Posts tonen met het label Brief 3. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief 3. Alle posts tonen

donderdag 7 april 2011

Mijn laatste dag in Den Bosch

Fort Sint Antonie. Foto: Fortified Places

Derde brief, deel 10

Omdat het me veel te vol was op de Pettelaar (het was net de feestdag van een of andere heilige), wandelde ik verder om eens een behoorlijke tijd in de open lucht te kunnen ademen. Na ruim een uur wandelen kwam ik in Sint-Michielsgestel. Dat is een heel mooi dorp, zeer lieflijk aan de Dommel gelegen. Het heeft een mooie kerk en een fraai afstekende toren. Ook vind je hier zeer veel mooie buitenplaatsen. Sint-Michielsgestel heeft een straatweg. Het is er zeer levendig, omdat het zo dichtbij de stad ligt en zeer velen die vanuit de Meierij op weg zijn naar Den Bosch, hun route via dit dorp kiezen.

Dit dorp, dat een heerlijkheid is, behoort toe aan de Keurvorst van de Palts, die er alle ambtenaren aanstelt, de predikantsplaats te vergeven heeft en als ik me niet vergis ook de post van schoolmeester. Tenminste, zo was het altijd.

Buiten de Vughterpoort, op ongeveer één kwartier van de stad, lag ooit het dorpje Reut, tegenwoordig het Fort Isabel. Dit fort is vrij groot en wordt bewoond. Er staat een kleine, hervormde koepelkerk. Voorheen hield een vaste predikant daar iedere zondag de dienst, maar dat is sinds enkele jaren opgehouden. Iets dichter bij de stad, aan je rechterhand als je naar het centrum terugkeert, ligt de Schans St. Antonie. In de verte, aan de linkerzijde, een half uurtje lopen vanaf de Sint Janspoort, zie je het kleine dorpje, of liever de buurtschap Deuteren, dat slechts uit enkele kleine huizen bestaat.

Omdat ik het nu over de Sint Janspoort heb, moet ik je, als in het voorbijgaan, zeggen dat men mij vertelde dat vanouds op deze poort twee Latijnse versregels stonden, waarin men Johannes de Doper om bescherming van haard, altaar en burgers smeekte:

Hanc porsam, civesque tuos, arasque, focosque
Custodi dilecte Deo, Patrone Joannes
[Bescherm, Godbeminde patroon Johannes, deze poort, uw burgers, altaren en haarden!]

Dit was een lange brief voor je. Je ziet dat ik mijn tijd hier niet verbeuzeld heb. Ik zal deze plaats nu snel verlaten, want het begint me hier tegen te staan. Morgen - ik verheug me al op voorhand - morgen ga ik, zodra de poorten opengaan, de stad uit. Zodra ik ergens terecht gekomen ben, waar ik enige dagen denk te blijven, kun je weer een brief van me verwachten. Ik ben onveranderlijk geheel je

Vriend.

dinsdag 5 april 2011

Buiten de stad

Herberg De Pettelaar
Foto: collectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch, inv.nr. 9908

Derde brief, deel 9

Af en toe heb ik ook een wandeling buiten de stad gemaakt. Ik wil je daarom alles vertellen, wat ik op die wandelingen heb geleerd. Buiten de stad liggen vier dorpen: Orthen, Hintham, Den Dungen en Reut. De inwoners daarvan zijn ook Bossche burgers, die dezelfde privileges als de stadsbewoners genieten. Men noemt deze inwoners daarom “buitenburgers”.

Aan de noordzijde van de stad, buiten de Orthenpoort, ligt Orthen, heel vroeger Ortduinen geheten. Ooit was dit een groot dorp, maar tegenwoordig is het nog maar een kleine buurtschap, doordat het in het jaar 1672 geheel is afgebrand. Dit dorp is veel ouder dan Den Bosch, want die stad noemde men in vroeger tijden in het Latijn Civitas de Ortduno, ofwel Nova civitas apud Ortdunum [de (nieuwe) stad bij Orthen]. Tussen dit dorpje en de stad ligt de Orthenschans. De Bosschenaren gaan vaak naar Orthen om een luchtje te scheppen, omdat het maar een kwartier lopen van de stad afligt.

Vanuit Orthen wandelde ik naar Hintham, ten oosten van Den Bosch gelegen. Het omvat maar een paar huizen. Vroeger was hier een pesthuis, maar dat is door de oorlog geheel vernietigd. Buiten de Kleine Hekel, wat verder oostwaarts dan Hintham, ligt Den Dungen, een welvarend en vruchtbaar dorp. De kerk en de kerktoren zijn zeer sierlijk gebouwd en gesticht in 1569. De inwoners van deze plaats brengen dagelijks veel groente, fruit en vruchten van de moestuin naar Den Bosch, meestal op hun rug. De afstand naar Den Bosch is maar een klein uurtje. In Den Dungen worden zeer veel kinderen uit andere dorpen gedoopt, omdat ze dan worden aangemerkt als geboren Bosschenaren en dus alle voorrechten daarvan genieten.

Aan de zuidkant van de stad, buiten de Grote Hekel, lag vroeger een schans, de Pettelaarse Schans geheten. Die is nu echter met de grond gelijk gemaakt. Iets voorbij de plek waar die schans heeft gelegen, staat een herberg, die nog steeds De Pettelaar heet. Daar wandelen op zon- en feestdagen veel Bosschenaren naar toe, maar dan wel die van het laagste allooi, die hier dan op hun manier behoorlijk vrolijk zijn. In de buurt van deze herberg zijn ook aangename wandelwegen, die echter, althans zo leek het mij, weinig gebruikt worden.

donderdag 31 maart 2011

Bossche pronk- en roddelzucht

Foto: collectie Stadsarchief 's-Hertogenbosch, inv.nr. 23457

Derde brief, deel 8

In ’s-Hertogenbosch heerst zeer veel pracht en de kleding is, in het bijzonder onder het vrouwelijk geslacht en vooral bij de Roomsen, uiterst pronkzuchtig. De zeden zijn hier over het algemeen zeer slecht en geweldig bedorven. De gezelschappen zijn niet geschikt voor iemand die nadenkt, die beter en wijzer wil worden. In het algemeen wordt er over andere mensen geroddeld. Maar ik moet ook toegeven dat je er heus wel gezelschappen kan aantreffen, waar dat niet gebeurt. Die zijn echter zeldzaam en bestaan dan altijd voor het grootste deel uit bejaarden. Onder de protestanten tref je de beste gezelschappen aan.

Op mooie avonden is heel Den Bosch buitenshuis. Men is op straat, iedereen staat dan tot een uur of tien, elf voor zijn deur en babbelt met zijn buren. Dan worden anderen flink over de hekel gehaald, en al wie toevallig langskomt - en dat hoort ook zo, want wat doet zo iemand op straat? - wordt eens stevig onder de loep genomen. In één woord: kwaadsprekerij en bemoeizucht zijn de onafscheidelijke karaktertrekken van de Bosschenaren.

Het spijt mij, vriend, dat ik je zo’n zwart portret van de bewoners van Den Bosch moet schetsen, maar ik mag nu eenmaal de waarheid geen geweld aandoen. Tegelijkertijd staat het eveneens vast dat er ook brave mensen gevonden worden, die men dit alles niet mag of kan verwijten.  In het koffiehuis en andere herbergen wordt altijd, en vooral ’s avonds, gespeeld. Dan zijn de kaarten een alleraangenaamste tijdpassering voor de Bosschenaren. Er moet dan ook, en dat spreekt vanzelf, een glaasje geleegd worden. O wat een rampzalig tijdverdrijf: spelen en drinken! Moet of mag men op zo’n manier de kostbare tijd kapot slaan die nooit meer terugkomt, als hij eenmaal is voorbijgesneld?!

Je zult dus wel begrijpen, hoe vervelend ik het koffiehuis vond, want er wordt geen enkel verstandig gesprek gevoerd. Ik heb nu en dan ook andere herbergen bezocht (ik moest natuurlijk alles onderzoeken). Daar trof ik mensen van een lagere sociale status en minder opvoeding, en dus was het daar logischerwijze nog veel erger. Maar ook hier vormen kaarten en drinken de enige geliefde bezigheid.

dinsdag 29 maart 2011

Roomse eerzucht

Derde brief, deel 7

Onder de Roomsen, die hier veruit in de meerderheid zijn, heerst veel onverdraagzaamheid en wrok. Ofschoon het ook waar is dat er onder hen, vooral onder de voornaamsten, heus enkelen zijn die dit afkeuren. Maar zoveel is zeker, dat velen van dit kerkgenootschap het met schele ogen van afgunst aanzien dat de Hervormden nog steeds de Grote Kerk in bezit hebben. En geen wonder ook! Men taxeert deze kerk wat de waarde van het interieur betreft al op een half miljoen.

Maar dat geld telt eigenlijk nog het minste, want de kerk is een bisschoppelijke en dus sacrale kerk en dat doet er voor een domme Roomse alles toe. Wat zou men er niet voor over hebben om zo’n heilig kerkgebouw maar in bezit te krijgen. Het Opperwezen (althans zo denkt het domme bijgeloof) schept nu eenmaal meer behagen in een gewijde dan in een ongewijde kerk. Of zouden de béélden meer zin hebben in een heilige kerk? Dat moet wel, want God zelf kan overal, en wil ook overal, in geest en waarheid gediend worden. Maar genoeg hierover!

Ik meld je dit alleen, mijn vriend, opdat je zou zien, hoe dwaas en dweepzuchtig bijgeloof denkt en hoe schaamteloos het zijn gedachten naar buiten brengt. Hier schiet mij trouwens iets te binnen, dat ik niet mag en moet vergeten te melden. Luister daarom met allebei je oren aandachtig naar het verhaal, zoals het gebeurd is.

Een zekere juffrouw in deze stad had gedroomd (anderen zeggen dat zij in haar droom een goddelijke openbaring heeft gehad, of dat het haar op bovennatuurlijke wijze gezegd was), dat in de Grote Kerk spoedig weer een bisschop de H. Mis zou lezen, en dat alles wat de godsdienst betreft, hersteld zou worden naar de situatie van voor 1629. Alle “geuzen” zouden de stad dus moeten verlaten. Haar jongste zoon, die op dat moment inderdaad al voor priester studeerde, zou de eerste bisschop zijn. Zij vertelde dit belangrijke en onfeilbare nieuws aan anderen. Het werd met blijdschap aangehoord, met verrukking geloofd en met vreugde doorverteld, want wie kon daarover zwijgen.

Maar wat loopt het raar, zoals de man zei, en hij had een krab aan een touwtje. Ja, wat gebeurde er? Onze aanstaande bisschop, die noch de gave van onthouding, noch die van kuisheid bezat, bezwangerde een meisje. Hij kon dus geen priester, laat staan bisschop meer worden. Integendeel, hij trouwde met het meisje en alle mooie plannen vielen derhalve in duigen.

De Roomsen die zich er al enorm op verheugd hadden, schaamden zich nu geweldig, maar de Hervormden gaf het ruim de gelegenheid tot spot en hartelijk gelach om de nieuwe “bisschop”.

donderdag 24 maart 2011

Bekende Bosschenaren en aflaten

Derde brief, deel 6

Herman de Ruiter, strijdend ten onder in Slot
Loevenstein (bron: Collectie Gelderland)
Den Bosch mag zich beroemen op de geboorte van de lovenswaardige Hendrik de Wilde, van de geleerden Agilaeus, Macropedius, Van Oudenhoven, Van Heurn en anderen; en van de beroemde portretschilder Gualtherus Geldorp. Ook kan de stad bogen op de vaderlandse held Herman de Ruiter, die als monnik verkleed het kasteel Loevenstein aan de Spanjaarden ontworstelde in december 1570. Toen hij het met de 24 mannen die hij bij zich had, niet langer kon houden tegenover de driehonderd Spanjaarden die Alva op hem had afgestuurd, omdat er al een bres in de muur was geslagen, liet hij zich met al zijn manschappen én zijn tegenstanders de lucht in vliegen door het aansteken van het buskruit.

Een vaderlandse dichter heeft de nagedachtenis van deze held in deze dichtregels vereeuwigd:

“De vrijheid is het eerst in wallen,
Waarop zij noô haar aanschijn wend;
Met bloed gereezen en gevallen,
Door RUITER naauwlijks meer gekend.
Die naam schijnt in uw bloed te smooren,
Maar zal met rijker schitt’ring glooren,
ô RUITER! in een volgende eeuw;
Wanneer de Theemsgod op zijn stranden,
Zijn Vlag in Chattam ziet verbranden
Door dapp’ren Batavier en Zeeuw”

Tegenwoordig tref je in deze stad nog enkele waarlijk geleerde mannen aan, maar voornamelijk onder de protestanten. De Roomsen kunnen zich hier namelijk niet op beroemen, hoogstens op enkele juristen en medici.

Ik mag hier zeker niet stilzwijgend voorbijgaan aan het feit dat men hier in 1664 een boekje gedrukt heeft, dat bepaald tot de categorie van eigenaardige boeken gerekend mag worden. Het is getiteld Taxae Cancellariae Apostolicae, dat is: Schattinge van de Cancellarie en Penitentie-kamer van de Paus te Romen en het gaat over allerlei soorten zonden, met het bedrag waarvoor die kunnen worden afgekocht.

Ik heb één exemplaar gezien, dat als teken van echtheid uit naam van de overheid ondertekend is door de secretaris van de stad in die tijd, J. van der Meulen. In het boekje las ik gruwelijke wandaden beschreven, waarvoor het menselijk hart met beven terugschrikt, maar die desondanks voor een verwaarloosbaar bedrag konden worden afgekocht.

dinsdag 15 maart 2011

Van Parade naar Citadel

De Citadel

Derde brief, deel 5

Aan de zuidkant van de Grote Kerk ligt de Paradeplaats, een mooi vierkant plein, gedeeltelijk met linden omzoomd. Ten zuiden van dit plein ligt het Hervormde Weeshuis, voorheen een klooster van de Cellebroeders. In deze stad is enkele jaren geleden ook een Rooms Weeshuis gesticht.

Onder de openbare gebouwen tref je ook het voormalige Gouvernement aan, een mooi gebouw, dat ooit door de Jezuïeten werd gebruikt. Verder het Commandement, het huis van de bisschop, het Geefhuis, het Groot Gasthuis, het Dolhuis en nog vele andere gasthuizen en vrome gestichten. De Latijnse School is compleet vervallen, waardoor men daarvoor een ander gebouw heeft moeten bestemmen.

Aan de noordkant van de stad ligt vlakbij de haven het fort Papenbril, tegenwoordig het Kasteel (de Citadel) genoemd. Daarvóór ligt een aantrekkelijke vlakte, deels met bomen omzoomd. In 1794 heeft men op deze vlakte, gewoonlijk het Plein genoemd, enige versterkingen opgeworpen om in tijd van nood, als de stad zou zijn ingenomen, deze te kunnen beschieten en zich nog te kunnen verdedigen. Maar ze zijn nergens voor gebruikt en worden thans weer met de grond gelijk gemaakt, ofschoon ze 14.000 gulden hebben gekost. Op de Papenbril heeft men enige jaren geleden een nieuwe gevangenis voor de soldaten gebouwd. Het is een mooi en sterk gebouw, terwijl het oude gebouw, meestal het Geweldiger genoemd, zeer ongezond en bouwvallig was.

’s-Hertogenbosch wordt tegenwoordig door velen Brutus-Bosch genoemd. Men heeft de stad deze naam gegeven, ofschoon men niet weet waarom, of aan welke Brutus die vernoeming is ontleend. Men is hier namelijk over het algemeen zo slecht ingevoerd in de geschiedenis, vooral de Romeinse, dat men niet eens weet dat er meer dan één Brutus is geweest. Ik weet dit uit ondervinding. Ik geloof dat men apart wilde doen. De Fransen noemen deze stad zoals altijd al Bois le Duc, en zijn dus verstandiger.

Vroeger was hier een rederijkerskamer, bekend onder het motto De Vierige Doorn. De plaats waar de rederijkers bijeenkwamen wordt nog steeds de Rhetorijkamer genoemd.

donderdag 10 maart 2011

Een Bossche Griet, zeemeerminnen en eenhoorns

Catalogus Rariteiten- en Kunstkamer

Derde brief, deel 4

Ook op de Markt vind je de Vleeshal, of het Gewandhuis, dat het oudste huis zou zijn van de stad, volgens het verhaal dat mij werd verteld. Maar dit gebouw, en enkele huizen die er aan grenzen, zijn erg gebrekkig en ontsieren de hele Markt, die anders een van de mooiste pleinen van al onze vaderlandse steden zou zijn.

Bij de overgang van Den Bosch naar de Staatse zijde in 1629 hebben de Roomsen de Vleeshal in plaats van de Grote Kerk gekozen, zodat er nu, volgens de toen opgestelde voorwaarde, geen enkele protestantse slager met zijn vlees in mag komen. Daardoor vindt men in Den Bosch, en dat is wel erg uitzonderlijk, geen enkele slager van de hervormde religie.

Achter het stadhuis ligt een groot ijzeren kanon, Boze Griet genaamd, dat als iets heel bijzonders wordt bewaard. Op dat kanon staat een versje, althans dat heeft men mij gezegd, want ik heb het zelf niet gelezen:

“Ben ik geladen met een volle hooren,
Dan schiet ik te Bommel door den tooren;
En ben ik geladen vol en zat,
Dan schiet ik te Bommel door de Stad!”

's-Hertogenbosch en Zaltbommel liggen ruim drie uur gaans van elkaar verwijderd.

In de Vughterstraat vindt men de zogenaamde Binnen- of Oude Vughterpoort. Bovenin is de Rariteiten- en Kunstkamer gevestigd. Ik heb daar een bezoek aan gebracht, maar alles is ellendig verwaarloosd en vervallen, wat jammer is, want er zijn nog enkele verrassende zaken te zien. Ik zag er onder andere een stukje leren geld, waarvoor de Grote Kerk gebouwd is, de maliënkolder van Gerard Abrahams, bijgenaamd Lekkerbeetje, de strijdhamer van keizer Karel en zo voort. Ook liet men mij een van de zilverlingen zien waarvoor Judas de Here Jezus heeft verkocht en nog veel meer.

In 1794 wilde men de complete inboedel van deze Rariteitenkamer verkopen, omdat alles in verval raakt, maar daar is tot nu toe vanwege de tijdsomstandigheden niets van gekomen.

donderdag 3 maart 2011

Meer Sint-Jan en andere Bossche kerken

De Erwtenman
Derde brief, deel 3

Vóór het koor van de Sint-Jan staat een oksaal op marmeren pilaren, waarvoor zeer mooie, marmeren beelden staan. Net als het andere beeldhouwwerk in de kerk hebben deze beelden echter veel geleden van de Beeldenstorm in de zestiende eeuw. Toch ziet men in dit prachtige gebouw voldoende voorbeelden van beeldhouwers, die zoals Martinet ook vermeldt in zijn Waereldhistorie, de duidelijkste bewijzen leveren van de ontucht der geestelijken uit die tijd. Maar de eerbaarheid verbiedt mij die beelden te schetsen, want je oren zouden erdoor gekwetst worden, en mijn hart gruwelt ervan.

Achter het koor ligt een non begraven onder een koperen zerk, of liever onder een koperen plaat. Ze heette Van Oorschot en zou na haar dood wonderbaarlijke genezingen hebben verricht. Deze kerk schittert ook met een zeer groot en mooi orgel.

De kerk werd gesticht aan het eind van de dertiende eeuw. De arbeiders kregen naar men zegt geld van leer, terwijl de opperbouwmeester als dagloon 10 duiten of één braspenning ontving. Het verhaal gaat ook, dat zijn vrouw hem op een middag erwten voorzette, die hij wegschopte, terwijl hij uitriep: “Wat! Ben ik een man die erwten moet eten, terwijl ik iedere dag een braspenning verdien?!” Aan de noordzijde van de kerk - en dat geeft dit verhaal enige waarschijnlijkheid, zo lijkt me - ziet men het beeld van een man, die een pot met zijn voet omschopt, zodat de erwten er uitrollen.

Behalve deze kerk zijn hier nog drie andere kerken: de Franse kerk, vroeger aan Sint Anna toegewijd; de Kruisbroederskerk en de Sinte Geertruidkerk, die ook wel de Haven- of Orthenkerk wordt genoemd. Deze laatste twee zijn tegenwoordig onbruikbaar, omdat ze kort na de inname van de stad door de Fransen als bakkerij en magazijn werden gebruikt.

De Markt is een grote driehoek. Aan de zuidzijde daarvan zie je het stadhuis, een fraai gebouw van gehakte natuursteen en voorzien van een mooie toren en een zeer goed klokkenspel (veel beter dan het carillon van de Grote Kerk). Aan de noordzijde ligt de Hoofdwacht, en in het oosten de Gevangen- of zoals hij vroeger heette, de Leuvensepoort. Tegenwoordig dient die om misdadigers te bewaren. Men zegt dat de cellen er onaangenaam zijn, maar ik had geen zin om deze plaatsen van ellende te gaan bekijken.

dinsdag 1 maart 2011

In de Sint-Jan


Derde brief, deel 2

Laat ik je dan nu iets over de stad zelf vertellen. Het is een mooie en ruime plaats, met vier land- en twee waterpoorten, die men de Grote en de Kleine Hekel noemt, en een haven. Men treft er vele mooie gebouwen aan, maar het prachtigst is de Grote of Sint-Janskerk, in een ver verleden aan Johannes de Doper toegewijd. Het is de grootste en mooiste kerk van het hele land en voor iedere toerist driedubbel de moeite van het bekijken waard. Hier enkele bijzonderheden van het interieur die ik je kort zal schetsen.

Aan de zuidzijde van de kerk, vlakbij de toren, zie je een groot, koperen vat, dat uit één stuk is gegoten. Ook het deksel daarvan is gegoten en piramidevormig van opbouw. Alles is versierd met kleine, gegoten beelden. Dit stuk weegt zeker een paar honderd, misschien wel een paar duizend kilo. Het deksel wordt er met een ijzeren hefarm op- en afgedraaid, omdat het zo ontzaglijk zwaar is. Die hefarm zit in de muur vast. Dit vat, dat men ten onrechte voor een doopvont houdt, heeft in het verleden (volgens het bijgeloof en de overlevering) wonderen verricht. Alle mismaakten, kreupelen, lammen en zo voort die er in gewassen werden, vonden genezing.

Op het voetstuk staan enkele losse, gegoten koperen beelden, elk zo’n anderhalve voet hoog. Ze stellen allemaal een mismaakte voor. Dit zouden beelden zijn van mensen die door dit wonderbaarlijke vat zijn genezen.

Aan de noordzijde, ook bij de toren, zie je een kunstwerk dat het Laatste Oordeel voorstelt. Het wordt door veren of een raderwerk aangedreven: de doden kwamen uit hun graven, engelen bliezen op bazuinen en zo voort. Maar tegenwoordig staat het stil. Men vertelt dat dat komt, doordat men de maker ervan de ogen heeft uitgestoken om te voorkomen dat hij ergens anders nog zo’n kunstig object zou maken. Men zegt dat hij vervolgens één enkel draadje heeft doorgeknipt, waardoor alles zo in de war raakte, dat het nooit meer hersteld kon worden.

In het koor vind je nog de banken van de vroegere kanunniken van de Sint-Jan, versierd met zeer bijzonder beeldhouwwerk. Op het koor staat ook nog een marmeren altaar en het beeld van de laatste bisschop van Den Bosch, G. Masius. Ook zie je er, ter weerszijden van de toegangsdeur, beelden van Luther en Calvijn. Ze zijn enigszins verheven in hout gebeiteld, maar wel allerijselijkst afgebeeld, namelijk in de gedaante van duivels.

dinsdag 22 februari 2011

Een echte vestingstad

De beschieting van 's-Hertogenbosch door de Fransen tijdens het beleg van 1794,
geschilderd rond 1800 door Josephus Augustus Knip

Derde brief, deel 1

Beste vriend,

Deze dag zal ik voor het grootste deel besteden aan een korte beschrijving van de stad ’s-Hertogenbosch. Ik heb de bijzonderheden van de stad al gezien, want het is al weer een paar dagen geleden dat ik hier ben aangekomen. Ik heb nu en dan het koffiehuis bezocht, en andere plaatsen waar de Bosschenaars gewoonlijk bijeenkomen, om me min of meer van hun denk- en levenswijze op de hoogte te stellen.

Den Bosch is, zoals algemeen bekend, een vesting, voorzien van buitenwerken en een mooie omwalling, die frequent bezocht wordt door wandelaars. Vanaf de wal heb je op veel plekken zeer mooie uitzichten op het Bossche Veld en op de nabijgelegen dorpen. De kracht van de vesting ligt voornamelijk hierin dat het omringende land, het Bossche Veld genaamd, zeer laaggelegen is. ’s Winters staat het altijd onder water, en ook ’s zomers gebeurt dat wel eens bij hevige regenval of wanneer de Maas hoog staat en de Dieze daardoor zijn water niet behoorlijk kwijt kan. Dat veroorzaakt dan veel schade aan het gras en de hooiopbrengst.

Je weet dat ’s-Hertogenbosch zich bij de belegering door de Fransen in 1794 schielijk heeft overgegeven. Het beleg duurde slechts drie weken. Toen de Fransen het beleg sloegen, stond er maar heel weinig water rondom de stad, waardoor ze zeer dicht konden naderen. Als de stad het nog een paar dagen extra had kunnen uithouden, dan hadden de belegeraars moeten opbreken, of zich tenminste moeten terugtrekken, want het begon toen hevig te regenen. De loopgraven liepen vol, zodat die binnen de kortste keren onbruikbaar zouden zijn geweest.

De stad zelf heeft bij die belegering weinig geleden. De meeste huizen waren wel een beetje beschadigd, maar er zijn er maar twee afgebrand. Het ene zou men, naar gezegd wordt, nog wel hebben kunnen redden. Immers de brand was van het andere huis daar naartoe overgeslagen. Maar partijzucht en verschil in religie hebben een fatale rol gespeeld. De eigenaar was hervormd, en dat was voldoende om niet echt een behoorlijke inspanning te leveren om dit huis te redden. Maar... ik vertel dit alleen maar zoals ik het heb gehoord.

De verdedigingswerken van de stad mogen dan van de Franse belegering geen schade hebben ondervonden, wél en zeer veel heeft de stad geleden van de daaropvolgende winter, vooral door het hoge water, dat bijna nog nooit zo hoog was geweest. De hele stad, met uitzondering van de Markt en een paar straten, was overstroomd. De inwoners moesten zich in hun bovenvertrekken en op hun zolders in veiligheid brengen en er werd hevig gebrek geleden, vooral door de armen.