Posts tonen met het label Brief 15. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief 15. Alle posts tonen

dinsdag 7 februari 2012

Ideeën voor onderwijsvernieuwing

Vijftiende brief, deel 6

Onze Latijnse scholen kunnen in het algemeen gesproken allemaal wel wat verbetering gebruiken, maar zo slecht als het Latijn in de roomse scholen onderwezen wordt! Dat tart iedere verbeelding.

Mij lijkt - maar ik geef mijn mening graag voor een betere - dat men in onze scholen de leergierigheid wat meer zou mogen prikkelen. Dat kan, naar mijn idee, het best door leuke en voor de jeugd geschikte verhalen, puntige en scherpe gezegden en zo voort van de beste schrijvers te verzamelen en die de jeugd in handen te geven om te vertalen. Op dezelfde manier zou men de jeugd ook de grammaticale regels moeten leren. Kortom: het hele onderwijs zou de jeugd meer moeten vermaken en meer ingericht moeten worden naar het begripsvermogen van de jongeren. Vind je ook niet, lieve vriend?

Ik zal deze brief nu niet langer maken, maar alles opsparen tot ik weer terugkom, want morgen en overmorgen ben ik van plan om een grote excursie te maken naar enkele dorpen in de buurt en verderop. Als ik dan weer hier terug ben, zal de tijd die ik voor mijn reis heb uitgetrokken wel bijna om zijn. Ik kom dan waarschijnlijk weer snel bij je terug, want ik verlang daar inmiddels heel erg naar.

Intussen hoop ik bij mijn terugkomst hier een brief van je te vinden, die mij verzekert dat het jou en de jouwen goed gaat en dat je mij nog niet vergeten bent, maar voortdurend denkt aan je reizende en wandelende

Vriend.

P.S. Als je nog iets over de Meierij of zijn inwoners te vragen hebt, meldt me dat dan. Dan kan ik proberen om bij een of andere deskundige navraag te doen, als er iets in je vragen is, wat ik niet weet.

donderdag 2 februari 2012

De Tilburgers

Vijftiende brief, deel 5

Vervolg
Hoe meer ik Tilburg bekijk en hoe meer ik de inwoners van deze plaats nauwkeurig observeer (ik ben nu al een paar dagen hier en heb mij erop toegelegd om hun denkwijze hierover te doorgronden), hoe meer ik in het gevoel gesterkt wordt dat de kenmerkende eigenschappen van de roomsen, zowel hier als in andere plaatsen van de Meierij, domheid, dweepzucht, bijgeloof en onverdraagzaamheid zijn.

Christian Fürchtegott Gellert
Bron: Hymnografie
De haat van de roomsen tegenover de protestanten is overal geweldig sterk, hoewel de laatsten de eersten niet het minste in de weg leggen, vooral niet in deze tijd. Men mag de roomsen in de Meierij gerust deze mooie dichtregels van de deugdzame Gellert voor ogen houden (want al hun haat komt voort uit het verschil in religieuze gevoelens). Waar hij zegt: Gij! dien den Christen smaad!, zou ik dat op deze manier veranderd willen zien:

Gij die de geus versmaadt! Weet gij iets over zijn leer
dat met de rede strijdt, of God niet strekt tot eer?
Verdient die leer uw haat, verdient ze uw schimp en spot?
Toon ons volmaakter heil en een volmaakter God
dan ons de Schrift laat zien. Kom, toon ons schoner plichten,
meer aansporing ons steeds naar Gods bevel te richten,
meer deugd tot zelfbestuur en nut van ’t algemeen.

Men heeft hier te Tilburg enige tijd geleden een Latijnse school opgericht. Daarop is alles van toepassing wat ik al eerder over de Helmondse school heb gezegd. Je zult dus begrijpen wat een mooi en verheven Latijn er geleerd wordt.

dinsdag 31 januari 2012

Van Gils gevierd in Tilburg

Het onthaal van Antonie van Gils,
zoals opgetekend in een Tilburgs dagboek
Vijftiende brief, deel 4

Eergisteren ben ik hier aangekomen. Ik ben al een keertje door Tilburg heen gelopen. Dit dorp is het grootste van de hele Meierij en ook een van de grootste van onze hele Republiek. Het is als een stad aangelegd: in het midden ligt een groot marktplein. Ook zie je er een mooie kerk en een fraai kasteel. De straten zijn met keien geplaveid.

Tilburg gaat er flink prat op, dat enkele jaren geleden een van de inwoners als primus van de Leuvense Universiteit hier werd ingehaald. Die plechtigheid gebeurde met alle pracht en praal. Hij werd bijna vereerd als een halfgod, als een mens die ver boven de anderen in kunde uitsteekt. Zijn onthaal gebeurde bijna op dezelfde manier als, naar men leest, de oude rederijkers hun intochten in een of andere stad hielden.

Men maakte bij die gelegenheid gebrekkige rijmen, vooral jaarspreuken, want dat zijn de geliefde rijmsels van de Brabanders. Dit is een van de betere die ik gevonden heb, dus je kunt makkelijk beoordelen wat de kwaliteit van de rest was:

eCCe t Is Voorzeker en geVVis
Dat Van gILs prIMUs Is

Wat vind je van dit vers? Men gooit er een Latijns woord in om toch maar het zo gewenste jaartal te bereiken!

Hier weeft men, net als in Geldrop, grote hoeveelheden wollen lakens. De weverijen vormen hier de belangrijkste industrie. De lakens die men vervaardigt, zijn zeer mooi en er worden duizenden ellen van verkocht onder de naam van “Leids laken” (al hebben ze Leiden nooit gezien).

Het wordt tijd dat ik naar bed ga, want het is al laat. Ik laat deze brief verder liggen om hem morgen of wanneer ik tijd heb, verder af te maken.

donderdag 26 januari 2012

Waren alle geuzen maar weg!

Landschap rond Oisterwijk (bron: BHIC)

Vijftiende brief, deel 3

Hij: Ja, ja. Ik wou maar dat we alle geuzen hier kwijt waren. Dat wensen we allemaal. Men heeft het ons wel wijsgemaakt, maar zij zijn nog niet weg. Als de Fransen maar katholiek geweest waren, dan zouden we ze zeker wel weggekregen hebben, maar die waren zelf ook wel meer dan half geus.

Ik: U dacht dus dat de geuzen weggejaagd zouden worden als de Fransen kwamen?

Hij: Jazeker wel! Maar als we geweten hadden dat die verdoemde ketters niet weggejaagd zouden worden en dat we zoveel moeite hadden moeten doen voor de grote kerk, of dat wij geen processies zouden mogen houden, dan zouden wij katholieken niet naar de komst van de Fransen verlangd hebben. Die hadden dan gerust weg mogen blijven.

Dit gesprek begon mij de keel uit te hangen, omdat ik een afkeer voelde voor zo’n bittere godsdiensthaat als deze man uitstraalde. Om van hem af te komen, deed ik dus alsof ik zeer vermoeid was en ging onder een boom zitten alsof ik wat wilde uitrusten. Hij ging verder en ik schreef dit gesprek meteen op om het je zoveel mogelijk woord voor woord te kunnen opsturen.

Hoe is het mogelijk dat men zo kan denken: “een mens is na dit leven ongelukkig, dus kan men hem ook in dit leven ongelukkig maken”.

dinsdag 24 januari 2012

Aan een ketter is niets verloren

Vijftiende brief, deel 2

Hij: De mensen zijn hier heel braaf en doen niemand kwaad, tenzij het een geus is. Er is niets op tegen als men zo iemand eens een loer kan draaien.

Ik: Zijn zij dan niet ook mensen, of bedreigen ze iemand?

Hij: Nee, dat niet. Maar het zijn ketters, die geen religie hebben, en die men daarom niet hoeft te sparen. Want aan een ketter is toch niets verloren; ze zijn immers allemaal verdoemd.

Ik: Dat laatste is wel ongelukkig voor ze. Maar moet je ze dan niet eerder beklagen, omdat deze ketters na dit leven verdoemd zijn, en moet je dan hun leven hier op aarde juist niet zo aangenaam mogelijk maken, in plaats van ze te haten? God zelf tolereert de geuzen en Hij geeft in dit leven alles zowel aan hen als aan de roomsen. Hij maakt dus geen onderscheid. Waarom zouden wij dat dan wel doen? - Maar waarom zijn ze eigenlijk verdoemd?

Hij: Dat zegt onze pastoor. De geuzen zijn geen christenmensen. Zij aanbidden niet Onze Lieve Heer, of Onze Lieve Vrouw of de heiligen. Zij zeggen dat onze religie maar aperij is (God vergeve mij de zonden). Ze zijn nog erger dan de duivel (moge God ons en alle christenen voor hem bewaren), want die heeft tenminste nog schrik voor het teken van het H. Kruis en wij kunnen hém daarmee verjagen, maar een geus of ketter niet.

Ik: Dan zijn ze veel verstandiger dan de duivel en ook niet zo bang, als ze er niets om geven.

donderdag 19 januari 2012

Van Schijndel naar Tilburg

Landschap rond Oisterwijk (bron: BHIC)
Vijftiende brief, deel 1

Waarde vriend!

Toen ik Schijndel verliet, was het een bijzonder mooie dag om te wandelen. Het was niet te warm, vooral niet in het vroege ochtenduur, want er waaide een koel briesje, en de grond was flink bedekt met dauw, die een zeer aangename geur verspreidde. Ik werd heel wat minder snel moe, dan als het vreselijk heet geweest zou zijn.

Het eerste dorp dat ik bereikte, was Boxtel. Ik bleef hier echter niet langer dan nodig was om mij een beetje op te frissen, want ik herinnerde me nog levendig het begin van mijn reis, toen men mij hier zo vreselijk had geïrriteerd met nutteloze vragen.

Vervolgens wandelde ik verder richting Oisterwijk, een aanzienlijke plaats, waarnaar een deel van de Meierij is genoemd, namelijk het Kwartier van Oisterwijk. Hier at ik mijn middagmaal en sliep wat om uit te rusten. Tegen zonsondergang kwam ik in Tilburg aan. Onderweg, tussen Boxtel en Oisterwijk, werd ik door een man ingehaald, met wie ik het volgende gesprek voerde:

Hij: u lijkt hier vreemd te zijn (ik had hem naar de goede weg gevraagd).
Ik: ja, dat is zo.
Hij: wie bent u dan en waar komt u vandaan?
Ik: dat zeg ik noch aan u noch aan iemand anders.
Hij: ik denk niet dat u het niet wilt zeggen, omdat u een slecht mens bent.
Ik: wat dat betreft, hebt u gelijk. Maar ik vertrouw de mensen hier niet.