Veertiende brief, deel 1
Beste vriend!
Over Veghel zal ik je nu niets anders zeggen, dan dat men aldaar ook hevig aan het stoken is om de hervormde kerk in eigendom en bezit van de roomsen te krijgen. Nadat ik dit dorp had verlaten, wandelde ik naar Dinther. Onderweg trof ik een priester die met mij dezelfde route volgde, om, zoals hij mij vervolgens zei, via Dinther naar Den Bosch te gaan. Onder het lopen las hij in zijn Breviarium of getijdenboek. Nadat we elkaar gegroet hadden, stak hij dat in zijn zak.
Ik verheugde me erop, dat ik nu eens met een priester zou kunnen spreken. We hadden het eerst, zoals dat gewoonlijk gaat, over het mooie weer en de lange dagen. Ten slotte werd onze conversatie van meer gewicht en ons gesprek kwam nu op de kerkgebouwen.
Priester: ik kan noch zal het ooit goedkeuren dat de onzen de hervormden hun kerk ontnemen. We hebben overal heel goede kerkgebouwen, beter zelfs dan die van de andere gezindten.
Ik: dat laatste is zo. Maar zouden er niet priesters achter zitten die het volk ophitsen om de grote kerken te willen overnemen? Mij schijnt het tenminste toe, dat ze veel zouden kunnen doen om hun parochianen op dit punt te kalmeren.
Priester: in veel dorpen hebben de priesters minder te zeggen dan u denkt. Het is waar dat er een paar zijn die zich hier sterk mee hebben bemoeid, zoals bijvoorbeeld in Deurne, Best, Woensel en Tongelre. Maar veruit de meesten veroordelen het gedrag van onze geloofsgenoten krachtig, al kunnen ze niet alles afdwingen. We hebben sinds een aantal jaren niet meer zoveel invloed op onze parochies als u wel denkt.
Ik: dat laatste mag dan heel goed waar zijn, maar ik geloof (en men zegt het ook), dat vele priesters heimelijk het volk opruien, omdat ze het graag zo zouden zien, maar zichzelf verder om bepaalde redenen op de achtergrond houden.
Priester: ik spreek dat niet tegen als het om een enkeling gaat, maar het gaat niet op voor iedereen. Ik kan u op mijn priesterlijke woord verzekeren dat er velen met mij zijn die geen bijzondere heiligheid in een grote kerk zien. Ik hou mij aan het gezegde in de H. Schrift, in het evangelie van Johannes, dat God overal gediend kan worden, in de geest en in waardigheid.
Posts tonen met het label Deurne. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Deurne. Alle posts tonen
dinsdag 19 maart 2013
Een interessant gesprek
Meer lezen:
Best,
Brief 14 (reis 2),
Brieven (reis 2),
Deurne,
Dinther,
Reis 2,
Tongelre,
Veghel,
Woensel
donderdag 7 februari 2013
Katholiek taalgebruik
![]() |
| Een in 1624 al gemaakte kaart in verband met de herverdeling van de Peel tussen verschillende dorpen (bron: RHCe, nr. 0120428) |
Elfde brief, deel 1
Waarde S...!
Met een opgeruimd hart en een vrolijk gemoed verliet ik in de vroege ochtend Deurne. De lange, rechte weg tussen dat dorp en dit stadje viel mij op dat moment helemaal niet zwaar, hoe eenzaam hij ook is voor een wandelende reiziger. Want ik overdacht nog eens alles wat ik verleden jaar en ook tijdens deze reis in de Meierij gezien, gehoord en ontmoet heb. Ik stelde me de zalige momenten van ons weerzien voor en beloofde mijzelf veel genoegen als ik na het volbrengen van mijn Meierij-wandeling weer met jou over alles mondeling kan praten. Deze en soortgelijke overdenkingen maakten de weg voor mij zeer kort en voor ik het zelf besefte, was ik al in Helmond.
Ik ben al een paar dagen hier en ik denk hier ook nog een flink aantal dagen door te brengen, voordat ik mijn schreden weer naar een andere plaats richt. In de tijd dat ik hier nu ben, heb ik dingen gehoord, die sinds het vorig jaar zijn gebeurd en die je zullen verbazen en ook met verontwaardiging zullen vervullen. Maar voordat ik je dat geval uit de doeken doe, moet ik eerst iets wat mij nu door de hersenen schiet, beschrijven. Hier is het.
De roomsen duiden hun priesters en kloosterlingen met de algemene benaming van “geestelijken” aan, maar dat klopt helemaal niet, want hoe kan een mens van vlees en bloed nu geestelijk zijn? Dat is een tegenstrijdigheid, tenminste zo zie ik het. Of jij er ook zo over denkt, weet ik niet, en eigenlijk interesseert me dat ook niet. Maar verder.
Hun priesters, of, zoals men gewoonlijk in de Meierij zegt, hun pastoors, noemen ze “wereldlijke geestelijken”. Alweer een tegenstrijdigheid, want “werelds” en “geestelijk” zijn niet met elkaar te rijmen.
Maar wat zijn dan hun kloosterlingen? Deze bestempelt men als kloostergeestelijken, maar die titel is niet onderscheidend genoeg, want men zegt hier, als iemand het klooster ingaat: “hij is uit de wereld gegaan”. Mooi! Slim verzonnen! Maar... zou men de benaming van “geestelijke” niet beter hiervan kunnen afleiden, dat zij zich uitsluitend met hemelse zaken bezig moeten houden?
dinsdag 5 februari 2013
De priester van Deurne
Tiende brief, deel 3
Ik beëindig deze brief met de woorden die ik ooit eens las in de Reizen van de voortreffelijke Anson* die ik altijd heb onthouden en die mij hier wel passend lijken. Hier zijn ze: "In menselijke zaken wordt het simpele richtsnoer van het gezonde, redelijke verstand niet altijd gevolgd. Vele andere principes hebben een te sterke invloed op ons handelen. Er is er vooral één, die zelden van onze ernstige overwegingen uitgesloten blijft, al is het van een zeer verleidelijke aard. Ik bedoel hiermee de gewoonte ofwel hoe onze voorouders het deden. Gewoonlijk is dit iets waartegen de reden niet in staat is, te zwak is, om tegen in te gaan."
Ik kan nu deze brief wel afsluiten, maar ik moet je eerst nog zeggen, dat ik morgen of overmorgen (dat zal van het weer afhangen) mijn biezen zal pakken naar Helmond. Ik ben voor eeuwig je beste
Vriend.
P.S.
In dezelfde tijd dat Asten platgebrand werd, zou ook een deel van Deurne en het dorp Bakel zijn afgebrand, en wel door dezelfde krijgsbende (als de overlevering de waarheid spreekt). Dus ook in deze dorpen heeft de oorlog gewoed!
Ik vergat je nog twee staaltjes te noemen van de heerszucht en de haat van de roomse priester in Deurne. Hij heeft, zo zegt men, op zijn manier een liedje gecomponeerd, waarin hij zegt dat er buiten de roomse kerk geen zaligheid te vinden is, en dat alle hervormden verdoemd zijn. Dit liedje zou hij in een publieke herberg, in het bijzijn van vele mensen, zelfs van die van een protestant, gezongen hebben en nadat hij dit vloeklied eruit had gebalkt, zou hij het de protestant in handen hebben geduwd met de woorden: dit zeg ik en dit hou ik staande!
In het begin van dit jaar overleed de secretaris van deze plaats. Ofschoon hij hervormd was en de kerk nog in het bezit van de hervormden, durfde men hem toch niet daarin te begraven, zonder daarvoor eerst toestemming te vragen aan de kerkmeesters, die rooms zijn. Dezen durfden het niet toe te staan zonder er eerst met de priester over gesproken te hebben. Wat zou men doen? Men moest maar afwachten of het heeroom zou goeddunken of niet. Gelukkig gaf hij toestemming, hoewel hij volstrekt nog geen recht had op de kerk. Hij bepaalde en wees tegelijk de plaats aan waar de secretaris begraven zou worden. Zou deze bittere kerkbaas eens nee gezegd hebben, dan zou niemand het aangedurfd hebben om die man in de kerk te begraven, hoewel de hervormden nog in het volle bezit zijn van hun kerk.
Zie wat een invloed deze zogenaamde geestelijke herders hebben op hun schapen! Zo veel macht weet deze domme, bijgelovige, dweep- en vervolgzieke priester tot zich te trekken! Kan dat allemaal maar zomaar?
*) G. Anson, Reizen, boek III, hfdst. 8, p. 345 (waarschijnlijk heeft Hanewinckel het hier over het reisverslag dat gemaakt is van de Voyage around the world die Lord George Anson (1697-1762) maakte in de jaren 1740-1744, en dat gepubliceerd is in 1748).
Ik beëindig deze brief met de woorden die ik ooit eens las in de Reizen van de voortreffelijke Anson* die ik altijd heb onthouden en die mij hier wel passend lijken. Hier zijn ze: "In menselijke zaken wordt het simpele richtsnoer van het gezonde, redelijke verstand niet altijd gevolgd. Vele andere principes hebben een te sterke invloed op ons handelen. Er is er vooral één, die zelden van onze ernstige overwegingen uitgesloten blijft, al is het van een zeer verleidelijke aard. Ik bedoel hiermee de gewoonte ofwel hoe onze voorouders het deden. Gewoonlijk is dit iets waartegen de reden niet in staat is, te zwak is, om tegen in te gaan."
Ik kan nu deze brief wel afsluiten, maar ik moet je eerst nog zeggen, dat ik morgen of overmorgen (dat zal van het weer afhangen) mijn biezen zal pakken naar Helmond. Ik ben voor eeuwig je beste
Vriend.
P.S.
In dezelfde tijd dat Asten platgebrand werd, zou ook een deel van Deurne en het dorp Bakel zijn afgebrand, en wel door dezelfde krijgsbende (als de overlevering de waarheid spreekt). Dus ook in deze dorpen heeft de oorlog gewoed!
Ik vergat je nog twee staaltjes te noemen van de heerszucht en de haat van de roomse priester in Deurne. Hij heeft, zo zegt men, op zijn manier een liedje gecomponeerd, waarin hij zegt dat er buiten de roomse kerk geen zaligheid te vinden is, en dat alle hervormden verdoemd zijn. Dit liedje zou hij in een publieke herberg, in het bijzijn van vele mensen, zelfs van die van een protestant, gezongen hebben en nadat hij dit vloeklied eruit had gebalkt, zou hij het de protestant in handen hebben geduwd met de woorden: dit zeg ik en dit hou ik staande!
In het begin van dit jaar overleed de secretaris van deze plaats. Ofschoon hij hervormd was en de kerk nog in het bezit van de hervormden, durfde men hem toch niet daarin te begraven, zonder daarvoor eerst toestemming te vragen aan de kerkmeesters, die rooms zijn. Dezen durfden het niet toe te staan zonder er eerst met de priester over gesproken te hebben. Wat zou men doen? Men moest maar afwachten of het heeroom zou goeddunken of niet. Gelukkig gaf hij toestemming, hoewel hij volstrekt nog geen recht had op de kerk. Hij bepaalde en wees tegelijk de plaats aan waar de secretaris begraven zou worden. Zou deze bittere kerkbaas eens nee gezegd hebben, dan zou niemand het aangedurfd hebben om die man in de kerk te begraven, hoewel de hervormden nog in het volle bezit zijn van hun kerk.
Zie wat een invloed deze zogenaamde geestelijke herders hebben op hun schapen! Zo veel macht weet deze domme, bijgelovige, dweep- en vervolgzieke priester tot zich te trekken! Kan dat allemaal maar zomaar?
*) G. Anson, Reizen, boek III, hfdst. 8, p. 345 (waarschijnlijk heeft Hanewinckel het hier over het reisverslag dat gemaakt is van de Voyage around the world die Lord George Anson (1697-1762) maakte in de jaren 1740-1744, en dat gepubliceerd is in 1748).
Meer lezen:
Asten,
Bakel,
Brief 10 (reis 2),
Brieven (reis 2),
Deurne,
Helmond,
Reis 2
donderdag 31 januari 2013
De trekossen in de Peel
![]() |
| Fragment van de kaart van Hendrik Verhees uit 1795, met daarop de locatie van de Hut aan de verkeerde kant van de grens Bron: BHIC, Kaarten inv.nr. 5A140 |
Tiende brief, deel 2
Gisteren ben ik maar eens de Peel ingewandeld. Het was zeer aangenaam om de massa mensen te zien die in de turf werken. Een paar jaar terug heeft men een nieuwe, rechte weg aangelegd van Deurne, door de Peel, naar het Pruisische dorp Venray. Dat is een allernuttigst project, omdat hier vroeger veel reizigers verdwaalden. Eén uur van Deurne ligt juist aan diezelfde weg, ter hoogte van de grens met Pruisisch Gelderland, een herberg, de Hut geheten. Hier dronk ik een kannetje bier, rookte mijn pijpje in pace en rustte wat uit, waarna ik weer langzaamaan naar Deurne stapte. Deze herberg ligt zeer eenzaam, midden in de Peel, een heel uur van alle huizen af. Zo’n woning zou je toch niet uitkiezen, mijn vriend!, en ik ook niet. Maar de bewoner heeft één voordeel, dat velen missen: hij krijgt nooit ruzie met zijn buren.
In de kaart van Verhees is hier een grove fout geslopen, want hij plaatst de Hut buiten de grenzen van de Meierij, in het Pruisische deel.
In de Meierij, vooral in Kempenland, maar ook in de zogenaamde Peeldorpen Someren, Asten, Deurne en Bakel, gebruikt men vaak ossen om te rijden, te ploegen, te eggen en zo voort. Men ontleent hieraan een gezegde, omdat de boeren van deze Peeldorpen hun ossen wel eens slachten, hun veen of turf verbranden, en bij hun vrouw slapen, die dikwijls met de kar rijdt, en dat luidt als volgt:
Ze branden hun aard’,
Ze eten hun paard,
En ze slapen met hun voerman!
De ossen zijn sterke dieren, sterker dan een paard, en ze zijn zeer geschikt om te werken. Men heeft er echter twee fouten mee gemaakt: allereerst leert men ze om met een zeer langzame tred en zeer slepend te lopen; en ten tweede laat men ze aan een juk trekken, dat op de hals rust en al te zwaar op de schoften drukt. Dat hindert de dieren geweldig bij het lopen en dus ook in hun werk. De buren van de Meierijenaars, namelijk de inwoners van het land van Gulik en een deel van Opper-Gelre, laten hun ossen met hun kop trekken, en terecht want in de kop ontwikkelt de os zijn grootste kracht, en zij lopen ook veel sneller. De Meierijenaars weten dit wel (dit heb ik zelfs van enkelen van hen gehoord), maar omdat hun voorouders sinds onheuglijke tijden een juk gebruikt hebben, daarom doen zij dat ook. Zo gaat het in de Meierij met alle gewoonten. Mijn waarde, je zou nog eerder met je hand de wolken kunnen aanraken, dan dat ze hier een oude, slechte gewoonte afschaffen en een nieuwe, betere invoeren.
Meer lezen:
Asten,
Bakel,
Brief 10 (reis 2),
Brieven (reis 2),
Deurne,
Reis 2,
Someren,
Venray
dinsdag 29 januari 2013
Houten geloof!
![]() |
| Het Blokhuis heeft er echt gestaan. Hoe het er uit heeft gezien is niet bekend. Architect Cor Roffelsen maakte er ooit een fantasie-tekening van. Bron: RHCe |
Tiende brief, deel 1
Hooggeachte S...!
Een paar dagen geleden was ik nog in het vervolgzieke Asten en nu ben ik in Deurne. Ik nam niet de gewone weg hierheen via Vlierden, maar wandelde via Liessel, een klein dorpje dat eigenlijk onder Deurne valt. Men wint daar de beste turf van de hele Meierij. Midden in het dorp staat een kapel en aan het eind ervan zag ik de ruïnes van een kasteel, dat vroeger zeer sterk was uitgerust, met geschut en zo. Het staat bekend onder de naam van het Blokhuis.
Niet ver van Liessel, maar nog onder de jurisdictie van Vlierden, passeerde ik een soort buitenplaats, waar ik op de poort deze tekst las: De Hazeldonk, Jachthuis. Terwijl ik in Liessel in de herberg een glaasje bier dronk, vroeg ik wat dat toch voor een huis was en ik kreeg het volgende antwoord: “Dat is het verblijf van de heer van Vlierden. Hij laat oneindig veel werk verrichten op dat landgoed; hij plant er ontzettend veel bomen, waarvan hij nooit enig voordeel kan hebben, want het hout is in deze streken bijna niets waard. De bodem is er zandig en dus onvruchtbaar, zodat het nauwelijks de investeringen, die er jaarlijks in worden gedaan, goedmaakt.”
Genoeg hierover, want wat gaat het mij aan of een landgoed vruchtbaar is of niet, nietwaar?
In Deurne hebben de roomsen nog niet de kerk van de hervormden in bezit, hoezeer hun priester (ik heb je vorig jaar met hem laten kennismaken) de boel ook heeft opgehitst en nog steeds ophitst. In de afgelopen maand februari kwamen hier zo’n vijftig Fransen om voortvluchtige Brabanders te zoeken en op te pakken. Ze gingen toevallig de kerk van de hervormden binnen en zagen daar de hele poppenkast die de priester daar alvast in had opgeslagen. Ze hakten van verschillende beelden de neuzen of oren af en beschadigden bijna alles. Toen de Fransen vertrokken waren, zagen de roomsen deze heiligschennis (zo beschouwde men deze daad) bijna met betraande ogen aan. Ze raapten alle stukken en brokken met bedroefde gezichten bij elkaar en klaagden met diepe zuchten dat er voor meer dan zeventig gulden schade was aangericht.
Rampzalige Goden!, ellendige Heiligen!, die zichzelf niet kunnen beschermen. Houten geloof! Misplaatst vertrouwen dat in jullie wordt gesteld!! Gelukkig maar dat niemand van de hervormden ook maar één Fransman had gesproken, anders had men hen zeker hiervan de schuld gegeven.
Meer lezen:
Asten,
Brief 10 (reis 2),
Brieven (reis 2),
Deurne,
Liessel,
Reis 2,
Vlierden
dinsdag 22 januari 2013
Somerse bagger en Astense vervolgzucht
![]() |
| De Groote Heide vlakbij Heeze staat bijna in bloei, 10 augustus 2012 Prachtige landschapsfoto door Jos Dries |
Negende brief, deel 3
Tweede vervolg
Op dit moment ben ik in Asten. Ik was van plan je vanuit Deurne te schrijven, maar het regenachtige weer verhinderde me om daar vandaag naar toe te wandelen. Ik ga dus morgen die kant op, tenzij het weer mij daarin tegenhoudt.
Vanuit Heeze ging ik rechtstreeks naar Someren over een heide die zich aan weerskanten van mij ontzaglijk ver uitstrekte. Dit dorp is groot, maar de huizen liggen erg verspreid. Het heeft in vroegere oorlogen zeer veel geleden, want als de verhalen niet liegen, kende dit dorp wel dertig goed gebouwde en goed bewoonde straten en telde het ongeveer tienduizend inwoners. Tegenwoordig ziet men echter slechts hier en daar een huis, en het aantal inwoners is behoorlijk afgenomen. Er staat nog een soort van oud kasteel, de Donk geheten, maar dat heeft niet veel om het lijf. De kerk is een keurig gebouw met een klein torentje erop.
Someren ligt aan de Peel, waar men ook turf wint, maar met dit verschil dat men de turf hier niet opgraaft uit ronde kuilen of putten, zoals in Deurne, Asten en Bakel, maar opbaggert, zoals in Holland. Ter onderscheiding noemt men deze turf in de Meierij gewoonlijk “bagger” of “Somerse bagger”. Hij is ook beter dan de andere, die hier “klot” wordt genoemd.
Asten ligt niet ver van Someren. Deze twee dorpen worden alleen maar door de Aa van elkaar gescheiden. Asten, dat men voor een mooi dorp mag houden, heeft een fraai kasteel en een mooie toren en kerk. Die laatste hebben de roomsen tegenwoordig in hun bezit, al hadden ze hier al een van de mooiste en grootste kerken van de Meierij. De hervormden moeten nu hun diensten houden in een kamer van het huis van de predikant, wat én voor de predikant én voor de toehoorders met veel onaangename bezwaren en ongemakken gepaard gaat, vanwege de geringe omvang van die plek. O weerzinwekkend bijgeloof! Vervloekte vervolgzucht!! God van liefde! Is dat nu uw simpele, menslievende godsdienst?
Asten werd in de winter van 1511 door de Geldersen uit Roermond platgebrand. Zo heeft ook dit dorp volledig gedeeld in de vernielende rampen van de verwoestende oorlog.
Meer lezen:
Asten,
Bakel,
Brief 9 (reis 2),
Brieven (reis 2),
Deurne,
Heeze,
Reis 2,
Someren
donderdag 17 mei 2012
Grafschrift uit Deurne
![]() |
| Een snaphaan |
“Als ik sterf”, zo redeneerde ik bij mezelf, “als ik sterf en ik zie mijn vriend hier niet meer, dan zullen wij elkaar toch ooit weerzien, want:
de eigen hand, die hier mijn hart,
hem verpande in vreugd en smart,
drukt hem weder -
de eigen lippen van ’t gevoel
ademen, voor Gods rechterstoel,
vriendschap even teder. - "
hem verpande in vreugd en smart,
drukt hem weder -
de eigen lippen van ’t gevoel
ademen, voor Gods rechterstoel,
vriendschap even teder. - "
Voor ik verder schrijf, wil ik je letterlijk het grafschrift meedelen, dat ik te Deurne heb gekopieerd, maar dat ik niet terug kon vinden, zoals ik je al gemeld heb. Dat grafschrift is gemaakt op de eerste hervormde schepen, die daar op een avond vanwege de religie verraderlijk werd doodgeschoten, zoals blijkt uit het onderstaande vers. Hij werd verwond met een roer (een meierijs woord dat snaphaan [=geweer] betekent). Ik geef het zoals ik het heb gevonden op een hardstenen zerk die voor het koor in de kerk ligt.
Ik had het in mijn aantekenboekje gelegd en omdat ik dat nu weer eens van voor tot achter doorbladerde en herlas om de tijd te verdrijven, vond ik die aantekening tot mijn grote vreugde weer terug. Hier is het:
Om trovhijt voor Godts woordt, om iver voor het recht,
zijn lagen onderweg aen Jacop Govrts gelecht,
Als hij vuijt sijn beroep quam in den avoentstont
een moorder met een roer hem doodelijck heeft gewondt.
Ter eeren sij ghedacht den naam van desen man,
die om Godts woort en ’t recht de doot af wachten kan.
Het randschrift rondom de zerk luidt als volgt:
Hier licht begraven Jacop Govrts van der Horst, in sijnder tijt Schepen der Heerlijchijt Deurne en desselfs dinghbanck, die op den 28 mij in de Heere is ontslapen 1670.
donderdag 17 november 2011
Nergens dommer dan in Bakel
Twaalfde brief, deel 6
Van Deurne ging ik op weg via Bakel, dat beslist het hoogstgelegen dorp van de Meierij is. Nergens tref je dommere inwoners aan dan hier. Ze zijn verder net zo bijgelovig als ze dom zijn en ook net zo haatdragend tegenover de hervormden. Nergens doet men meer zijn best dan hier om onder de geuzen zieltjes te winnen en daarmee afvalligen of slechte mensen te maken. Het is hen nu en dan ook nog wel eens gelukt ook.
Nog steeds brandt er in de roomse kerk een lamp ter ere van een hervormde (en voor zijn zielerust), omdat die een paar jaar geleden, vlak voor zijn dood op zeer hoge leeftijd de roomse leer heeft omhelsd. Maar dit branden van een lamp voor een afvallige geus is volgens mij overbodig, want zo iemand gaat toch zeker linea recta, dus vrijgesteld van het vagevuur, naar de hemel.
Intussen staat het vast dat tot nu toe geen enkele hervormde in de Meierij het roomse geloof heeft aanvaard, of er viel niets positiefs te zeggen over zijn levenswijze, of hij deed het uit vuil winstbejag en eigenbelang. Hoe oprecht dan zo’n bekering is, kan iedereen wel voor zichzelf bedenken. In Bakel beweegt men ook al hemel en aarde om de hervormden hun kerk af te nemen. Hier heb je dus weer een brief, die je verzekert dat ik niet zal ophouden om steeds aan je te denken en dus onveranderlijk je vriend te blijven.
Ik ben enz.
![]() |
| 'Het Overschot' in Bakel (bron: De Peel, een tocht langs dorpen en heerlijkheden) |
Twaalfde brief, deel 6
Van Deurne ging ik op weg via Bakel, dat beslist het hoogstgelegen dorp van de Meierij is. Nergens tref je dommere inwoners aan dan hier. Ze zijn verder net zo bijgelovig als ze dom zijn en ook net zo haatdragend tegenover de hervormden. Nergens doet men meer zijn best dan hier om onder de geuzen zieltjes te winnen en daarmee afvalligen of slechte mensen te maken. Het is hen nu en dan ook nog wel eens gelukt ook.
Nog steeds brandt er in de roomse kerk een lamp ter ere van een hervormde (en voor zijn zielerust), omdat die een paar jaar geleden, vlak voor zijn dood op zeer hoge leeftijd de roomse leer heeft omhelsd. Maar dit branden van een lamp voor een afvallige geus is volgens mij overbodig, want zo iemand gaat toch zeker linea recta, dus vrijgesteld van het vagevuur, naar de hemel.
Intussen staat het vast dat tot nu toe geen enkele hervormde in de Meierij het roomse geloof heeft aanvaard, of er viel niets positiefs te zeggen over zijn levenswijze, of hij deed het uit vuil winstbejag en eigenbelang. Hoe oprecht dan zo’n bekering is, kan iedereen wel voor zichzelf bedenken. In Bakel beweegt men ook al hemel en aarde om de hervormden hun kerk af te nemen. Hier heb je dus weer een brief, die je verzekert dat ik niet zal ophouden om steeds aan je te denken en dus onveranderlijk je vriend te blijven.
Ik ben enz.
dinsdag 15 november 2011
Onze Lieve Vrouw van Ommel
![]() |
| Zo moet de kapel in Ommel er ongeveer hebben uitgezien in de 15e, 16e en 17e eeuw. Meer informatie: Dorpsraad Ommel |
Twaalfde brief, deel 5
In oude tijden (zie hier een geloofwaardig mirakel!) deed een schipper die op zee door een vliegende storm werd overvallen, een belofte aan Maria: als hij behouden zou worden, zou hij hier een kapel stichten. De storm bedaarde tenslotte en dat was het werk van Onze Lieve Vrouw van Ommel. De schipper hield woord - tsja, dat hoorde zo, want belofte maakt schuld - en stichtte een kapel ter ere van dit wonder. Deze gebeurtenis werd ook ter eeuwige herinnering op de buitengevel van de kapel geschilderd (men ziet er tegenwoordig nog steeds wat contouren van), zodat iedere voorbijganger dit wonder zou vereren.
Het domme volk zit hier nu voortdurend voor die kapel te knielen en kruipt er rond, intussen wat onzevaders en weesgegroeten prevelend. Dit wonderdadige beeld zou in de allervroegste tijden in een of andere lindeboom gestaan hebben, die nog steeds tussen Asten en Ommel langs de weg staat, en die daardoor heilig is. Men bidt ook vaak onder deze boom en kruipt er voortdurend op zijn knieën rond, zoals je duidelijk kunt zien. Elke roomse die deze heilige boom passeert, neemt eerbiedig zijn hoed ervoor af. In Holland zijn we niet zo beleefd, dat we bomen groeten.
Dicht bij Asten, in de Peel, ontspringt de rivier de Aa. Zij stroomt door een groot deel van de Meierij en verenigt zich in Den Bosch met de Dommel om dan onder de naam van Dieze bij Crèvecoeur in de Maas uit te monden.
donderdag 10 november 2011
Dwaallichten in het Peelmoeras
![]() |
| Dwaallichtjes boven een moeras (meer informatie) |
Twaalfde brief, deel 4
Ik moet je ook nog een dom en bijgelovig trekje van de roomsen in Deurne schetsen, dat puur op onwetendheid berust. Men ziet in de Peel vaak dwaallichten, omdat het een moeras is en moeraslucht licht ontvlambaar is. Men noemt die dwaallichten hier stalkaarsen. Men houdt ze voor ongedoopte kinderen en beklaagt hun ongelukkige lot, omdat zij tot aan de jongste dag moeten ronddolen, aangezien ze niet gedoopt zijn.
Je ziet hier ook wel eens grote vuurballen of -zuilen rondzweven die uit fosforhoudende stof bestaan. Men noemt die hier gloeiende mannen en denkt dat het verdoemde mensen zijn die als straf voor hun misdaden moeten ronddwalen. Ze komen, aldus het bijgeloof, van het kerkhof, maar dan zijn ze nog zwart of onzichtbaar. Zodra ze echter in de Peel zijn aangekomen, moeten ze branden. Als men ze ziet, slaat men een kruisteken als een probaat middel om niet door hen gekweld te worden.
Dit alles vloeit voort uit onkunde over de natuurlijke oorzaken. Die onwetendheid wordt door het roomse bijgeloof nog veel erger. Wat men hier ook tegenin brengt, niets kan hen van mening veranderen, zodat men wat betreft de domheid, het bijgeloof, de verbitterde vervolgingszucht en de dweperij van de roomsen in de Meierij wel mag zeggen:
Droom rustig, mensenvriend, dat je de roomsen kunt veranderen,
Die dwepers opschranderen,
De domheid hervormen,
Vervolgzucht bestormen.
Droom rustig dat je ze kunt overtuigen.
Een roomse gaat zijn gang, geen geus kan hem ooit buigen!
Toen ik in Deurne verbleef, heb ik een keertje het dorpje Ommel bezocht. Het is eigenlijk een buurtschap van het mooie dorp Asten. Ook in dit kleine plaatsje heeft het bijgeloof zich tegenwoordig op de troon gehesen. Er staat hier een kapel die nog zeer recentelijk door de hervormden werd gebruikt. Nu is die hen ontnomen en terecht natuurlijk, want wie zou een heilige kapel, vroeger beroemd vanwege een wonderdadig Mariabeeld, in het bezit van ketters laten? Dat zou een doodzonde zijn!
dinsdag 8 november 2011
Geuzen zijn maar ketters
Twaalfde brief, deel 3
Hier heeft men meer dan eens de hervormden tijdens hun eredienst proberen te storen door het luiden van de klokken en het begraven van doden. Ja, er kwam zelfs regelmatig een grote massa de kerk in, die een vreselijk kabaal maakte. Men schrok er niet voor terug om te ruzieën en te schelden, alleen maar om de geuzen hun verering van het Opperwezen onaangenaam te maken.
Dit kwam uit niets anders voort, dan dat het volk het niet kon hebben, dat zij de kerk niet snel genoeg naar hun zin in bezit konden krijgen, terwijl die hun volgens de verzekering van hun priester rechtmatig toekwam. Het is toch ook hard, mijn beminde vriend, om een gewijde kerk in het bezit te zien van die verdomde ketters? Nietwaar?
Deurne heeft altijd een grote wrok gekoesterd tegen de hervormden. In de vorige eeuw heeft men hier de eerste hervormde schepen vermoord, puur omdat hij gereformeerd was, zoals zijn grafschrift op een zerk voor het koor in de kerk duidelijk laat zien. Ik heb dat grafschrift overgeschreven, maar ik kan het nu niet vinden tussen mijn aantekeningen. Misschien heb ik het verloren, maar als ik het weer in handen krijg, zal ik het je bij gelegenheid wel sturen.
Alle roomsen denken zo: geuzen zijn maar ketters, dus die mag men gerust van het leven beroven. Dat een hervormde gelijk staat aan een ketter, kun je zien in het Franse woordenboek van de abt Danet, die het woord Huguenot verklaart als Heretique, Calviniste. De overigens geleerde Jezuïet Petavius noemt de grote Luther een opperketter en de vader der opperketters, en ook andere hervormers zet hij op de ketterlijst.
Hier heeft men meer dan eens de hervormden tijdens hun eredienst proberen te storen door het luiden van de klokken en het begraven van doden. Ja, er kwam zelfs regelmatig een grote massa de kerk in, die een vreselijk kabaal maakte. Men schrok er niet voor terug om te ruzieën en te schelden, alleen maar om de geuzen hun verering van het Opperwezen onaangenaam te maken.
Dit kwam uit niets anders voort, dan dat het volk het niet kon hebben, dat zij de kerk niet snel genoeg naar hun zin in bezit konden krijgen, terwijl die hun volgens de verzekering van hun priester rechtmatig toekwam. Het is toch ook hard, mijn beminde vriend, om een gewijde kerk in het bezit te zien van die verdomde ketters? Nietwaar?
Deurne heeft altijd een grote wrok gekoesterd tegen de hervormden. In de vorige eeuw heeft men hier de eerste hervormde schepen vermoord, puur omdat hij gereformeerd was, zoals zijn grafschrift op een zerk voor het koor in de kerk duidelijk laat zien. Ik heb dat grafschrift overgeschreven, maar ik kan het nu niet vinden tussen mijn aantekeningen. Misschien heb ik het verloren, maar als ik het weer in handen krijg, zal ik het je bij gelegenheid wel sturen.
Alle roomsen denken zo: geuzen zijn maar ketters, dus die mag men gerust van het leven beroven. Dat een hervormde gelijk staat aan een ketter, kun je zien in het Franse woordenboek van de abt Danet, die het woord Huguenot verklaart als Heretique, Calviniste. De overigens geleerde Jezuïet Petavius noemt de grote Luther een opperketter en de vader der opperketters, en ook andere hervormers zet hij op de ketterlijst.
donderdag 3 november 2011
Lied op het herkrygen van de Kerk van Durne
In de twaalfde brief heeft Hanewinckel het over de lompe pastoor van Deurne en het bijgeloof van zijn parochianen. Ook vertelt hij kort over de kerk in Deurne, die de hervormden terug moeten geven aan de katholieken. Over die laatste gebeurtenis is het onderstaande lied geschreven, dat bewaard wordt in de collectie Hanewinckel op het BHIC. Klik op de afbeelding om de tekst te lezen.
dinsdag 1 november 2011
Het Deurnese mirakelbed
Twaalfde brief, deel 2
Maar bovenal heeft hij bij wijze van groot heiligdom een mirakelbed gekocht, een bed dat wonderen zou verrichten, maar wat voor wonderen? Ik heb het nog niet mogen vernemen. Dit bed bewaart hij als een onschatbaar heilig voorwerp in zijn huis. O wat een domheid! Wat een bijgeloof! - Maar hoe dan ook, dit bed zal in de toekomst wel degelijk wonderen aanrichten, namelijk in de beurs van de priester en in die van zijn leken. De eerste zal er door worden gevuld en de andere zullen erdoor geleegd worden, want wie zou niet graag geld geven aan heeroom om dit bed te mogen aanraken of kussen (want om er in te slapen, dat zal niet mogen gebeuren).
In Deurne wonen op dit moment ook veel nonnen uit een opgeheven klooster. Ze hebben hier een huis gehuurd en geven ook een pater onderdak. In een van de vertrekken hebben ze, zo zegt men, een altaar waaraan de pater de mis opdraagt. Ik heb hier en daar in de Meierij gevluchte monniken en andere zogenaamde geestelijken in het openbaar zien bedelen. Velen houden zich hier op, want in de Meierij staat men een roomse geestelijke alles toe, ook al is dat strijdig met de vroegere of huidige wetten. En dat terwijl men aan de andere kant een hervormde nauwelijks een teug water gunt en hem juist op allerlei manieren vervolgt, zoals je al hebt gezien aan al die voorbeelden die ik je naar waarheid (maar dan nog afgezwakt) heb gegeven.
Maar bovenal heeft hij bij wijze van groot heiligdom een mirakelbed gekocht, een bed dat wonderen zou verrichten, maar wat voor wonderen? Ik heb het nog niet mogen vernemen. Dit bed bewaart hij als een onschatbaar heilig voorwerp in zijn huis. O wat een domheid! Wat een bijgeloof! - Maar hoe dan ook, dit bed zal in de toekomst wel degelijk wonderen aanrichten, namelijk in de beurs van de priester en in die van zijn leken. De eerste zal er door worden gevuld en de andere zullen erdoor geleegd worden, want wie zou niet graag geld geven aan heeroom om dit bed te mogen aanraken of kussen (want om er in te slapen, dat zal niet mogen gebeuren).
In Deurne wonen op dit moment ook veel nonnen uit een opgeheven klooster. Ze hebben hier een huis gehuurd en geven ook een pater onderdak. In een van de vertrekken hebben ze, zo zegt men, een altaar waaraan de pater de mis opdraagt. Ik heb hier en daar in de Meierij gevluchte monniken en andere zogenaamde geestelijken in het openbaar zien bedelen. Velen houden zich hier op, want in de Meierij staat men een roomse geestelijke alles toe, ook al is dat strijdig met de vroegere of huidige wetten. En dat terwijl men aan de andere kant een hervormde nauwelijks een teug water gunt en hem juist op allerlei manieren vervolgt, zoals je al hebt gezien aan al die voorbeelden die ik je naar waarheid (maar dan nog afgezwakt) heb gegeven.
donderdag 20 oktober 2011
De lompe pastoor van Deurne
Twaalfde brief, deel 1
Beminde vriend!
Ik heb je in mijn vorige brief laten kennismaken met de bijzonderheden van Deurne, en nu moet ik je ook iets zeggen over de bewoners van dit dorp. Dat hoort immers zo? Dom bijgeloof en wrokkige onverdraagzaamheid heersen hier heel erg. Niemand is meer verbitterd over de hervormden dan de plaatselijke priester, een domme, bijgelovige en lompe kerel. Vanwege zijn bittere haat is hij in de hele Meierij berucht. Ja, hij wordt zelfs veracht door sommigen van zijn ambtgenoten in de andere dorpen die met meer verdraagzaamheid optreden dan hij.
Deze priester wil absoluut in het bezit komen van de kerk der hervormden, ofschoon de roomse kerk een jaar of zes, zeven geleden geheel en heel mooi vernieuwd is. Zijn parochianen heeft hij helemaal aan zijn kant, omdat hij er niet tegenop gezien heeft om voor hen het tijdstip te bepalen waarop ze “in gloria” de eerste plechtige eucharistie in de grote kerk zullen vieren en hij een plechtig Te deum zal laten zingen. Maar tot nog toe is het die stomme, bijgelovige kerkebaas niet gelukt en heeft hij zijn doel nog steeds niet bereikt, al maakt hij geweldig veel lawaai en vloekt en tiert hij vreselijk (ik heb hem dat zelf horen doen).
Intussen heeft hij wel al allerlei ornamenten, zoals een preekstoel, altaren, biechtstoelen en andere kostbaarheden van de uitgestorven kloosters in Brabant laten aanschaffen en die spullen tegen de zin in de hervormde kerk laten opslaan. Hij doet alles gewoon zoals het hem goeddunkt. Wat vind je daar toch van, mijn beste S...! Hij heeft ook een steen gekocht die de apostel Petrus als oorkussen gebruikt zou hebben. Die steen, zo verzeker ik je, heeft wat moeten kosten!
Beminde vriend!
Ik heb je in mijn vorige brief laten kennismaken met de bijzonderheden van Deurne, en nu moet ik je ook iets zeggen over de bewoners van dit dorp. Dat hoort immers zo? Dom bijgeloof en wrokkige onverdraagzaamheid heersen hier heel erg. Niemand is meer verbitterd over de hervormden dan de plaatselijke priester, een domme, bijgelovige en lompe kerel. Vanwege zijn bittere haat is hij in de hele Meierij berucht. Ja, hij wordt zelfs veracht door sommigen van zijn ambtgenoten in de andere dorpen die met meer verdraagzaamheid optreden dan hij.
Deze priester wil absoluut in het bezit komen van de kerk der hervormden, ofschoon de roomse kerk een jaar of zes, zeven geleden geheel en heel mooi vernieuwd is. Zijn parochianen heeft hij helemaal aan zijn kant, omdat hij er niet tegenop gezien heeft om voor hen het tijdstip te bepalen waarop ze “in gloria” de eerste plechtige eucharistie in de grote kerk zullen vieren en hij een plechtig Te deum zal laten zingen. Maar tot nog toe is het die stomme, bijgelovige kerkebaas niet gelukt en heeft hij zijn doel nog steeds niet bereikt, al maakt hij geweldig veel lawaai en vloekt en tiert hij vreselijk (ik heb hem dat zelf horen doen).
Intussen heeft hij wel al allerlei ornamenten, zoals een preekstoel, altaren, biechtstoelen en andere kostbaarheden van de uitgestorven kloosters in Brabant laten aanschaffen en die spullen tegen de zin in de hervormde kerk laten opslaan. Hij doet alles gewoon zoals het hem goeddunkt. Wat vind je daar toch van, mijn beste S...! Hij heeft ook een steen gekocht die de apostel Petrus als oorkussen gebruikt zou hebben. Die steen, zo verzeker ik je, heeft wat moeten kosten!
dinsdag 18 oktober 2011
Tussen twee kastelen
![]() |
| Kasteel Huis te Deurne (bron: Middeleeuwse Nederlandse Kastelen) |
Elfde brief, deel 5
Aan de oostzijde van het dorp, vlakbij het einde, liggen twee kastelen, het nieuwe en het oude, die tegenwoordig het grote en het kleine kasteel genoemd worden. Ze liggen schuin tegenover elkaar, slechts door de straat van elkaar gescheiden. Een klein beekje, dat in de Peel ontspringt, stroomt erlangs en niet er tussendoor zoals helemaal verkeerd wordt aangegeven op de nieuwe kaart van Verhees, die ik een paar dagen geleden voor het eerst zag. Het kleine kasteel zou in het verleden slechts het poortgebouw geweest zijn van een heel groot gebouw, dat daar in de buurt gelegen heeft, maar waarvan geen overblijfselen meer te zien zijn.
Ik zou je graag nog meer schrijven, maar ik durf niet langer te wachten. Je moet weten, waar ik nu ben, anders word je vast ongerust over mij. De postbode vertrekt zometeen. Verwacht binnenkort een uitgebreidere brief van me en geloof dat ik onveranderlijk voor jou blijf, die ik altijd al was, namelijk je trouwe
Vriend
donderdag 13 oktober 2011
Turf en dakpannen
![]() |
| Turf steken (bron) |
Dat het moeras ontstaan is als gevolg van de “Kimbrische vloed” lijkt mij een verzinsel, maar het is wel opmerkelijk dat deze Peel, ofschoon het op het hoogste punt van de Meierij ligt, een moeras is waar men niet doorheen kan lopen, laat staan rijden, behalve over de enkele wegen die erdoorheen zijn aangelegd. Tenzij het heel erg droog is, natuurlijk.
Als men fatsoenlijke sloten zou aanleggen en de turf systematisch van voor naar achteren zou afgraven, zou men hier op een gegeven moment goede bouw- en weilanden kunnen creëren. Maar nu graaft men de turf uit ronde kuilen, waarin het water steeds blijft staan, terwijl er tussen de kuilen veel blijft zitten wat men er nooit meer uit kan halen.
Op een half uur lopen van dit dorp ligt een buurtschap (hier noemt men dat een gehucht), dat de Zijlberg heet, omdat hier in aloude tijden schepen gevaren zouden hebben. Maar dat klinkt wel ongeloofwaardig. De bodem is hier bezaaid met kleine keitjes, waaronder heel mooie, zelfs van doorschijnend marmer. In deze buurtschap staan ook enkele pottenbakkerijen, waar men ook dakpannen en vloertegels bakt, die men hier plavuizen noemt. De klei die hiervoor nodig is, wordt hier uit de grond gehaald. Men vindt er ook het gele zand, dat zo sterk kan kleuren. Men gebruikt het om de dakpannen roder te maken (al denk ik dat dat weinig toevoegt), want de kunst om ze blauw te maken beheerst men hier niet, al is die techniek algemeen bekend en makkelijk toe te passen.
De kerk van Deurne is een groot en mooi gebouw, met een hoge toren die nog niet zo erg oud is. Enkele jaren geleden is de toenmalige toren midden in de winter door de bliksem in brand gestoken en helemaal afgebrand. De kerk ontsnapte daaraan. Deze toren is wel vaker door de bliksem getroffen.
dinsdag 11 oktober 2011
Het genot van een zuiver geweten
![]() |
| De verpachting van peelveldjes (bron: DeurneWiki) |
Elfde brief, deel 3
Ik ging helemaal gerust verder en in mijn nopjes en zeer tevreden bereikte ik Deurne. O, mijn vriend, met een zuiver geweten kunnen we altijd op ons gemak zijn, zelfs als gevaren ons omringen! Op deze eenzame weg herinnerde ik me de volgende versregels van een mij onbekende dichter, die zo totaal overeenkwamen met wat ik op dat moment voelde:
Hier ga ik veilig en vergeten.
Mijn Godspraak is een rein geweten;
Mijn Godspraak is een rein geweten;
’t Wil spreken, als ik vragen wil,
En vraag ik niet, dan zwijgt het stil –
Het voedt en laaft me uit reiner bron,
Dan zij, die van vertroosting reppen.
Het kan voor mij een hemel scheppen,
En schijnt zo zuiver als de Zon.
’t Is waan en veinzerij te boven
‘k Zal u, o mijn geweten, loven,
En roemen uw’ oprechte vlijt,
Omdat ge een vriend der waarheid zijt –
![]() |
| J.F. Martinet (bron: Thuis in Brabant) |
Het moeras begint in het Land van Ravenstein en strekt zich in de vorm van een halve cirkel langs de grenzen van de Meierij uit tot aan het dorp Maarheeze. Het moeras is dus vele uren gaans groot. De Peel bestond heel vroeger uit bossen, zoals men duidelijk kan zien aan de turf, die niets anders is dan verrot hout. Men treft er ook nog veel bomen in aan die niet verteerd zijn, maar juist zeer hard geworden. Het moeras is waarschijnlijk ontstaan door een overstroming in combinatie met een zware storm die alles omver heeft gesmeten, want alle bomen die men er uitgraaft, liggen west-oostwaarts.
donderdag 6 oktober 2011
Discussie met een vrouw en een borrel op de hei
Elfde brief, deel 2
“Hola!” zei ik met een kleine glimlach (mijn geduld liep ten einde), “u zult misschien nog wel eerder bij de geuzen in de kerk moeten komen dan zij bij u.” Zij: “Ik zou me nog liever door vier paarden uiteen laten rukken, dan dat ik geus zou worden.” Ik: “Waarom wilt u niet veranderen, maar anderen wél dwingen om tot uw godsdienst over te gaan? Overtuig de geuzen ervan dat uw religie beter is dan de hunne en zij zullen de uwe graag aannemen. Maar u kunt dat niet, want werkelijk alles in uw godsdienst is strijdig met het gezonde, menselijke verstand.”
Er viel onmiddellijk een stilte en ik ging weg, want ik kon niet langer in zulk hatelijk gezelschap blijven. Wat is dat toch een afschuwelijk vrouwelijk wezen, dat in haar hart zo’n wraaklust tegenover anderen koestert. Zo een is een schandvlek voor haar sexe, ja een gruwel in de ogen van Hem die gezegd heeft: Mij komt de wraak toe! Ik zal het vergelden!! Zelfs al zouden de hervormden in vroeger tijden de roomsen onderdrukt hebben, zoals men beweert (maar nooit heeft bewezen), geeft dat hen dan nu het recht om hun haat en wraakzucht zo duidelijk te demonstreren?
De volgende dag ging ik in de ochtend naar Deurne. Voordat ik vertrok, maakte ik eerst mijn pistolen in orde, omdat mij verteld was dat de weg die ik zou moeten bewandelen, niet heel erg veilig was. Hij is namelijk zeer eenzaam en loopt kaarsrecht door de hei van Helmond naar de zojuist genoemde plaats. De afstand is twee uren gaans. Bijna in het midden van de route staat een allerarmzaligst hutje dat tegelijk een kroegje is. Ik kocht hier een borrel (een dropjen zoals men in de Meierij zegt). Dat was mij aangeraden, omdat de bewoners van dit hutje niet tot de eerlijkste lieden zouden behoren. Maar er gebeurde mij niets bij deze arme mensen, die mij vriendelijk behandelden.
“Hola!” zei ik met een kleine glimlach (mijn geduld liep ten einde), “u zult misschien nog wel eerder bij de geuzen in de kerk moeten komen dan zij bij u.” Zij: “Ik zou me nog liever door vier paarden uiteen laten rukken, dan dat ik geus zou worden.” Ik: “Waarom wilt u niet veranderen, maar anderen wél dwingen om tot uw godsdienst over te gaan? Overtuig de geuzen ervan dat uw religie beter is dan de hunne en zij zullen de uwe graag aannemen. Maar u kunt dat niet, want werkelijk alles in uw godsdienst is strijdig met het gezonde, menselijke verstand.”
Er viel onmiddellijk een stilte en ik ging weg, want ik kon niet langer in zulk hatelijk gezelschap blijven. Wat is dat toch een afschuwelijk vrouwelijk wezen, dat in haar hart zo’n wraaklust tegenover anderen koestert. Zo een is een schandvlek voor haar sexe, ja een gruwel in de ogen van Hem die gezegd heeft: Mij komt de wraak toe! Ik zal het vergelden!! Zelfs al zouden de hervormden in vroeger tijden de roomsen onderdrukt hebben, zoals men beweert (maar nooit heeft bewezen), geeft dat hen dan nu het recht om hun haat en wraakzucht zo duidelijk te demonstreren?
De volgende dag ging ik in de ochtend naar Deurne. Voordat ik vertrok, maakte ik eerst mijn pistolen in orde, omdat mij verteld was dat de weg die ik zou moeten bewandelen, niet heel erg veilig was. Hij is namelijk zeer eenzaam en loopt kaarsrecht door de hei van Helmond naar de zojuist genoemde plaats. De afstand is twee uren gaans. Bijna in het midden van de route staat een allerarmzaligst hutje dat tegelijk een kroegje is. Ik kocht hier een borrel (een dropjen zoals men in de Meierij zegt). Dat was mij aangeraden, omdat de bewoners van dit hutje niet tot de eerlijkste lieden zouden behoren. Maar er gebeurde mij niets bij deze arme mensen, die mij vriendelijk behandelden.
Abonneren op:
Posts (Atom)












