke

Vriend.

dinsdag 12 juni 2012

Behoudzucht in de Meierij

De Zuid-Willemsvaart ter hoogte van Helmond (foto: RHCe)

Negentiende brief, deel 9

Velen zien er weinig nut in voor ’t algemeen, al geven anderen er juist hoog van op. Nog een derde soort redeneert er als volgt over: “Kanalen zijn goed in een land waar vlijt, ijver en de drang naar verbetering heersen en waar men graag oude vooroordelen vaarwel zegt om op iets beters over te gaan. Maar past dat wel in de Meierij? Onze vaders, grootvaders, overgrootvaders en over-overgrootvaders hebben de kost verdiend zonder kanalen. Waarom zouden wij die dan nodig hebben?

Als men kanalen graaft of rivieren een andere loop laat nemen, zullen vele particuliere personen er schade door lijden, omdat hun landerijen beschadigd of zelfs geheel weggegraven zullen worden. Mag men een algemeen belang behartigen, zonder welk onze voorouders geleefd hebben, als er individuen onder moeten lijden of arm worden?”

Zo denkt men erover, maar het is niet aan mij om een oordeel te vellen over deze redeneringen van de meierijenaars. Mij dunkt echter dat goed ingerichte kanalen die niet een apart deel, maar een geheel district doorsnijden, altijd veel voordeel kunnen geven, op voorwaarde dat het volk van zo’n land open staat voor verbetering en die ook van harte wil toepassen. Maar: hoc opus, hic labor!

donderdag 7 juni 2012

Kanalen door de Meierij


Negentiende brief, deel 8

Hoe kan het anders dan dat het domme bijgeloof, dat alles klakkeloos voor waar aanneemt als het maar in Antwerpen of een andere roomse plaats gedrukt is, door zulke leugenachtige geschriften geweldig tot haat tegen de protestanten wordt aangezet. Immers, men dicht die protestanten onmenselijke daden toe, waarvan zelfs Nero gegruwd zou hebben. Precies daarom is het ook dat een roomse geen pijniging of vervolging te wreed acht voor een geus, namelijk om het hem betaald te zetten wat zijn voorouders (waarvan men stellig overtuigd is) de ware katholieken hebben aangedaan.


Men kan dus over hun ingekankerde haat zeggen wat Jeremias de Decker over Rome’s ouden ijver heeft gedicht:

Waar vind men zoo onmenschelijke stukken,
Zoo woest en onbescheid,
Daar bijgeloovigheid
Des menschen hart niet toe en kan verrukken?

Of men zou de laatste regel hiervan op deze manier mogen lezen, met de vervolgzieke haat van de roomse meierijbewoners in gedachten:

De roomschen in dat land niet toe weet te verrukken.

Men praat hier tegenwoordig ook druk over de kanalen die er door de Meierij aangelegd zullen worden, maar men voegt daar meteen aan toe, dat er geen een landmeter in de hele regio is, die voldoende kennis en kunde heeft om behoorlijk te waterpassen, en dus om vast te stellen langs welk traject men de rivieren die gekanaliseerd zouden moeten worden, het best, het kortst en het goedkoopst zou kunnen verleggen.

dinsdag 5 juni 2012

Joden en propagandamartelaars

De Martelaren van Gorcum in het
Martelaarsboek van Petrus Opmeer
Negentiende brief, deel 7

De fabel van de onsterfelijke jood (men noemt hem in de Meierij de "wandelende jood") wordt hier ook nog als een onaantastbaar feit aan het volk gepresenteerd en dat neemt deze leugen gretig voor zekere waarheid aan. Een paar jaar geleden zou hij zelfs, zo vertelde men mij, in deze landstreek zijn gesignaleerd. Ik heb hier een klein boekje gezien, waarin zijn hele leven beschreven wordt.

Hij wordt daarin Ahasverus genoemd, een schoenmaker van beroep. Bij andere schrijvers draagt hij, zoals u weet, de naam van Joseph of Kartaphilus, of ook wel die van Johannes Buttadeus. Maar genoeg hierover! Ik wil deze wandelaar maar rustig laten stappen door de domme hersens van de lichtgelovige en bijgelovige roomse meierijenaars.

De haat die de roomsen voelen ten opzichte van de hervormden, is niet alleen gebaseerd op de domheid, bijgeloof en dweepzucht, die nu eenmaal geweldig sterk zijn in de Meierij, zoals u uit mijn brieven hebt geleerd, maar hij wordt bovendien hevig versterkt door de zogenaamde martelaarsboeken, die men hier en daar vindt.

Ik heb er gezien, waarin men de allervreselijkste martelingen die de geuzen de katholieken aangedaan zouden hebben (ofschoon het niets anders zijn dan een paar overduidelijke leugens), niet alleen op onbeschaamde wijze beschreven heeft, maar ook op bijgevoegde platen zo wreed heeft afgebeeld, dat men er medelijden van moest krijgen alleen al door het zien van zo’n afbeelding, als het tenminste om ware gebeurtenissen zou gaan.

donderdag 31 mei 2012

Magische priestermacht


Negentiende brief, deel 6



Alle roomsgezinden in de Meierij verzekeren met stelligheid dat hun priesters de macht bezitten om in het geval er ergens brand ontstaat, de wind van richting te doen veranderen en zo de vlammen naar die kant te laten overslaan waar ze de minste schade kunnen aanrichten of andere huizen aansteken. Dat noemen ze: de wind verzetten.

Ook dichten ze hun priesters het vermogen toe om iemand die hen zou willen aanranden vast en onbeweeglijk op één plaats te laten staan als een standbeeld, net zo lang als het hun goeddunkt. Dit noemt men: stijf maken. Ik heb hiervan vele voorbeelden van horen vertellen en overal bezwoer men dat het de waarheid was.

Bovendien schrijft men de priesters de macht toe om iemand, wie dan ook van hun keuze, onkwetsbaar te maken. Dit wordt door hun bestempeld als hard maken. In één woord: de macht van de priesters is in de gedachten van de meierijenaars weinig minder dan de Almacht. Ik uitte mijn ongeloof hierover tegen een roomse, maar hij zei:

"Zou een gewijde priester, die van een ouwel een levende Christus kan maken, deze dingen niet ook kunnen doen? Wat is moeilijker, volgens u?

dinsdag 29 mei 2012

Nogmaals “Troost der zielen”

Negentiende brief, deel 5

Hij vertrok en liet mij ernstig bij mijzelf over alles nadenken, terwijl ik vol medelijden was vanwege zijn bijgelovige domheid en haat. "Ach, hoeveel domheid", zei ik bij mezelf, "hoeveel haat! Hoe zeer is de eenvoudige godsdienst van Jezus misvormd geraakt! Ach! Wanneer zullen domheid, haat en bijgeloof hier vernietigd worden?..."

Met welk recht verdoemde deze man mij? Waarom werd hij boos op me? Ik had hem niet beledigd. Ik verschilde alleen van mening met hem over de religie en dat was blijkbaar genoeg. Ik moet hier tussen haakjes nog aan toevoegen dat het zojuist genoemde boekje, Troost der zielen etc., iets is dat men voelen en betasten kan. Ofschoon het de meest ongerijmde zaken bevat, en het nog een stuk dwazer is dan de beschrijving die de vroegere heidenen van de onderwereld gaven, is het door de zogenaamde roomse geestelijkheid goedgekeurd en bijna iedere roomsgezinde in de Meierij heeft er een exemplaar van, waarin hij heiliger gelooft dan in het Evangelie. O Tempora! O Mores!

Tweede vervolg
Aangezien ik deze brief niet voor morgen kan versturen, wil ik jou, mijn beminde vriend, nog het een en ander schrijven en je nog wat staaltjes van de bijgelovige denkbeelden die hier onder het volk heersen, met een paar snelle halen schetsen. Ik kan je verzekeren dat ik in de schets die ik je zal geven even weinig van de waarheid af zal wijken als in mijn vorige brieven. Anders zou ik jou misleiden en mijn hart zou mij nooit meer vrijwaren van het knagende zelfverwijt, dat ik mijn vriend had bedrogen.

donderdag 24 mei 2012

Over angst voor de dood en het Vagevuur

Zielen in het Vagevuur

Negentiende brief, deel 4

Hij: Was u niet bang dat u zou sterven? Want de dood is toch iets vreselijks.

Ik: Nee! Want de dood is helemaal niet verschrikkelijk, behalve voor degene die zich hier op aarde aan veel slechts schuldig heeft gemaakt en die geen beter leven te verwachten heeft.

Hij: Alles goed en wel, maar dacht u dan niet aan de verschrikkingen van het Vagevuur?

Ik: Ik ken geen vagevuur; en zou dat bestaan, wat doet het er dan toe, aangezien men toch ooit hieruit zal worden verlost?

Hij: Ik zie wel, dat u een ongelovige ketter bent, want de geuzen geloven niet in het Vagevuur, omdat dat niet in hun valse bijbel staat; ze zullen het nog wel ontdekken, als zij na dit leven verdoemd zijn.

Ik: Ik heb u nog helemaal niet verteld of ik geus of paaps ben. Maar is het vagevuur dan zo erg?

Hij: Ja! De pijn van het Vagevuur is erger dan de pijn van de hel, want de zielen worden er gebraden, in olie gekookt, in stukken gehakt, door serpenten, slangen en padden verscheurd en op nog heel veel andere manieren gemarteld.

Ik: Maar hoe weet u dit? Hebt u gezien, dat zielen een lichaam hebben?

Hij: Zeker zijn de zielen lichamelijk. Ik weet alles uit een boek dat ik bezit en dat Troost der zielen in het Vagevuur heet. Maar dat zul u wel niet geloven, want ik weet zeker dat u zo’n verdoemde geus bent. Goedendag!

dinsdag 22 mei 2012

Een herstelwandeling

Negentiende brief, deel 3

Het verwondert mij dat men deze zerk niet buiten de kerk heeft gesmeten, zoals men op vele plaatsen met zerken heeft gedaan. Te meer daar deze zerk ervan getuigt dat de haat van de roomsen tegen de hervormden in de vorige eeuw al net zo hard woedde als tegenwoordig.

Laat mij de pen neerleggen, want ik voel me duizelig worden. Morgen schrijf ik verder.

Vervolg
Vanochtend kreeg ik je antwoord met een ingesloten cheque overhandigd. Hartelijk dank voor het sturen. Wees gerust, want zo plotseling als de ziekte mij overviel, net zo snel herstel ik. En als het zo doorgaat ben ik binnen een paar dagen weer bij je.

Ik ben deze namiddag een beetje gaan wandelen om eens wat frisse lucht in te ademen. Maar omdat ik vermoeid raakte, ging ik onder een boom wat zitten rusten. Er kwam een tamelijk bejaarde man voorbij, die mij aansprak en mij vroeg wat ik daar deed. Ik zei hem, dat ik niet in orde was geweest, en dat ik hier wat moest uitrusten, omdat mijn krachten nog niet helemaal teruggekeerd waren. Hij leek een orthodoxe roomsgezinde te zijn en het volgende gesprek ontspon zich tussen ons beiden, voor zover ik mij kan herinneren:

donderdag 17 mei 2012

Grafschrift uit Deurne

Een snaphaan

“Als ik sterf”, zo redeneerde ik bij mezelf, “als ik sterf en ik zie mijn vriend hier niet meer, dan zullen wij elkaar toch ooit weerzien, want:

de eigen hand, die hier mijn hart,
hem verpande in vreugd en smart,
drukt hem weder -
de eigen lippen van ’t gevoel
ademen, voor Gods rechterstoel,
vriendschap even teder. - "

Voor ik verder schrijf, wil ik je letterlijk het grafschrift meedelen, dat ik te Deurne heb gekopieerd, maar dat ik niet terug kon vinden, zoals ik je al gemeld heb. Dat grafschrift is gemaakt op de eerste hervormde schepen, die daar op een avond vanwege de religie verraderlijk werd doodgeschoten, zoals blijkt uit het onderstaande vers. Hij werd verwond met een roer (een meierijs woord dat snaphaan [=geweer] betekent). Ik geef het zoals ik het heb gevonden op een hardstenen zerk die voor het koor in de kerk ligt.

Ik had het in mijn aantekenboekje gelegd en omdat ik dat nu weer eens van voor tot achter doorbladerde en herlas om de tijd te verdrijven, vond ik die aantekening tot mijn grote vreugde weer terug. Hier is het:

Om trovhijt voor Godts woordt, om iver voor het recht,
zijn lagen onderweg aen Jacop Govrts gelecht,
Als hij vuijt sijn beroep quam in den avoentstont
een moorder met een roer hem doodelijck heeft gewondt.
Ter eeren sij ghedacht den naam van desen man,
die om Godts woort en ’t recht de doot af wachten kan.

Het randschrift rondom de zerk luidt als volgt:

Hier licht begraven Jacop Govrts van der Horst, in sijnder tijt Schepen der Heerlijchijt Deurne en desselfs dinghbanck, die op den 28 mij in de Heere is ontslapen 1670.

dinsdag 15 mei 2012

Op het randje van de dood

Een sterfbed in 1784
(Gelukkig niet van Stephanus Hanewinckel)
Negentiende brief, deel 1

Waarde S...!

God zij geprezen dat ik weer veel beter ben, mijn lieve vriend, dan ik geweest ben. Ik voel mijn krachten, zij het langzaam, terugkeren. Ik kan nu weer, met tussenpozen, lezen, aan je denken en aan je schrijven. Nadat ik mijn laatste briefje aan jou had verstuurd, werd ik nog veel beroerder. Mijn ziekte verergerde, de koorts kwam sterker terug en ik had voortdurend het idee dat ik je niet maar aan deze zijde van het graf zou terugzien, want alles leek op mijn naderende dood te wijzen.

Niet dat ik beef voor de dood, o nee! Ik heb altijd geprobeerd me met de gedachte aan de dood te verzoenen en hierdoor kwam hij me minder akelig voor. Maar het viel me hard, zeer hard dat ik - als ik dan toch zou moeten sterven - niet een laatste afscheidsgroet op je lippen zou kunnen drukken. Ik troostte mij echter met de gedachte dat de dood ons niet voor eeuwig zou scheiden.

“De dood”, dacht ik met E.M. Post in het Land, “De dood kan vrienden scheiden, maar de vriendschap zelf duurt tot in het andere leven.” En ik herinnerde mij deze mooie regels uit de voortreffelijke Ode van R. Feith over de vriendschap:

Vriendschap die de dood doorwaad,
Kan zich, schoon het heelal vergaat,
Veilig achten -
Vriendschap, aan de deugd gepaard,
Kan, op ’t rookend puin der aerd,
Ed’ler waereld wachten.

donderdag 10 mei 2012

Geveld door ziekte!

Achttiende brief

Allerbeste vriend!

Ach! Hoezeer ben ik in mijn verwachtingen teleurgesteld, mijn vriend! Ik dacht vandaag mijn reis naar Den Bosch voort te zetten, om dan morgen vandaar per schip naar jou te reizen. Maar kort nadat ik mijn vorige brief aan je had verstuurd, werd ik onwel. Dat was misschien veroorzaakt doordat ik mij tijdens mijn wandeling naar Hilvarenbeek en zo voort wat al te zeer vermoeid had. Ik kreeg nog diezelfde avond een hoge koorts, vergezeld van hevige hoofdpijn, die ik de hele nacht bleef houden, waardoor ik ernstig verzwakt werd.

Ik zit deze brief in mijn bed te schrijven, want ik voel me nog helemaal niet beter, behalve dan dat ik nu geen koorts meer heb. Wees intussen gerust: mijn ziekte is naar alle waarschijnlijkheid niet dodelijk, tenzij er onvoorziene toevallen bij zouden komen. Maar zodra ik mij slechter begin te voelen, zal ik meteen schrijven of laten schrijven. Denk intussen maar dat geen bericht, goed bericht is.

Ik zal me vandaag stilletjes in bed houden en dus de raad opvolgen van de grote Celsus, die wij al als kinderen in onze syntaxis leerden, en kijken of stilte en rust mij weer op de been kunnen brengen. Hij zegt immers:

Multi magni morbi curantur abstinentia et quieta
[Veel zware ziekten worden genezen door onthouding en rust]

Ik moet ophouden, want alles schemert mij voor de ogen. Stuur mij per ommegaande een kleine cheque, want als ik nog een paar dagen hier moet blijven, zal het beetje geld dat ik nog overheb, snel verdampt zijn.

Ik ben enz.

donderdag 3 mei 2012

Op naar huis!

Zeventiende brief, deel 7

Ik heb u alles naar waarheid gerapporteerd, zo onpartijdig als mij mogelijk was. Toch zul je in mijn brieven zaken gevonden hebben, die iedere andere lezer als scherp en partijdig zouden toeschijnen, maar jij kent mijn hart. Je weet hoezeer dat gruwt van alle partijzucht, maar je weet ook dat ik als vriend van de waarheid geen slechte zaken voor je verborgen kon of wilde houden.

Hoe graag zou ik je niet een positieve indruk gegeven hebben van de meierijenaars, maar de waarheid verhinderde mij dat. Betreur dan met mij de ongelukkige inwoners en vooral de hervormden onder hen, dit is alles wat wij er nu aan kunnen doen. Als wij elkaar spreken, zal ik je over een en ander nog meer vertellen, als de tijd en mijn bezigheden die alweer op mij wachten, dat tenminste toelaten. Anders zal ik je schrijven in de lege ogenblikken die mij nog overblijven.

Binnen een dag of vier hoop ik jr te zien. Overmorgen wandel ik van hier via Udenhout en Helvoirt naar De Bosch, om mij dan de volgende dag in te schepen. Als de wind gunstig is, ben ik snel bij je. O! Hoe verlang ik al naar het moment, waarop ik jou, mijn vriend, aan mijn hart kan drukken. Ik tel de uren al af die mij na zo’n lange afwezigheid weer bij jou zullen brengen.

Als u deze brief ontvangt, hoop ik niet ver meer van je vandaan te zijn. Hij zal je verzekeren dat je binnenkort een kus van de heiligste vriendschap zult ontvangen van je onveranderlijke en getrouwe

Vriend.