Posts tonen met het label Oirschot. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Oirschot. Alle posts tonen

donderdag 22 november 2012

Heilige eik in Oirschot en klompen

Bedevaartsvaantje (bron: Brabant Collectie)

Vijfde brief, deel 6

Dan nog dit: deze kerk zou precies op de plek gesticht zijn waarop vroeger een huis gestaan heeft, waarin een zekere heilige, Odulphus genaamd, geboren zou zijn. Dat was al reden genoeg om zo’n heilige kerk niet in handen van de geuzen te laten, want dat zou zeker een hele zware doodzonde geweest zijn.

Nadat ik hier alles bekeken had, keerde ik terug, bijna langs dezelfde weg als waarlangs ik naar Oirschot was gekomen, behalve dat ik nu over Middelbeers en Westelbeers, en daarna over Hapert ging, om weer behouden in Bladel aan te komen. Morgen - of anders overmorgen - wandel ik naar Eersel. Daar blijf ik dan misschien wel weer een paar dagen, maar misschien ook niet, dat zal afhangen van hoe het mij daar bevalt. Denk intussen aan je, jou altijd liefhebbende, vriend.

Naschrift: ik vergat je nog te melden dat in Oirschot ook nog een heilige Boom is, waarheen men tegenwoordig drukke bedevaarten houdt, omdat hier vanouds een wonderbaarlijk beeld zou hebben gestaan, dat men Onze Lieve Vrouw onder de Heilige Eik noemde. Tijdens dit uitstapje las ik in een herberg deze tekst onder een beeltenis van Maria: “dit is een authentieke afbeelding van ’t Miraculeus Beeldeken, op 1 juni 1642 opgesteld in het kapelletje van Kevelaer”. Is dat nu niet precies bedoeld om de mensen te bedriegen?

Toen ik het in deze brief over de klompenmakers van Best had, herinnerde ik mij dat men in de Meierij klompen voor een zeer gezonde dracht houdt, en ik geloof dat men daarin gelijk heeft. Men heeft daarover hier ook het volgende spreekwoord: “al wie wil worden oud, steke zijn voeten vroeg in het hout”. Daarmee wil men te kennen geven, dat men reeds in zijn vroege jeugd moet beginnen met het dragen van houten klompen, als men oud wil worden.

dinsdag 20 november 2012

Katholieken en afspraken!

Vijfde brief, deel 5

De hervormden en de roomsen hadden hier een overeenkomst over de kerken gesloten. De eersten zouden de grote kerk voor een bepaald bedrag afstaan en daarvoor in de plaats de kapel krijgen, waarin de botermarkt werd gehouden. Deze kapel is een zeer oud, tufstenen gebouw. Sommigen menen zelfs dat het een oude tempel van de Romeinen is geweest, maar daar kan of wil ik niets over zeggen. De hervormden zouden bovendien nog enige tijd hun diensten in de grote kerk mogen vieren, totdat de kapel in orde was gebracht. Maar de roomsen hielden zich niet aan dat deel van de afspraak. Ze pakten de kerk af voordat de kapel klaar was en belemmerden op die manier de hervormden enige tijd in de uitoefening van hun eredienst.

Ergerlijk, ja zelfs verwerpelijk is hij, die eens gemaakte afspraken niet als heilig eerbiedigt!

Toen ik in Oirschot was en daar een dag of drie moest blijven (het was te ver om op één dag een uitstapje te maken van Bladel naar Oirschot en terug), wandelde ik een keer naar Best, dat, terwijl het één uur gaans van Oirschot ligt, toch gerechtelijk onder dat dorp valt. In Best wonen veel klompenmakers, die met hun “holblokken” of klompen een bloeiende handel met Holland drijven. De bebouwing van dit dorp ligt zeer verspreid, niet ver van de steenweg tussen ’s Bosch en Eindhoven. Je treft hier langs deze weg een herberg aan die aan het Rijk toebehoort en gewoonlijk de Bestsche Barrière wordt genoemd. Daar moeten alle rijtuigen tol betalen, maar een voetganger is daarvan vrijgesteld.

Ook in dit dorp hebben de roomsen tegenwoordig de grote kerk in handen. Het is de eerste kerk die in de Meierij door de roomsen is overgenomen. Zodra de Fransen in 1794 in ’s Hertogenbosch waren, bewoog de priester (een zeer vijandige en domme kerel) hier hemel en aarde om die kerk in zijn macht te krijgen en dat is hem gelukt. Er stroomde een menigte mensen toe vanuit allerlei plaatsen, zelfs vanuit Den Bosch, toen die priester er voor de eerste keer een mis in opdroeg.

donderdag 15 november 2012

Het lot van bekeerlingen

Vijfde brief, deel 4

Mijn vriend! Ik mag niet vergeten hieraan het volgende toe te voegen. In het jaar 1798 keerde de molenaar van Hoogeloon zich af van de roomse godsdienst en ging over tot die van de hervormden. Waarschijnlijk deed hij deze stap uit overtuiging en geenszins uit eigenbelang, want hij was een man, ook volgens getuigenis van de roomsen zelf, op wiens gedrag niets aan te merken viel. Hij was bovendien behoorlijk gefortuneerd en hij heeft alles achtergelaten, omdat hij zich niet meer veilig voelde in de Meierij. Als ik het goed heb onthouden, leeft hij nu als molenaarsknecht in Overijssel.

Hoezeer zouden de hervormden zich hierop kunnen beroemen, als zij net zoveel prijs zouden stellen op het maken van bekeerlingen als de roomsen doen. Een braaf man verlaat alles: zijn moeder, broeders en zusters, in één woord, alles wat hij bezit; stelt zich bloot aan haat en vervolging en omhelst de leer van een kerk die op dit moment volledig in de verdrukking zit. Wat een hemelsbreed verschil tussen deze overgang en die van de beruchte Frans Voorhout in Alkmaar!* Zou pastoor P. Schouten wel zoveel drukte hebben gemaakt, en zoveel water vuil, als dit geval aan hem en anderen bekend zou zijn geweest? Vast en zeker niet! Het verschil is te groot.

Vessem is evenmin een mooi dorp. Men treft er slechts een middelmatige kerk aan en een hoge spits op de toren daarvan. Hier hebben tegenwoordig de roomsen de kerk van de hervormden in bezit, maar die laatsten vieren nu hun diensten in de kerk van de eersten. Dat komt op mij behoorlijk broederlijk over en zeker moet zo’n manier van doen jouw goedkeuring meer wegdragen dan die in andere dorpen.

Wintelre en Oostelbeers zijn niet veel bijzonders. Hier dacht ik deze brief te besluiten, maar het regenachtige weer weerhoudt me om nu naar buiten te gaan. Ik zal dus maar doorschrijven en daarom nu iets zeggen over Oirschot, hoewel ik je vorig jaar al enigszins heb laten kennismaken met dit dorp. De kerk is heel mooi, vooral de toren. Die komt, zowel in vorm als in stijl, heel erg overeen met de Grote Kerk in Rotterdam. De kerk van dit dorp is tegenwoordig ook in handen van de roomsgezinden, die hierin trouwens erg min hebben gehandeld.

*) Dat gebeurde op 10 september 1797. Lees het hele verhaal

dinsdag 13 november 2012

Heiligen en hun taakjes en wat Romeinse geschiedenis


Vijfde brief, deel 3

Tijdens mijn verblijf van enige dagen in Hilvarenbeek wandelde ik nu eens hierheen dan weer daarheen en bezocht bij gelegenheid ook een keer Diessen, dat aan de Nemer ligt. Dat dorp valt eigenlijk onder de eerstgenoemde plaats. Er is een grote kerk met een fraaie, spitse toren. De kerk is aan St.-Willibrord gewijd. Iedere kerk in de Meierij is aan een bijzondere heilige gewijd. Maar niet alleen dat, ook moet ieder dorp, elke schutterij, iedere persoon een patroonheilige hebben. Dat is immers goed? Zo hebben de heiligen wat te doen, want iedere sint moet nu behoeden, beschermen en beveiligen wat aan hem is toevertrouwd. Ieder heeft zo zijn werk, anders zou hij maar lanterfanten en dat kan toch niet. Hoe verstandig is dit dus allemaal verzonnen!!

Ook het internet heeft een beschermheilige, Isidorus
Hilvarenbeek vaarwel zeggende, ging ik via Lage Mierde, Hoge Mierde, Hulsel en Reusel, dat vanouds Rosole geheten zou hebben, naar Bladel. Ik koos die omweg om eens een keer die dorpjes te kunnen bekijken, maar ik trof er niets van belang aan.

Ik word slaperig, een sein om de pen neer te leggen en naar bed te gaan. Het wordt tijd ook, want het is bijna middernacht. Daar ligt de pen! Ik ga slapen!

Vervolg

Ik zal je verder niets over Bladel vertellen, behalve dat ik hier nu al een paar dagen ben en van hieruit een flinke uitstap heb gemaakt via Hapert, Hoogeloon, Casteren, Wintelre en Oostelbeers naar Oirschot. Nu iets over deze dorpen.

Hapert ligt aan de Beerze, heeft een kleine kerk en een watermolen op genoemd riviertje. Hoogeloon heeft de nieuwsgierige wandelaar niets bijzonders te bieden en in Casteren zie je een vervallen kerk. Dat is alles, behalve dat de overlevering over deze drie dorpjes het volgende te melden heeft: de eerste Romeinse keizer, Julius Caesar, zou met zijn troepen tot de eerste plaats zijn opgetrokken, toen hij in de Meierij was. Hier ontstond toen een opstand onder de manschappen, zodat het begon te haperen, en men noemde dit dorp Hapert. Om zijn leger tot bedaren te brengen, moest hij hun soldij of loon verhogen. Intussen was hij verder opgerukt tot Hoogeloon, dat daaraan dus zijn naam ontleend zou hebben. Toen alles ten slotte weer bedaard was, sloeg hij zijn kamp op in Casteren, dat dus afgeleid is van het Latijnse woord castra, dat legerplaats betekent. Wat vind je van dit verhaal? Is het niet een stuk leuker dan waarschijnlijk?

donderdag 23 februari 2012

Opnieuw bijgeloof tussen Oirschot en Moergestel

Zestiende brief, deel 3

De weg die ik moest begaan, was behoorlijk eenzaam. Slechts een enkele man uit Oirschot die ook naar Moergestel ging, volgde dezelfde route als ik. Ik sprak met hem en leidde ons gesprek naar die onderwerpen waarover ik graag wat wilde weten. Hij bevredigde gedeeltelijk mijn nieuwsgierigheid door mij te vertellen over vele zaken die het bijgeloof betroffen.

Sommige dingen kwamen mij erg bespottelijk voor, anderen weer volledig ongegrond, maar bovenal liet hij zijn haat tegen de protestanten doorschemeren, zodra hij daar maar de geringste aanleiding toe meende te zien.

Ik kwam dus op deze wandeling van Tilburg en terug niets tegen dat ook maar iets opleverde voor jou, behalve dat ik overal blijken van het domste bijgeloof aantrof en van verfoeilijke ontevredenheid, omdat men meende bedrogen te zijn. Want als de wens van de meierijenaars nu sinds een jaar of drie in vervulling was gegaan, dan zou de roomse godsdienst nergens met meer pracht uitgeoefend worden dan door hen. Ja, dan waren alle protestanten in de Meierij inmiddels al uitgeroeid. Hun naam was al lang van de aardbodem verdwenen, en zelfs was er dan een vreselijke banvloek uitgesproken over iedereen die het maar zou durven de naam “geus” uit te spreken.

Laat mij nu jouw brief en de vragen die daarin staan zo goed als ik kan beantwoorden. Ik heb in alle dorpen waar ik geweest ben zoveel mogelijk de denk- en levenswijze van de meierijenaars bestudeerd.

dinsdag 21 februari 2012

Het wonderschone Oirschot

Zestiende brief, deel 2

Nadat ik Bladel verlaten had, wandelde ik door enkele kleine en armzalige dorpjes, waar ik niet stil bleef staan, omdat ik er niets opmerkelijks zag. Deze streek is wel de dorste en armste regio van de Meierij, tenminste zo kwam het mij voor. Na door deze plaatsjes gewandeld te zijn (ik zal je de namen ervan besparen, want daar heb je toch niets aan), kwam ik tenslotte aan in Oirschot.

Daar ontrolde zich een geheel ander toneel. Een prachtig dorp, dat zeer uitgestrekt is, overal beplant met allerlei soorten bomen en houtgewas, wat dus zeer mooie wandeldreven opleverde. Het dorp praalt met een van de mooiste kerken van de Meierij en de toren is, ook zonder spits, de hoogste die men in de Meierij kan vinden. De schoonheid van de architectuur doet evenmin voor weinig andere torens onder.

Het kasteel van dit dorp ligt zeer aangenaam bij het riviertje de Beerze. Men treft er een kapel aan, die men tegenwoordig gebruikt om er op marktdagen boter te wegen. De wandelingen die ik hier maakte, bevielen me uitstekend. Ik zou hier graag langer dan een dag of twee zijn gebleven om alles nauwkeurig te bekijken, maar dat kon niet. Deels omdat de tijd die ik aan mijn reis kon besteden langzaamaan aan het verstrijken was; deels omdat mij ook hier de haat, de dweepzucht en de bijgelovige fantasieën die ik hier moest aanzien en aanhoren, enorm irriteerden.

Ik ging daarom, na een dag of twee hier verbleven te hebben, via het dorp Moergestel weer terug naar het aanzienlijke Tilburg.