Zeventiende brief, deel 7
Ik heb u alles naar waarheid gerapporteerd, zo onpartijdig als mij mogelijk was. Toch zul je in mijn brieven zaken gevonden hebben, die iedere andere lezer als scherp en partijdig zouden toeschijnen, maar jij kent mijn hart. Je weet hoezeer dat gruwt van alle partijzucht, maar je weet ook dat ik als vriend van de waarheid geen slechte zaken voor je verborgen kon of wilde houden.
Hoe graag zou ik je niet een positieve indruk gegeven hebben van de meierijenaars, maar de waarheid verhinderde mij dat. Betreur dan met mij de ongelukkige inwoners en vooral de hervormden onder hen, dit is alles wat wij er nu aan kunnen doen. Als wij elkaar spreken, zal ik je over een en ander nog meer vertellen, als de tijd en mijn bezigheden die alweer op mij wachten, dat tenminste toelaten. Anders zal ik je schrijven in de lege ogenblikken die mij nog overblijven.
Binnen een dag of vier hoop ik jr te zien. Overmorgen wandel ik van hier via Udenhout en Helvoirt naar De Bosch, om mij dan de volgende dag in te schepen. Als de wind gunstig is, ben ik snel bij je. O! Hoe verlang ik al naar het moment, waarop ik jou, mijn vriend, aan mijn hart kan drukken. Ik tel de uren al af die mij na zo’n lange afwezigheid weer bij jou zullen brengen.
Als u deze brief ontvangt, hoop ik niet ver meer van je vandaan te zijn. Hij zal je verzekeren dat je binnenkort een kus van de heiligste vriendschap zult ontvangen van je onveranderlijke en getrouwe
Vriend.
Posts tonen met het label Brief 17. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief 17. Alle posts tonen
donderdag 3 mei 2012
donderdag 26 april 2012
Meijerijse woordenschat
![]() |
| Tekening door C. Schindler van Beugen, te vinden in de collectie Hanewinckel |
Zeventiende brief, deel 6
De Meierij levert mooie panorama’s op en de tekenpen zou hier veel werk kunnen vinden, wanneer men die vergezichten (zoals ik je hierbij enkele tekeningen stuur) in druk zou willen uitgeven. Ik heb een paar kerken en kastelen in druk gezien, maar die zijn niet te vergelijken met de panorama’s die de dorpen en vooral de natuur bieden.
Tenslotte geef ik u hier nog een paar oude woorden die in de Meierij in gebruik zijn:
gaderen - verzamelen
hoeven - behoeven
goor - moerassig
schoer - regenbui
door - gek
weet - kennis
wareit - waarheid
licht - misschien
insteker - kwaadspreker
doe - toen
deder - deed er
broed - broedsel
Waarschijnlijk worden in deze streken nog veel meer oude woorden gebruikt die mij ofwel ontschoten zijn, ofwel die ik nog niet heb opgemerkt.
Dit is nu mijn laatste brief, lieve vriend. Ik heb mijn reis gedeeltelijk met genoegen, maar nog meer met verdriet volbracht. Ik beklaag in mijn hart de protestanten en vooral hun leraren, die zich hier bevinden. Ik betreur met bloedend hart het bijgeloof, de haat, de dweepzucht en de domheid der meierijenaars en wens niets vuriger dan dat eens de ware verlichting hen allemaal moge bestralen en dat liefde en verdraagzaamheid hen moge bezielen.
dinsdag 24 april 2012
Meer verdraagzaamheid, meer liefde
Zeventiende brief, deel 5
Wanneer er in de Meierij minder bijgeloof en meer verdraagzaamheid, minder dweepzucht en meer scherpzinnigheid, minder haat en meer liefde ten opzichte van andersdenkende religieuze overtuigingen zou heersen onder de roomsen, dan zou dit land zeer aangenaam zijn om te wonen. Maar de huidige toestand maakt het leven voor een protestant hier geweldig zuur.
De grote vraag is hier hoe men al die bijgelovigheden, die haat en dweepzucht zou moeten uitroeien. Mij lijkt (maar ik werp dat alleen maar op als denkbeeld en niet als iets zekers), dat men hier veel aan zou kunnen bijdragen als men het bijgeloof zou proberen te verminderen. Als men voor de kerkgebouwen andere regelingen had getroffen en eenieder in het rustige bezit van het zijne had gelaten; of ook als men nu zou verordonneren dat alle heiligen uit de kerken zouden moeten worden verwijderd, als zijnde strijdig met het ideaal van gelijkheid.
donderdag 19 april 2012
Spoken en ander bijgeloof
![]() |
| Ingang van het kerkhof aan de Bredaseweg in Tilburg, 1892 Bron: Stichting tot Behoud van Tilburgs Cultuurgoed |
Zeventiende brief, deel 4
Vaak heb ik in mijzelf moeten lachen als ik zag dat ze nooit een stuk van een nieuw brood afsneden zonder er met het mes een kruis op te maken, waarschijnlijk om het brood te zegenen. Alles moet bekruist en gezegend worden, anders is het niet goed. Het bijgeloof is in dit opzicht onbeschrijflijk groot.
Het bijgeloof en de angst voor spoken, heksen, weerwolven, tovenarijen en dergelijke is ongelooflijk sterk in de Meierij. Er is geen dorp of er vertoont zich wel, volgens de inwoners dan, een of ander spook, dat men over het algemeen een grouwel noemt. Maar het bijgeloof van de roomsen is vooral onuitsprekelijk groot met betrekking tot het kerkhof.
Zij zullen nooit ’s avonds over het kerkhof gaan, tenzij dat absoluut noodzakelijk is. En dan nog bekruisen ze zich van te voren. Want hier is het dat de geesten en spoken, vooral ’s nachts om twaalf uur, zich vrijelijk verzamelen. Wat men hier ook tegenin brengt, niets kan hen van dit dwaze idee afbrengen.
Als men denkt dat een zieke zal gaan sterven, roept men alle buren bijeen om voor de zieltogende lijder een rozenkrans te bidden, dat is enkele Onzevaders en Weesgegroetjes. Is dit gedaan, dan gaat ieder weer naar huis. Tijdens het sterven geeft men de zieke een gewijde, brandende kaars in de hand: dit bevordert een zachte dood. Zodra hij gestorven is, sluit men de vensters, zet een brandende lamp bij het lijk en waakt er ’s nachts bij. Ook bidt men dan voor de zielerust van de overledene.
Zodra hij is gestorven, luidt men ook meteen de klok voor de dode. Dit verdrijft de duivel en degenen die het horen, kunnen dan voor de ziel van de overledene bidden. Bij de begrafenis legt men de lijken altijd in oost-westelijke richting in het graf. Als dit eenmaal gebeurd is, gaat de hele lijkstoet een paar keer al biddende rond het graf en als men dan vertrekt, maakt men er een lichte buiging voor.
dinsdag 17 april 2012
Broederschappen en amuletten
Zeventiende brief, deel 3
Bijna elke roomse man of vrouw behoort tot een soort genootschap dat is toegewijd aan een of andere heilige. Men is hierdoor verplicht om eens per jaar op een bepaalde dag een uur lang te bidden voor die heilige, liefst in de kerk als dat kan. Uur en dag staan vast en moeten ook stipt worden nageleefd, zoals ik heb gezien op een gedrukt blaadje papier. Hierop is alles wat men moet doen en alle profijt dat daaruit voortvloeit, vastgelegd. Op zo’n blaadje wordt de naam van de persoon ingevuld en het wordt als teken van echtheid door de priester ondertekend.
Dit is iets wat bijna niemand van de hervormden weet die over de roomse religie hebben geschreven. Ik heb het tenminste nog bij geen enkele schrijver aangetroffen. Van Emdre, die nog onlangs over de geloofsrichtingen in ons vaderland heeft geschreven, wist er ook niets van, anders had hij het zeker wel genoemd.
Op de muren van de meeste huizen ziet men grote, witte kruisen staan, met kalk gewit. Ook ziet men wel kleine houten kruisen bovenop de daken staan. Dat is ter bescherming van de huizen tegen de duivel en alle kwaad. Ieder vrouwspersoon draagt een gouden of zilveren kruisje om de nek. Deels dient het als sieraad, maar deels ook als bescherming tegen tovenarij, bezweringen etc. Dat komt dus helemaal overeen met de praebia van de oude Romeinen.
Bijna elke roomse man of vrouw behoort tot een soort genootschap dat is toegewijd aan een of andere heilige. Men is hierdoor verplicht om eens per jaar op een bepaalde dag een uur lang te bidden voor die heilige, liefst in de kerk als dat kan. Uur en dag staan vast en moeten ook stipt worden nageleefd, zoals ik heb gezien op een gedrukt blaadje papier. Hierop is alles wat men moet doen en alle profijt dat daaruit voortvloeit, vastgelegd. Op zo’n blaadje wordt de naam van de persoon ingevuld en het wordt als teken van echtheid door de priester ondertekend.
Dit is iets wat bijna niemand van de hervormden weet die over de roomse religie hebben geschreven. Ik heb het tenminste nog bij geen enkele schrijver aangetroffen. Van Emdre, die nog onlangs over de geloofsrichtingen in ons vaderland heeft geschreven, wist er ook niets van, anders had hij het zeker wel genoemd.
Op de muren van de meeste huizen ziet men grote, witte kruisen staan, met kalk gewit. Ook ziet men wel kleine houten kruisen bovenop de daken staan. Dat is ter bescherming van de huizen tegen de duivel en alle kwaad. Ieder vrouwspersoon draagt een gouden of zilveren kruisje om de nek. Deels dient het als sieraad, maar deels ook als bescherming tegen tovenarij, bezweringen etc. Dat komt dus helemaal overeen met de praebia van de oude Romeinen.
donderdag 12 april 2012
Kermis!
![]() |
| Koningsschieten in Maashees Bron: fotostudio Jan Waarma/collectie BHIC, inv.nr. GLD07171 |
Zeventiende brief, deel 2
In ieder dorp is het één keer per jaar kermis en dan is alles (ik heb hier en daar een meierijse boerenkermis meegemaakt) in beweging en vrolijk. Men zit dan de hele dag in de herberg en drinkt tot men er bij neervalt. De ongetrouwden, zowel mannen als vrouwen, dansen op de klanken van een viool, die op rampzalige manier bespeeld wordt. Het dansen is beklagenswaardig. Men zingt dan ook vaak met een dronken strot en dat geluid is om gek van te worden. Ik heb in de hele Meierij, waar ik ook geweest ben, nog niemand gevonden die goed kan zingen. De meierijenaars schijnen hier niet voor gemaakt te zijn.
In de herbergen vrijt men tijdens de kermis ook bij het leven, maar dat gebeurt vaak met een dronken kop en dus behoorlijk zedeloos. Ik zal hier geen ander woord gebruiken. Genoeg! Je begrijpt me wel.
Men schiet bij zo’n gelegenheid ook op een houten vogel of papegaai op een hoge staak (men noemt dat hier een schutsboom). Hij die de vogel eraf schiet, is koning en wordt als teken van waardigheid omhangen met een serie zilveren schilden. Zijne Boerenmajesteit moet voor deze eer als geschenk er ook zo’n schildje aan hangen, met zijn naam erin gegraveerd.
dinsdag 10 april 2012
Bijna geen runderpest in de Meierij
![]() |
| Runderpest in Nederland, 18e eeuw |
Zeventiende brief, deel 1
Zeer beminde S....!
“Nog één brief”, zei ik mijn vorige, “en dan hoop ik je spoedig weer te zien.” Hier is die dan. Als je hem ontvangt, ben ik al op weg naar je. Ik moet je in deze brief nog enkele gewoonten en bijgelovigheden van de roomsen in de Meierij schetsen (alles wat ik geschreven heb, heeft alleen maar betrekking daarop) en dan zal ik met een vrolijk hart zeggen: Adieu Meierij!
Als iets bijzonders kan ik je melden dat de runderpest, waardoor Holland en andere provincies zo vaak en vreselijk zijn geteisterd, bijna nooit in de Meierij geheerst heeft. En als ze hier al eens gewoed heeft, dan was dat op zeer beperkte schaal. Ik geloof dat men dit vooral moet toeschrijven aan het feit dat men de koeien ’s nachts en ook op het heetst van de dag altijd op stal houdt.
Zij zijn dus beschermd tegen de brandende hitte van de zonnestralen, die de weerstand van een koe beslist enigszins verzwakt, en ook tegen de kou van de nacht en in het bijzonder de kwade dampen en nevels die ’s nachts neervallen en die dan door de koeien in het open veld worden ingeademd, of, als die dampen op het gras vallen, mee worden opgegeten. Men weet immers dat besmettelijke ziekten, zelfs onder mensen, zich vooral ’s nachts verspreiden.
Zou dat niet een nader onderzoek door deskundigen waard zijn? Zou het overnemen van deze gewoonte niet veel kunnen bijdragen aan het beteugelen van de vreselijke runderpest, mochten wij ooit (wat de Goede Hemel verhoede!) door die straf overvallen worden? Hetzelfde geldt hier ook voor de schapen, die hier minder dan in Holland onder ziekten te lijden hebben.
Abonneren op:
Posts (Atom)



.jpg)
