Posts tonen met het label Tilburg. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Tilburg. Alle posts tonen

donderdag 1 november 2012

Tilburg dwarsboomt joodse handelaars

Weekmarkt in Tilburg, maar dan rond 1959 (bron: collectie RAT, nr. 40687)

Vijfde brief, deel 1

In Tilburg, dat vroeger Drieburg geheten zou hebben naar drie burchten of kastelen, ben ik weer een paar dagen gebleven, maar ik heb er weinig of niets gehoord of gezien dat je aandacht waard is. Ik moet je alleen iets vertellen dat opnieuw een blijk is van de haat van de roomsen tegen belijders van een andere religie.

Eén der jaarmarkten van dit dorp viel dit jaar precies op een zondag. De lokale overheid liet daarop een bekendmaking in de krant zetten, dat die markt de dag tevoren, namelijk op zaterdag, gehouden zou worden. Dat was met de bedoeling dat er geen joden zouden komen met hun koopwaar (vanwege hun sabbat). De joden lieten daarop ook een advertentie zetten dat zij op de maandag aansluitend met hun waren in Tilburg markt zouden houden. Maar de overheid verbood de joodse handelaars om daar met enige handel te verschijnen.

Oh! Hoe hatelijk is het niet als een overheid zo partijdig met de een of andere godsdienst omgaat! Is dit liefde? Mag een overheid zo’n slecht voorbeeld geven en op zo’n manier haat en vervolgzucht (wat is het anders?) verspreiden?

Tilburg werd in 1672 door de Fransen geheel leeggeplunderd. Terwijl ik hier was, ben ik ook eens naar Riel en Goirle gegaan, maar daar trof ik niets opmerkelijks om te bekijken. Ten slotte verliet ik dit Tilburg dat mij met afkeer vervulde vanwege het geval met die joden, en wandelde naar Hilvarenbeek.

dinsdag 30 oktober 2012

Aankomst in Tilburg

De 'Heuvel' in Tilburg, met voor de deur van hotel de Gouden Zwaan
een rijtuig om de gasten van en naar het station te vervoeren (bron: RAT)

Vierde brief, deel 6

Ik: dat is toch vreemd. Hoe kan een volk zo dom, dwaas en blind zijn? Ik twijfel geen moment dat er onder de priesters (de goeden niet te na gesproken) veel liefhebbers zijn van wijntje en Trijntje. Het zou een wonder zijn, als al die mensen die reeds in hun vroege jeugd tot priester werden opgeleid, nu juist tot die soort zouden behoren die geen menselijke zwakheden kennen. Is dat niet zo?

De onbekende: twijfel daar maar geen moment aan! Ik vertel u niet anders dan de waarheid, die ik voor de hele wereld staande wil en kan houden.

Onder dit gesprek waren we in Tilburg nog voor we het beseften. Nadat wij met elkaar een glas wijn gedronken hadden, reed de vriendelijke Onbekende verder naar Breda. Ik bedankte hem voor zijn vriendelijkheid, hij mij voor mijn gezelschap en wenste mij een aangename reis en een prettige wandeling toe. Ik bleef hier. Ik stel me zo voor een paar dagen hier door te brengen, voordat ik verder ga.

Nu mag ik deze brief wel gaan afronden, want hij is naar mij toeschijnt lang en belangrijk genoeg. Je hebt immers al brieven van mij gekregen en je zult er ook nog wel meer krijgen, die bij lange na niet zo van belang waren of zullen zijn als deze. Ik heb me dus voldoende ingespannen om je alles zo op papier over te brengen. Ik leg de pen nu neer om die bij de eerste gelegenheid weer op te nemen, maar eerst schrijf ik hieronder nog dat ik altijd ben:
geheel de jouwe.

donderdag 18 oktober 2012

Gesprek met een onbekende heer

Vierde brief, deel 3

Zodra ik gegeten had, verliet ik de vereerders van Sint Everlijn. Ik spande mijn apostelpaarden in om daarop naar Tilburg te rijden, maar ik was nog niet ver op pad, of ik werd ingehaald door een rijtuig dat met twee paarden was bespannen. Er zat een heer in dat rijtuig, die mij, zodra we elkaar begroet hadden, vroeg of hij mij een plaatsje mocht aanbieden, omdat hij toch ruimte genoeg had. Ik nam dit vriendelijke aanbod meteen aan en ging naast hem zitten. Eerst spraken we over ditjes en datjes, vervolgens vertelde ik hem over het doel van mijn reis. Ten slotte bracht ik het gesprek op de roomse inwoners van de Meierij en er ontspon zich in grote lijnen de volgende discussie tussen ons:

De onbekende: u kunt niet geloven wat een bijgelovigheid, haat en dweepzucht, en domheid zich onder de roomsen voordoet. Ik belijd zelf de hervormde godsdienst, maar hoewel die religie mij de liefde tegenover iedereen leert, kan ik toch geen warme gevoelens meer koesteren voor een roomsgezinde, hoe graag ik ook zou willen. Mijn hele hart komt daartegen in opstand. Als mens moet ik hem vanwege zijn gedrag haten, als christen moet ik hem beklagen.

Ik: dat lijkt me heel goed mogelijk, want u zult er ongetwijfeld goede redenen voor hebben.

De onbekende: zeer zeker! Maar het is niet uit eigenbelang en niet uit speciale opvattingen dat ik daartoe gekomen ben. Ik leef ambteloos en verlang ook niet naar een functie. Als ik zuinig ben, kan ik leven van wat ik bezit, en waarom zou ik dan iets begeren wat niet alleen met zorg en moeite vergezeld gaat, maar nog een ander aspect heeft dat mij tegen de borst stuit. Dat is namelijk dat een hervormde, ook al is hij zo deugdzaam als een engel en zo verstandig als een Salomon, op dit moment in de Meierij geen enkel ambt kan verkrijgen, tenzij hij diep door het stof kruipt, en dat zal ik nooit doen.

Ik: dat prijs ik in u. Een kruiperig karakter vind ik iets afschuwelijks.

dinsdag 16 oktober 2012

Rooms gedoe met heiligen

Beeldje van Sint Ermelindis
(Foto: P.J. Margry)
Vierde brief, deel 2

Zoals ik al zei, verliet ik Oisterwijk in de vroege ochtend en wandelde ik via Heukelom, waar ik niets opmerkelijks zag behalve een watermolen op het riviertje de Lei, naar Moergestel, een dorp aan de Nemer. Hier at ik, om na het middagmaal mijn reis voort te zetten naar Tilburg.

In Moergestel staat een fraaie kerk met toren. Er werd hier vroeger, en zonder enige twijfel ook nu nog, door de roomsen een onbekende heilige vereerd, die je, ook volgens de roomsen zelf, in geen enkele almanak, legende of martelaarsboek zult kunnen vinden. Zijn naam is Everlinus of Everlina, want men weet niet eens of het een man of een vrouw is geweest. Ik zou hem dus liever Sint Onbekend of in het Latijn S. Ignotus noemen, dat klinkt nog wat heiliger. Het gaat de belijders van de roomse religie erom toch maar niemand te vergeten, zoals ook de Atheners dat deden, door aan een Onbekende God wierook toe te zwaaien en voor hem offerdieren te slachten. De Atheners richtten een altaar op voor een hun onbekende godheid en de roomsen vieren het feest van Allerheiligen, dan vergeten zij ook niemand. Wat is wijzer?

Hier moet ik nog aan toevoegen dat je het woord gestel, dat vaker achter de naam van Meierijsche dorpen wordt gevoegd, niet moet uitspreken, zoals iedere Hollander dat vast zou doen als ge-stel, maar als ges-tel. Maar dit terzijde.

donderdag 14 juni 2012

Adieu Meierij!

De Markt te Tilburg, met in het midden de oudste kerk van de stad,
de Heikese of Dionysiuskerk, en met links de ‘Drie Gouden Zwanen’
Aquarel van Jan de Beijer uit 1742

Negentiende brief, deel 10

Als ik mij morgen net zo goed voel als nu, vertrek ik na de middag met de postwagen naar Den Bosch. Die rijdt viermaal per week van Den Bosch naar Breda en weer terug en gaat altijd via Tilburg. Ik durf het namelijk nog niet aan om de route op mijn aangeboren rijtuig af te leggen, omdat ik nog niet helemaal hersteld ben.

Zonder verhindering ben ik dan morgenavond in de genoemde stad en ga ik overmorgen scheep naar jou toe. Den Bosch verveelt mij geweldig, ik blijf er niet langer dan strikt noodzakelijk. En als ik eerder kon vertrekken, dan zou ik nog eerder die stad verlaten, waar zowel domheid, bijgeloof als vervolgzucht heersen.

Ik stuur deze brief meteen weg, zoals hij is. Je zult hem waarschijnlijk snel ontvangen. Hij zal je er niet alleen van verzekeren dat ik weer bijna hersteld ben, maar ook dat ik binnen drie of vier dagen bij je zal zijn - weg, weer en wind dienende en als alles naar mijn vurige wens verloopt.

Je kunt je niet voorstellen hoezeer ik ernaar verlang dit land te verlaten, maar vooral ook om jou weer te zien en je te verzekeren dat mijn reis en mijn lange rondwandeling te midden van een dom, dweepzuchtig, bijgelovig en onverdraagzaam volk niet de minste verandering heeft gebracht in de durende vriendschap van je onveranderlijke

Vriend.

dinsdag 12 juni 2012

Behoudzucht in de Meierij

De Zuid-Willemsvaart ter hoogte van Helmond (foto: RHCe)

Negentiende brief, deel 9

Velen zien er weinig nut in voor ’t algemeen, al geven anderen er juist hoog van op. Nog een derde soort redeneert er als volgt over: “Kanalen zijn goed in een land waar vlijt, ijver en de drang naar verbetering heersen en waar men graag oude vooroordelen vaarwel zegt om op iets beters over te gaan. Maar past dat wel in de Meierij? Onze vaders, grootvaders, overgrootvaders en over-overgrootvaders hebben de kost verdiend zonder kanalen. Waarom zouden wij die dan nodig hebben?

Als men kanalen graaft of rivieren een andere loop laat nemen, zullen vele particuliere personen er schade door lijden, omdat hun landerijen beschadigd of zelfs geheel weggegraven zullen worden. Mag men een algemeen belang behartigen, zonder welk onze voorouders geleefd hebben, als er individuen onder moeten lijden of arm worden?”

Zo denkt men erover, maar het is niet aan mij om een oordeel te vellen over deze redeneringen van de meierijenaars. Mij dunkt echter dat goed ingerichte kanalen die niet een apart deel, maar een geheel district doorsnijden, altijd veel voordeel kunnen geven, op voorwaarde dat het volk van zo’n land open staat voor verbetering en die ook van harte wil toepassen. Maar: hoc opus, hic labor!

donderdag 7 juni 2012

Kanalen door de Meierij


Negentiende brief, deel 8

Hoe kan het anders dan dat het domme bijgeloof, dat alles klakkeloos voor waar aanneemt als het maar in Antwerpen of een andere roomse plaats gedrukt is, door zulke leugenachtige geschriften geweldig tot haat tegen de protestanten wordt aangezet. Immers, men dicht die protestanten onmenselijke daden toe, waarvan zelfs Nero gegruwd zou hebben. Precies daarom is het ook dat een roomse geen pijniging of vervolging te wreed acht voor een geus, namelijk om het hem betaald te zetten wat zijn voorouders (waarvan men stellig overtuigd is) de ware katholieken hebben aangedaan.


Men kan dus over hun ingekankerde haat zeggen wat Jeremias de Decker over Rome’s ouden ijver heeft gedicht:

Waar vind men zoo onmenschelijke stukken,
Zoo woest en onbescheid,
Daar bijgeloovigheid
Des menschen hart niet toe en kan verrukken?

Of men zou de laatste regel hiervan op deze manier mogen lezen, met de vervolgzieke haat van de roomse meierijbewoners in gedachten:

De roomschen in dat land niet toe weet te verrukken.

Men praat hier tegenwoordig ook druk over de kanalen die er door de Meierij aangelegd zullen worden, maar men voegt daar meteen aan toe, dat er geen een landmeter in de hele regio is, die voldoende kennis en kunde heeft om behoorlijk te waterpassen, en dus om vast te stellen langs welk traject men de rivieren die gekanaliseerd zouden moeten worden, het best, het kortst en het goedkoopst zou kunnen verleggen.

donderdag 31 mei 2012

Magische priestermacht


Negentiende brief, deel 6



Alle roomsgezinden in de Meierij verzekeren met stelligheid dat hun priesters de macht bezitten om in het geval er ergens brand ontstaat, de wind van richting te doen veranderen en zo de vlammen naar die kant te laten overslaan waar ze de minste schade kunnen aanrichten of andere huizen aansteken. Dat noemen ze: de wind verzetten.

Ook dichten ze hun priesters het vermogen toe om iemand die hen zou willen aanranden vast en onbeweeglijk op één plaats te laten staan als een standbeeld, net zo lang als het hun goeddunkt. Dit noemt men: stijf maken. Ik heb hiervan vele voorbeelden van horen vertellen en overal bezwoer men dat het de waarheid was.

Bovendien schrijft men de priesters de macht toe om iemand, wie dan ook van hun keuze, onkwetsbaar te maken. Dit wordt door hun bestempeld als hard maken. In één woord: de macht van de priesters is in de gedachten van de meierijenaars weinig minder dan de Almacht. Ik uitte mijn ongeloof hierover tegen een roomse, maar hij zei:

"Zou een gewijde priester, die van een ouwel een levende Christus kan maken, deze dingen niet ook kunnen doen? Wat is moeilijker, volgens u?

dinsdag 29 mei 2012

Nogmaals “Troost der zielen”

Negentiende brief, deel 5

Hij vertrok en liet mij ernstig bij mijzelf over alles nadenken, terwijl ik vol medelijden was vanwege zijn bijgelovige domheid en haat. "Ach, hoeveel domheid", zei ik bij mezelf, "hoeveel haat! Hoe zeer is de eenvoudige godsdienst van Jezus misvormd geraakt! Ach! Wanneer zullen domheid, haat en bijgeloof hier vernietigd worden?..."

Met welk recht verdoemde deze man mij? Waarom werd hij boos op me? Ik had hem niet beledigd. Ik verschilde alleen van mening met hem over de religie en dat was blijkbaar genoeg. Ik moet hier tussen haakjes nog aan toevoegen dat het zojuist genoemde boekje, Troost der zielen etc., iets is dat men voelen en betasten kan. Ofschoon het de meest ongerijmde zaken bevat, en het nog een stuk dwazer is dan de beschrijving die de vroegere heidenen van de onderwereld gaven, is het door de zogenaamde roomse geestelijkheid goedgekeurd en bijna iedere roomsgezinde in de Meierij heeft er een exemplaar van, waarin hij heiliger gelooft dan in het Evangelie. O Tempora! O Mores!

Tweede vervolg
Aangezien ik deze brief niet voor morgen kan versturen, wil ik jou, mijn beminde vriend, nog het een en ander schrijven en je nog wat staaltjes van de bijgelovige denkbeelden die hier onder het volk heersen, met een paar snelle halen schetsen. Ik kan je verzekeren dat ik in de schets die ik je zal geven even weinig van de waarheid af zal wijken als in mijn vorige brieven. Anders zou ik jou misleiden en mijn hart zou mij nooit meer vrijwaren van het knagende zelfverwijt, dat ik mijn vriend had bedrogen.

donderdag 24 mei 2012

Over angst voor de dood en het Vagevuur

Zielen in het Vagevuur

Negentiende brief, deel 4

Hij: Was u niet bang dat u zou sterven? Want de dood is toch iets vreselijks.

Ik: Nee! Want de dood is helemaal niet verschrikkelijk, behalve voor degene die zich hier op aarde aan veel slechts schuldig heeft gemaakt en die geen beter leven te verwachten heeft.

Hij: Alles goed en wel, maar dacht u dan niet aan de verschrikkingen van het Vagevuur?

Ik: Ik ken geen vagevuur; en zou dat bestaan, wat doet het er dan toe, aangezien men toch ooit hieruit zal worden verlost?

Hij: Ik zie wel, dat u een ongelovige ketter bent, want de geuzen geloven niet in het Vagevuur, omdat dat niet in hun valse bijbel staat; ze zullen het nog wel ontdekken, als zij na dit leven verdoemd zijn.

Ik: Ik heb u nog helemaal niet verteld of ik geus of paaps ben. Maar is het vagevuur dan zo erg?

Hij: Ja! De pijn van het Vagevuur is erger dan de pijn van de hel, want de zielen worden er gebraden, in olie gekookt, in stukken gehakt, door serpenten, slangen en padden verscheurd en op nog heel veel andere manieren gemarteld.

Ik: Maar hoe weet u dit? Hebt u gezien, dat zielen een lichaam hebben?

Hij: Zeker zijn de zielen lichamelijk. Ik weet alles uit een boek dat ik bezit en dat Troost der zielen in het Vagevuur heet. Maar dat zul u wel niet geloven, want ik weet zeker dat u zo’n verdoemde geus bent. Goedendag!

dinsdag 22 mei 2012

Een herstelwandeling

Negentiende brief, deel 3

Het verwondert mij dat men deze zerk niet buiten de kerk heeft gesmeten, zoals men op vele plaatsen met zerken heeft gedaan. Te meer daar deze zerk ervan getuigt dat de haat van de roomsen tegen de hervormden in de vorige eeuw al net zo hard woedde als tegenwoordig.

Laat mij de pen neerleggen, want ik voel me duizelig worden. Morgen schrijf ik verder.

Vervolg
Vanochtend kreeg ik je antwoord met een ingesloten cheque overhandigd. Hartelijk dank voor het sturen. Wees gerust, want zo plotseling als de ziekte mij overviel, net zo snel herstel ik. En als het zo doorgaat ben ik binnen een paar dagen weer bij je.

Ik ben deze namiddag een beetje gaan wandelen om eens wat frisse lucht in te ademen. Maar omdat ik vermoeid raakte, ging ik onder een boom wat zitten rusten. Er kwam een tamelijk bejaarde man voorbij, die mij aansprak en mij vroeg wat ik daar deed. Ik zei hem, dat ik niet in orde was geweest, en dat ik hier wat moest uitrusten, omdat mijn krachten nog niet helemaal teruggekeerd waren. Hij leek een orthodoxe roomsgezinde te zijn en het volgende gesprek ontspon zich tussen ons beiden, voor zover ik mij kan herinneren:

donderdag 17 mei 2012

Grafschrift uit Deurne

Een snaphaan

“Als ik sterf”, zo redeneerde ik bij mezelf, “als ik sterf en ik zie mijn vriend hier niet meer, dan zullen wij elkaar toch ooit weerzien, want:

de eigen hand, die hier mijn hart,
hem verpande in vreugd en smart,
drukt hem weder -
de eigen lippen van ’t gevoel
ademen, voor Gods rechterstoel,
vriendschap even teder. - "

Voor ik verder schrijf, wil ik je letterlijk het grafschrift meedelen, dat ik te Deurne heb gekopieerd, maar dat ik niet terug kon vinden, zoals ik je al gemeld heb. Dat grafschrift is gemaakt op de eerste hervormde schepen, die daar op een avond vanwege de religie verraderlijk werd doodgeschoten, zoals blijkt uit het onderstaande vers. Hij werd verwond met een roer (een meierijs woord dat snaphaan [=geweer] betekent). Ik geef het zoals ik het heb gevonden op een hardstenen zerk die voor het koor in de kerk ligt.

Ik had het in mijn aantekenboekje gelegd en omdat ik dat nu weer eens van voor tot achter doorbladerde en herlas om de tijd te verdrijven, vond ik die aantekening tot mijn grote vreugde weer terug. Hier is het:

Om trovhijt voor Godts woordt, om iver voor het recht,
zijn lagen onderweg aen Jacop Govrts gelecht,
Als hij vuijt sijn beroep quam in den avoentstont
een moorder met een roer hem doodelijck heeft gewondt.
Ter eeren sij ghedacht den naam van desen man,
die om Godts woort en ’t recht de doot af wachten kan.

Het randschrift rondom de zerk luidt als volgt:

Hier licht begraven Jacop Govrts van der Horst, in sijnder tijt Schepen der Heerlijchijt Deurne en desselfs dinghbanck, die op den 28 mij in de Heere is ontslapen 1670.

dinsdag 15 mei 2012

Op het randje van de dood

Een sterfbed in 1784
(Gelukkig niet van Stephanus Hanewinckel)
Negentiende brief, deel 1

Waarde S...!

God zij geprezen dat ik weer veel beter ben, mijn lieve vriend, dan ik geweest ben. Ik voel mijn krachten, zij het langzaam, terugkeren. Ik kan nu weer, met tussenpozen, lezen, aan je denken en aan je schrijven. Nadat ik mijn laatste briefje aan jou had verstuurd, werd ik nog veel beroerder. Mijn ziekte verergerde, de koorts kwam sterker terug en ik had voortdurend het idee dat ik je niet maar aan deze zijde van het graf zou terugzien, want alles leek op mijn naderende dood te wijzen.

Niet dat ik beef voor de dood, o nee! Ik heb altijd geprobeerd me met de gedachte aan de dood te verzoenen en hierdoor kwam hij me minder akelig voor. Maar het viel me hard, zeer hard dat ik - als ik dan toch zou moeten sterven - niet een laatste afscheidsgroet op je lippen zou kunnen drukken. Ik troostte mij echter met de gedachte dat de dood ons niet voor eeuwig zou scheiden.

“De dood”, dacht ik met E.M. Post in het Land, “De dood kan vrienden scheiden, maar de vriendschap zelf duurt tot in het andere leven.” En ik herinnerde mij deze mooie regels uit de voortreffelijke Ode van R. Feith over de vriendschap:

Vriendschap die de dood doorwaad,
Kan zich, schoon het heelal vergaat,
Veilig achten -
Vriendschap, aan de deugd gepaard,
Kan, op ’t rookend puin der aerd,
Ed’ler waereld wachten.

donderdag 10 mei 2012

Geveld door ziekte!

Achttiende brief

Allerbeste vriend!

Ach! Hoezeer ben ik in mijn verwachtingen teleurgesteld, mijn vriend! Ik dacht vandaag mijn reis naar Den Bosch voort te zetten, om dan morgen vandaar per schip naar jou te reizen. Maar kort nadat ik mijn vorige brief aan je had verstuurd, werd ik onwel. Dat was misschien veroorzaakt doordat ik mij tijdens mijn wandeling naar Hilvarenbeek en zo voort wat al te zeer vermoeid had. Ik kreeg nog diezelfde avond een hoge koorts, vergezeld van hevige hoofdpijn, die ik de hele nacht bleef houden, waardoor ik ernstig verzwakt werd.

Ik zit deze brief in mijn bed te schrijven, want ik voel me nog helemaal niet beter, behalve dan dat ik nu geen koorts meer heb. Wees intussen gerust: mijn ziekte is naar alle waarschijnlijkheid niet dodelijk, tenzij er onvoorziene toevallen bij zouden komen. Maar zodra ik mij slechter begin te voelen, zal ik meteen schrijven of laten schrijven. Denk intussen maar dat geen bericht, goed bericht is.

Ik zal me vandaag stilletjes in bed houden en dus de raad opvolgen van de grote Celsus, die wij al als kinderen in onze syntaxis leerden, en kijken of stilte en rust mij weer op de been kunnen brengen. Hij zegt immers:

Multi magni morbi curantur abstinentia et quieta
[Veel zware ziekten worden genezen door onthouding en rust]

Ik moet ophouden, want alles schemert mij voor de ogen. Stuur mij per ommegaande een kleine cheque, want als ik nog een paar dagen hier moet blijven, zal het beetje geld dat ik nog overheb, snel verdampt zijn.

Ik ben enz.

donderdag 3 mei 2012

Op naar huis!

Zeventiende brief, deel 7

Ik heb u alles naar waarheid gerapporteerd, zo onpartijdig als mij mogelijk was. Toch zul je in mijn brieven zaken gevonden hebben, die iedere andere lezer als scherp en partijdig zouden toeschijnen, maar jij kent mijn hart. Je weet hoezeer dat gruwt van alle partijzucht, maar je weet ook dat ik als vriend van de waarheid geen slechte zaken voor je verborgen kon of wilde houden.

Hoe graag zou ik je niet een positieve indruk gegeven hebben van de meierijenaars, maar de waarheid verhinderde mij dat. Betreur dan met mij de ongelukkige inwoners en vooral de hervormden onder hen, dit is alles wat wij er nu aan kunnen doen. Als wij elkaar spreken, zal ik je over een en ander nog meer vertellen, als de tijd en mijn bezigheden die alweer op mij wachten, dat tenminste toelaten. Anders zal ik je schrijven in de lege ogenblikken die mij nog overblijven.

Binnen een dag of vier hoop ik jr te zien. Overmorgen wandel ik van hier via Udenhout en Helvoirt naar De Bosch, om mij dan de volgende dag in te schepen. Als de wind gunstig is, ben ik snel bij je. O! Hoe verlang ik al naar het moment, waarop ik jou, mijn vriend, aan mijn hart kan drukken. Ik tel de uren al af die mij na zo’n lange afwezigheid weer bij jou zullen brengen.

Als u deze brief ontvangt, hoop ik niet ver meer van je vandaan te zijn. Hij zal je verzekeren dat je binnenkort een kus van de heiligste vriendschap zult ontvangen van je onveranderlijke en getrouwe

Vriend.

donderdag 26 april 2012

Meijerijse woordenschat

Tekening door C. Schindler van Beugen, te vinden in de collectie Hanewinckel

Zeventiende brief, deel 6

De Meierij levert mooie panorama’s op en de tekenpen zou hier veel werk kunnen vinden, wanneer men die vergezichten (zoals ik je hierbij enkele tekeningen stuur) in druk zou willen uitgeven. Ik heb een paar kerken en kastelen in druk gezien, maar die zijn niet te vergelijken met de panorama’s die de dorpen en vooral de natuur bieden.

Tenslotte geef ik u hier nog een paar oude woorden die in de Meierij in gebruik zijn:

gaderen - verzamelen
hoeven - behoeven
goor - moerassig
schoer - regenbui
door - gek
weet - kennis
wareit - waarheid
licht - misschien
insteker - kwaadspreker
doe - toen
deder - deed er
broed - broedsel

Waarschijnlijk worden in deze streken nog veel meer oude woorden gebruikt die mij ofwel ontschoten zijn, ofwel die ik nog niet heb opgemerkt.

Dit is nu mijn laatste brief, lieve vriend. Ik heb mijn reis gedeeltelijk met genoegen, maar nog meer met verdriet volbracht. Ik beklaag in mijn hart de protestanten en vooral hun leraren, die zich hier bevinden. Ik betreur met bloedend hart het bijgeloof, de haat, de dweepzucht en de domheid der meierijenaars en wens niets vuriger dan dat eens de ware verlichting hen allemaal moge bestralen en dat liefde en verdraagzaamheid hen moge bezielen.

dinsdag 24 april 2012

Meer verdraagzaamheid, meer liefde


Zeventiende brief, deel 5

Wanneer er in de Meierij minder bijgeloof en meer verdraagzaamheid, minder dweepzucht en meer scherpzinnigheid, minder haat en meer liefde ten opzichte van andersdenkende religieuze overtuigingen zou heersen onder de roomsen, dan zou dit land zeer aangenaam zijn om te wonen. Maar de huidige toestand maakt het leven voor een protestant hier geweldig zuur.

De grote vraag is hier hoe men al die bijgelovigheden, die haat en dweepzucht zou moeten uitroeien. Mij lijkt (maar ik werp dat alleen maar op als denkbeeld en niet als iets zekers), dat men hier veel aan zou kunnen bijdragen als men het bijgeloof zou proberen te verminderen. Als men voor de kerkgebouwen andere regelingen had getroffen en eenieder in het rustige bezit van het zijne had gelaten; of ook als men nu zou verordonneren dat alle heiligen uit de kerken zouden moeten worden verwijderd, als zijnde strijdig met het ideaal van gelijkheid.

Want als men zerken, waarop niets anders dan de naam van de overledene stond, uit de kerken heeft gesmeten, zoals dat op sommige plaatsen is gebeurd, omdat ze strijdig zouden zijn met de gelijkheid, (maar eigenlijk omdat ze aan hervormden toebehoorden), dan zouden er ook geen beelden van heiligen in de kerken mogen pronken, laat staan aanbeden worden, want zij waren toch ook maar gewoon mensen.

donderdag 19 april 2012

Spoken en ander bijgeloof

Ingang van het kerkhof aan de Bredaseweg in Tilburg, 1892
Bron: Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed

Zeventiende brief, deel 4

Vaak heb ik in mijzelf moeten lachen als ik zag dat ze nooit een stuk van een nieuw brood afsneden zonder er met het mes een kruis op te maken, waarschijnlijk om het brood te zegenen. Alles moet bekruist en gezegend worden, anders is het niet goed. Het bijgeloof is in dit opzicht onbeschrijflijk groot.

Het bijgeloof en de angst voor spoken, heksen, weerwolven, tovenarijen en dergelijke is ongelooflijk sterk in de Meierij. Er is geen dorp of er vertoont zich wel, volgens de inwoners dan, een of ander spook, dat men over het algemeen een grouwel noemt. Maar het bijgeloof van de roomsen is vooral onuitsprekelijk groot met betrekking tot het kerkhof.

Zij zullen nooit ’s avonds over het kerkhof gaan, tenzij dat absoluut noodzakelijk is. En dan nog bekruisen ze zich van te voren. Want hier is het dat de geesten en spoken, vooral ’s nachts om twaalf uur, zich vrijelijk verzamelen. Wat men hier ook tegenin brengt, niets kan hen van dit dwaze idee afbrengen.

Als men denkt dat een zieke zal gaan sterven, roept men alle buren bijeen om voor de zieltogende lijder een rozenkrans te bidden, dat is enkele Onzevaders en Weesgegroetjes. Is dit gedaan, dan gaat ieder weer naar huis. Tijdens het sterven geeft men de zieke een gewijde, brandende kaars in de hand: dit bevordert een zachte dood. Zodra hij gestorven is, sluit men de vensters, zet een brandende lamp bij het lijk en waakt er ’s nachts bij. Ook bidt men dan voor de zielerust van de overledene.

Zodra hij is gestorven, luidt men ook meteen de klok voor de dode. Dit verdrijft de duivel en degenen die het horen, kunnen dan voor de ziel van de overledene bidden. Bij de begrafenis legt men de lijken altijd in oost-westelijke richting in het graf. Als dit eenmaal gebeurd is, gaat de hele lijkstoet een paar keer al biddende rond het graf en als men dan vertrekt, maakt men er een lichte buiging voor.

dinsdag 17 april 2012

Broederschappen en amuletten

Zeventiende brief, deel 3

Bijna elke roomse man of vrouw behoort tot een soort genootschap dat is toegewijd aan een of andere heilige. Men is hierdoor verplicht om eens per jaar op een bepaalde dag een uur lang te bidden voor die heilige, liefst in de kerk als dat kan. Uur en dag staan vast en moeten ook stipt worden nageleefd, zoals ik heb gezien op een gedrukt blaadje papier. Hierop is alles wat men moet doen en alle profijt dat daaruit voortvloeit, vastgelegd. Op zo’n blaadje wordt de naam van de persoon ingevuld en het wordt als teken van echtheid door de priester ondertekend.

Dit is iets wat bijna niemand van de hervormden weet die over de roomse religie hebben geschreven. Ik heb het tenminste nog bij geen enkele schrijver aangetroffen. Van Emdre, die nog onlangs over de geloofsrichtingen in ons vaderland heeft geschreven, wist er ook niets van, anders had hij het zeker wel genoemd.

Op de muren van de meeste huizen ziet men grote, witte kruisen staan, met kalk gewit. Ook ziet men wel kleine houten kruisen bovenop de daken staan. Dat is ter bescherming van de huizen tegen de duivel en alle kwaad. Ieder vrouwspersoon draagt een gouden of zilveren kruisje om de nek. Deels dient het als sieraad, maar deels ook als bescherming tegen tovenarij, bezweringen etc. Dat komt dus helemaal overeen met de praebia van de oude Romeinen.

donderdag 12 april 2012

Kermis!

Koningsschieten in Maashees
Bron: fotostudio Jan Waarma/collectie BHIC, inv.nr. GLD07171

Zeventiende brief, deel 2

In ieder dorp is het één keer per jaar kermis en dan is alles (ik heb hier en daar een meierijse boerenkermis meegemaakt) in beweging en vrolijk. Men zit dan de hele dag in de herberg en drinkt tot men er bij neervalt. De ongetrouwden, zowel mannen als vrouwen, dansen op de klanken van een viool, die op rampzalige manier bespeeld wordt. Het dansen is beklagenswaardig. Men zingt dan ook vaak met een dronken strot en dat geluid is om gek van te worden. Ik heb in de hele Meierij, waar ik ook geweest ben, nog niemand gevonden die goed kan zingen. De meierijenaars schijnen hier niet voor gemaakt te zijn.

In de herbergen vrijt men tijdens de kermis ook bij het leven, maar dat gebeurt vaak met een dronken kop en dus behoorlijk zedeloos. Ik zal hier geen ander woord gebruiken. Genoeg! Je begrijpt me wel.

Men schiet bij zo’n gelegenheid ook op een houten vogel of papegaai op een hoge staak (men noemt dat hier een schutsboom). Hij die de vogel eraf schiet, is koning en wordt als teken van waardigheid omhangen met een serie zilveren schilden. Zijne Boerenmajesteit moet voor deze eer als geschenk er ook zo’n schildje aan hangen, met zijn naam erin gegraveerd.