Posts tonen met het label Boxtel. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Boxtel. Alle posts tonen

donderdag 15 augustus 2013

Een laatste blik op de Sint Jan

Foto: Bert Kaufmann/Flickr

Vierentwintigste brief, deel 1

Allerbeste vriend!

Hier is de laatste brief die je van me zult ontvangen vanuit deze stad. Ik zal daarom een deel van deze nacht, hoe graag ik anders ook vroeg naar bed ga, besteden aan het schrijven naar jou en ik zal me niet eerder te ruste leggen dan voordat ik deze brief heb afgemaakt. Morgen kan ik, zoals men zegt, rustig een gat in de dag slapen, omdat ik dan niets meer te doen heb. Overmorgen vertrek ik van hier.

Toen ik vanmorgen over een deel van de wal had gewandeld, begaf ik me naar de Sint-Janskerk om dat prachtige en trotse gebouw voor het laatst te bekijken. En terwijl ik dat deed, zei ik tegen mezelf: “trots gebouw! Prachtige muren! Zouden zij die u gesticht hebben, ooit gedacht hebben dat uiterlijke pracht meer van de godsdienst afleidt dan dat het mensen daartoe aanlokt? Kenden ze wel die gouden les om God in geest en waarheid te dienen? Ongelukkige tijd!, waarin men meer aandacht had voor het opsieren van grootste gebouwen ter ere van de heiligen, dan om de simpele godsdienst van Jezus zuiver te belijden en na te volgen. Gelukkig bestaat die tijd voor een groot deel van de christenen niet meer! Die dagen zijn voorbij! Oh, dat ze dan ook nooit meer mogen weerkeren, hoezeer men zich hier ook druk maakt!”

Daarop begaf ik mij naar mijn herberg, nuttigde mijn middagmaal en wandelde na het eten naar Vught. Het eerste wat ik hier deed, was dat ik nog eens met alle aandacht de ruïne van de kerktoren in deze plaats in ogenschouw nam. Ik bekeek hem van alle kanten en moest van harte Martinet* gelijk geven, die deze toren onder de mooiste van ons vaderland telt en er het volgende over zegt: “dat de toren van het dorp Vught bij ’s-Hertogenbosch, hoewel zonder spits, qua gave muren de meeste torens, zo niet alle overtreft.” Vervolgens dronk ik een kopje thee, terwijl ik vanuit mijn herberg een uitstekend zicht had over de steenweg naar Boxtel. Zover mijn ogen konden zien, zag ik op die weg een massa van gaande en komende rijtuigen, karren en wandelaars. Oh, wat een heerlijke aanblik!

*) Historie der Waereld, 8e deel, p. 509. Het Veréénigd Nederland, p. 509.

donderdag 26 januari 2012

Waren alle geuzen maar weg!

Landschap rond Oisterwijk (bron: BHIC)

Vijftiende brief, deel 3

Hij: Ja, ja. Ik wou maar dat we alle geuzen hier kwijt waren. Dat wensen we allemaal. Men heeft het ons wel wijsgemaakt, maar zij zijn nog niet weg. Als de Fransen maar katholiek geweest waren, dan zouden we ze zeker wel weggekregen hebben, maar die waren zelf ook wel meer dan half geus.

Ik: U dacht dus dat de geuzen weggejaagd zouden worden als de Fransen kwamen?

Hij: Jazeker wel! Maar als we geweten hadden dat die verdoemde ketters niet weggejaagd zouden worden en dat we zoveel moeite hadden moeten doen voor de grote kerk, of dat wij geen processies zouden mogen houden, dan zouden wij katholieken niet naar de komst van de Fransen verlangd hebben. Die hadden dan gerust weg mogen blijven.

Dit gesprek begon mij de keel uit te hangen, omdat ik een afkeer voelde voor zo’n bittere godsdiensthaat als deze man uitstraalde. Om van hem af te komen, deed ik dus alsof ik zeer vermoeid was en ging onder een boom zitten alsof ik wat wilde uitrusten. Hij ging verder en ik schreef dit gesprek meteen op om het je zoveel mogelijk woord voor woord te kunnen opsturen.

Hoe is het mogelijk dat men zo kan denken: “een mens is na dit leven ongelukkig, dus kan men hem ook in dit leven ongelukkig maken”.

dinsdag 24 januari 2012

Aan een ketter is niets verloren

Vijftiende brief, deel 2

Hij: De mensen zijn hier heel braaf en doen niemand kwaad, tenzij het een geus is. Er is niets op tegen als men zo iemand eens een loer kan draaien.

Ik: Zijn zij dan niet ook mensen, of bedreigen ze iemand?

Hij: Nee, dat niet. Maar het zijn ketters, die geen religie hebben, en die men daarom niet hoeft te sparen. Want aan een ketter is toch niets verloren; ze zijn immers allemaal verdoemd.

Ik: Dat laatste is wel ongelukkig voor ze. Maar moet je ze dan niet eerder beklagen, omdat deze ketters na dit leven verdoemd zijn, en moet je dan hun leven hier op aarde juist niet zo aangenaam mogelijk maken, in plaats van ze te haten? God zelf tolereert de geuzen en Hij geeft in dit leven alles zowel aan hen als aan de roomsen. Hij maakt dus geen onderscheid. Waarom zouden wij dat dan wel doen? - Maar waarom zijn ze eigenlijk verdoemd?

Hij: Dat zegt onze pastoor. De geuzen zijn geen christenmensen. Zij aanbidden niet Onze Lieve Heer, of Onze Lieve Vrouw of de heiligen. Zij zeggen dat onze religie maar aperij is (God vergeve mij de zonden). Ze zijn nog erger dan de duivel (moge God ons en alle christenen voor hem bewaren), want die heeft tenminste nog schrik voor het teken van het H. Kruis en wij kunnen hém daarmee verjagen, maar een geus of ketter niet.

Ik: Dan zijn ze veel verstandiger dan de duivel en ook niet zo bang, als ze er niets om geven.

donderdag 19 januari 2012

Van Schijndel naar Tilburg

Landschap rond Oisterwijk (bron: BHIC)
Vijftiende brief, deel 1

Waarde vriend!

Toen ik Schijndel verliet, was het een bijzonder mooie dag om te wandelen. Het was niet te warm, vooral niet in het vroege ochtenduur, want er waaide een koel briesje, en de grond was flink bedekt met dauw, die een zeer aangename geur verspreidde. Ik werd heel wat minder snel moe, dan als het vreselijk heet geweest zou zijn.

Het eerste dorp dat ik bereikte, was Boxtel. Ik bleef hier echter niet langer dan nodig was om mij een beetje op te frissen, want ik herinnerde me nog levendig het begin van mijn reis, toen men mij hier zo vreselijk had geïrriteerd met nutteloze vragen.

Vervolgens wandelde ik verder richting Oisterwijk, een aanzienlijke plaats, waarnaar een deel van de Meierij is genoemd, namelijk het Kwartier van Oisterwijk. Hier at ik mijn middagmaal en sliep wat om uit te rusten. Tegen zonsondergang kwam ik in Tilburg aan. Onderweg, tussen Boxtel en Oisterwijk, werd ik door een man ingehaald, met wie ik het volgende gesprek voerde:

Hij: u lijkt hier vreemd te zijn (ik had hem naar de goede weg gevraagd).
Ik: ja, dat is zo.
Hij: wie bent u dan en waar komt u vandaan?
Ik: dat zeg ik noch aan u noch aan iemand anders.
Hij: ik denk niet dat u het niet wilt zeggen, omdat u een slecht mens bent.
Ik: wat dat betreft, hebt u gelijk. Maar ik vertrouw de mensen hier niet.

donderdag 21 april 2011

Over geuzen en voltairisten

Vierde brief, deel 3

Waarom wilden ze toch weten, wie ik was? Daar lag toch geen enkel voordeel of nut voor iemand van die vragenstellers in? En stel dat ik gezegd had: zo en zo heet ik. Dan nog had men niets geweten. Maar zo gaat het. Velen zijn nieuwsgierig naar zaken die hun niets aangaan, en dat geldt vooral voor mensen die weinig of niets te doen hebben. Het vragen naar dingen die geen enkele betrekking op ons hebben, of waardoor wij niet beter of wijzer kunnen worden, is iets wat ik altijd met verontwaardiging bekijk. Iemand die veel van dat soort dingen vraagt, is of bemoeiziek of praatziek of iemand die zich verveelt of iemand die gewoon niets te doen heeft, een Nihil-fecit, een nietsnut.

Maar laten we terugkeren naar mijn tocht! Onderweg kwam ik af en toe een kar, een rijtuig of een postkoets tegen, of een wandelaar, die net als ik op zijn apostelpaarden zijn weg vervolgde. Sommigen gingen mij voorbij, anderen haalde ik in, maar ik zag helemaal niemand onder hen die mij belangrijk genoeg leek om een gesprek mee aan te knopen. Tenslotte haalde ik een man in, die er nogal fatsoenlijk en braaf uitzag en ik vroeg hem hoe het toch gegaan was met de troepen van 1794.

“U bedoelt de Fransen”, zei hij. “Het was wel gegaan, als ze maar een religie hadden gehad, maar ze baden nooit en ze sloegen nooit een heilig kruis. Het waren allemaal volontairen (hij bedoelde ‘aanhangers van Voltaire’!), want ze waren eerder Geus [protestants] dan katholiek, en de ketters of geuzen hebben precies dezelfde religie als Volontair (Voltaire, dus). Dat heb ik tenminste van onze pastoor gehoord, en dat is een geleerde mens.”

O, wat een domheid! Wat een bijgelovige mensenhaat! Een hervormde en een Voltairist hetzelfde? Is dat mogelijk? Maar kunnen blinde leiders ook wel aan blinden menslievendheid bijbrengen ten aanzien van andersdenkende vereerders van de God van Liefde? In mijn hart beklaagde ik die man en ik liet hem snel in de steek. Mijn kennis van de gelaatkunde had mij op het verkeerde been gezet. Zelfs de beroemde Lavater zelf zou door dit gelaat misleid zijn, want:

Het verenpak laat ons makkelijk de vogelsoort herkennen,
Waarmee de Natuur slechts pronkt; maar mensen goed te kennen,
Vereist veel meer inspanning, ervaring, kunde en geest;
Want Domheid en Bijgeloof, niet de aangeboren leest,
Veranderen vaak de ziel.

dinsdag 19 april 2011

Nieuwsgierige Aagjes in Boxtel

Vierde brief, deel 2

Ik trok maar verder langs de Steenweg, die mij als vanzelf bij Boxtel bracht. Hier gebruikte ik mijn ochtend-ontbijt en bestelde mijn middagmaal. Ik was inmiddels, zoals ik hoorde, twee uur van Den Bosch verwijderd. Zodra ik ontbeten had, maakte ik een kleine wandeling. Boxtel is een groot en mooi dorp. Het heeft aangename wandelwegen en ligt bepaald niet onplezierig aan de rivier de Dommel. Ik bekeek de kerk. Ooit moet dit een groot en prachtig gebouw geweest zijn, maar het gebouw is nu deels ingestort. Er was niets opmerkenswaardigs te zien, behalve de oude zitbanken van de kannuniken van Boxtel. De toren staat tegenwoordig los van de kerk, die zich in vroeger tijden kon beroemen op een carillon.

Mij werd verteld dat toen Lodewijk de Veertiende tot aan Boxtel was opgetrokken in de tijd dat hij ’s-Hertogenbosch wilde gaan belegeren, hij hier deze toren beklom en met een verrekijker de stad en de vestingwerken nauwkeurig bestudeerde. Toen hij dat allemaal goed bekeken had, zou hij niet verder hebben durven oprukken met zijn leger.

Aan het eind van mijn wandeling zette ik mij aan de maaltijd. Intussen kwamen er verschillende inwoners van dit dorp bij mij zitten en wilden graag weten wie ik was. De een zei: “Wie is mijn heer?”, een ander sprak: “Waar gaat mijn burger naar toe?”, een derde vroeg: “Hebt u hier ook kennissen?” en zo voort, en zo voort. Al dit gevraag maakt me knorrig en ik gaf geen enkel antwoord, maar at razendsnel door, om maar vlug van die “Atheners” af te zijn.

Zodra ik gegeten had, ging ik op weg naar Eindhoven: de weg strekte zich over een geweldige lengte voor mij uit, zo recht als een bezemsteel. Het eentonige van dit vergezicht verveelde mij ontzettend. Ik bevond me dus in dezelfde droevige positie als Martinet, die in zijn Katechismus ook al klaagt dat deze weg hem zo vreselijk verveelde als hij hem beliep of bereed. Maar hoe lang mij deze weg ook viel, zo erg als de nieuwsgierige vragen in Boxtel verveelde hij me toch niet.