Posts tonen met het label Brief 4 (reis 2). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief 4 (reis 2). Alle posts tonen

dinsdag 30 oktober 2012

Aankomst in Tilburg

De 'Heuvel' in Tilburg, met voor de deur van hotel de Gouden Zwaan
een rijtuig om de gasten van en naar het station te vervoeren (bron: RAT)

Vierde brief, deel 6

Ik: dat is toch vreemd. Hoe kan een volk zo dom, dwaas en blind zijn? Ik twijfel geen moment dat er onder de priesters (de goeden niet te na gesproken) veel liefhebbers zijn van wijntje en Trijntje. Het zou een wonder zijn, als al die mensen die reeds in hun vroege jeugd tot priester werden opgeleid, nu juist tot die soort zouden behoren die geen menselijke zwakheden kennen. Is dat niet zo?

De onbekende: twijfel daar maar geen moment aan! Ik vertel u niet anders dan de waarheid, die ik voor de hele wereld staande wil en kan houden.

Onder dit gesprek waren we in Tilburg nog voor we het beseften. Nadat wij met elkaar een glas wijn gedronken hadden, reed de vriendelijke Onbekende verder naar Breda. Ik bedankte hem voor zijn vriendelijkheid, hij mij voor mijn gezelschap en wenste mij een aangename reis en een prettige wandeling toe. Ik bleef hier. Ik stel me zo voor een paar dagen hier door te brengen, voordat ik verder ga.

Nu mag ik deze brief wel gaan afronden, want hij is naar mij toeschijnt lang en belangrijk genoeg. Je hebt immers al brieven van mij gekregen en je zult er ook nog wel meer krijgen, die bij lange na niet zo van belang waren of zullen zijn als deze. Ik heb me dus voldoende ingespannen om je alles zo op papier over te brengen. Ik leg de pen nu neer om die bij de eerste gelegenheid weer op te nemen, maar eerst schrijf ik hieronder nog dat ik altijd ben:
geheel de jouwe.

donderdag 25 oktober 2012

“Wonderbaarlijke” genezing

Vierde brief, deel 5

De onbekende: Maar zeker is dat de waarheid. Ik zal u iets vertellen waarvan ik zelf ooggetuige ben geweest. In een bepaald dorp was het bedevaart en ik moest toevallig op die dag door dat dorp heen om naar een andere plaats te gaan. Ik reed er naar toe en voordat ik bij de bedevaartplaats kwam, haalde ik een man in, die een stel krukken over zijn schouder droeg, terwijl hij zeer goed kon lopen. Ik hield hem in de gaten, reed wat zachter, en zag toen dat hij dichterbij het dorp komende zijn krukken onder zijn armen zette en zo moeizaam begon te lopen, dat men medelijden met hem zou krijgen.

Met opzet zweeg ik hierover in het dorp, reed verder en kwam de volgende dag weer terug. Toen werd mij verteld dat er de vorige dag een wonder was gebeurd: een man die ellendig kreupel liep en op krukken rondhobbelde, was plotseling door de priester genezen.

Ik antwoordde dat dit puur bedrog was en dat de man beslist moest zijn omgekocht, omdat ik dat en dat (hier vertelde ik alles) gezien had. Men werd boos op mij, noemde me een kwaadaardige leugenaar en schold mij uit voor een ongelovige ketter. Ik zweeg, want men wilde verder niets horen, en reed weg.

Ik: wat een goddeloos bedrog! Wat een slechtheid!!

De onbekende: Precies! Maar het is verwonderlijk dat de priesters die zulke streken uithalen desondanks voor bijzonder heilig worden gehouden, ofschoon iedereen die de zaak nauwkeurig zou onderzoeken, vrij makkelijk het bedrog zou ontdekken. Er heerst nu eenmaal een dwaze waangedachte onder het domme volk en die is dat een priester niet kan en niet zal bedriegen.

Iedere priester is naar het idee van de meesten een heilige, al zijn er vele priesters (ook al zijn er ook braven onder hen) die fanatieke liefhebbers zijn van kaarten, van Bacchus en van Venus. Dat is de reden dat zo’n onderzoek nooit wordt ingesteld.

dinsdag 23 oktober 2012

Over werken op zondag en heiligenverering


Vierde brief, deel 4

De onbekende: ik wil hier niet verder over doorgaan. Ik zal u een paar voorbeelden van bijgelovigheid geven, waarvan ik u kan verzekeren dat ze naar de volle waarheid zijn.

Ik: ik vertrouw erop dat u mij niets anders dan de waarheid vertelt. Ja! Ik weet uit ondervinding dat alles zo is, zoals u het vertelt.

De onbekende: ik haat de leugen. En wat voor reden zou ik overigens hebben om u te misleiden? Maar laat mij mijn stelling met enige bijgelovigheden ondersteunen. Geen enkele roomse zal gaan werken op een dag die aan de verering van Maria of van een andere zogenaamde heilige gewijd is. Maar hooi of graan binnenrijden en zo voort op een zondag, daar ziet hij geen been in.

Ik: dat is toch helemaal verkeerd! Want wat is er niet een verschil tussen een dag, gewijd aan het Opperwezen, en een die gewijd is aan een zogenaamde sanct of sanctin, die misschien wel nooit geleefd heeft, nooit bestaan heeft, behalve dan in het domme brein van een monnik, die zo’n heiligenleven in elkaar heeft geflanst.

De onbekende: zo is dat! Verder: ieder dorp heeft een beschermheilige. Naar ieder dorp wordt jaarlijks een bedevaart gehouden, want hier vereert men een heilige tegen hoofdpijnen, daar tegen kiespijn, elders tegen zere benen, op weer een andere plek tegen de rode loop, de runderpest enz., enz.. Men gaat dus van andere dorpen telkens naar het soort heilige dat men denkt nodig te hebben. Tijdens die bedevaarten gebeuren vaak wonderen, die echter niets anders zijn dan bedriegerijen van de priesters.

Ik: dat heb ik ook meer dan eens gehoord en ik weet dat dat waar is.

donderdag 18 oktober 2012

Gesprek met een onbekende heer

Vierde brief, deel 3

Zodra ik gegeten had, verliet ik de vereerders van Sint Everlijn. Ik spande mijn apostelpaarden in om daarop naar Tilburg te rijden, maar ik was nog niet ver op pad, of ik werd ingehaald door een rijtuig dat met twee paarden was bespannen. Er zat een heer in dat rijtuig, die mij, zodra we elkaar begroet hadden, vroeg of hij mij een plaatsje mocht aanbieden, omdat hij toch ruimte genoeg had. Ik nam dit vriendelijke aanbod meteen aan en ging naast hem zitten. Eerst spraken we over ditjes en datjes, vervolgens vertelde ik hem over het doel van mijn reis. Ten slotte bracht ik het gesprek op de roomse inwoners van de Meierij en er ontspon zich in grote lijnen de volgende discussie tussen ons:

De onbekende: u kunt niet geloven wat een bijgelovigheid, haat en dweepzucht, en domheid zich onder de roomsen voordoet. Ik belijd zelf de hervormde godsdienst, maar hoewel die religie mij de liefde tegenover iedereen leert, kan ik toch geen warme gevoelens meer koesteren voor een roomsgezinde, hoe graag ik ook zou willen. Mijn hele hart komt daartegen in opstand. Als mens moet ik hem vanwege zijn gedrag haten, als christen moet ik hem beklagen.

Ik: dat lijkt me heel goed mogelijk, want u zult er ongetwijfeld goede redenen voor hebben.

De onbekende: zeer zeker! Maar het is niet uit eigenbelang en niet uit speciale opvattingen dat ik daartoe gekomen ben. Ik leef ambteloos en verlang ook niet naar een functie. Als ik zuinig ben, kan ik leven van wat ik bezit, en waarom zou ik dan iets begeren wat niet alleen met zorg en moeite vergezeld gaat, maar nog een ander aspect heeft dat mij tegen de borst stuit. Dat is namelijk dat een hervormde, ook al is hij zo deugdzaam als een engel en zo verstandig als een Salomon, op dit moment in de Meierij geen enkel ambt kan verkrijgen, tenzij hij diep door het stof kruipt, en dat zal ik nooit doen.

Ik: dat prijs ik in u. Een kruiperig karakter vind ik iets afschuwelijks.

dinsdag 16 oktober 2012

Rooms gedoe met heiligen

Beeldje van Sint Ermelindis
(Foto: P.J. Margry)
Vierde brief, deel 2

Zoals ik al zei, verliet ik Oisterwijk in de vroege ochtend en wandelde ik via Heukelom, waar ik niets opmerkelijks zag behalve een watermolen op het riviertje de Lei, naar Moergestel, een dorp aan de Nemer. Hier at ik, om na het middagmaal mijn reis voort te zetten naar Tilburg.

In Moergestel staat een fraaie kerk met toren. Er werd hier vroeger, en zonder enige twijfel ook nu nog, door de roomsen een onbekende heilige vereerd, die je, ook volgens de roomsen zelf, in geen enkele almanak, legende of martelaarsboek zult kunnen vinden. Zijn naam is Everlinus of Everlina, want men weet niet eens of het een man of een vrouw is geweest. Ik zou hem dus liever Sint Onbekend of in het Latijn S. Ignotus noemen, dat klinkt nog wat heiliger. Het gaat de belijders van de roomse religie erom toch maar niemand te vergeten, zoals ook de Atheners dat deden, door aan een Onbekende God wierook toe te zwaaien en voor hem offerdieren te slachten. De Atheners richtten een altaar op voor een hun onbekende godheid en de roomsen vieren het feest van Allerheiligen, dan vergeten zij ook niemand. Wat is wijzer?

Hier moet ik nog aan toevoegen dat je het woord gestel, dat vaker achter de naam van Meierijsche dorpen wordt gevoegd, niet moet uitspreken, zoals iedere Hollander dat vast zou doen als ge-stel, maar als ges-tel. Maar dit terzijde.

donderdag 11 oktober 2012

Ontroering bij zonsopkomst

Boerderij in Oisterwijk (bron: collectie RAT, nr. 57133)

Geliefde vriend!

Ik verliet Oisterwijk in de vroege ochtend bij het opkomen van de zon. De nijvere landman begaf zich naar zijn werk, waarschijnlijk met geen andere gedachte dan aan wat hij op die dag had te doen; want een Meierijsche boer is een van de ongevoeligste schepselen ter wereld. Hij is volstrekt niet vatbaar noch heeft hij enig gevoel voor het grootse en mooie van de zoete natuur. Een opkomende zon op een mooie lente- of zomerochtend ontroert hem een stuk minder dan het gekraai van zijn haan die hem ’s ochtends tot de arbeid roept. Bij mij ligt dat heel anders. Ik was, om het zo maar eens uit te drukken, een en al gevoel.

Onder het wandelen schoten me de volgende, uitstekende woorden uit de Ochtendgedachten van een Landman te binnen, die ik onlangs in een Hoogduits werkje las:

Schöner morgen! Alle kräuter blitzen!
Morgenroth erhellt der bäume spitzen,
Ringsum hebet lust und arbeit an;
Wie die Spinne hier so fleiszig webet,
Dort die schwalbe flink am dache schwebet,
Ach ich bin ein hochbeglückter man,
Dasz ich alles das empfinden kann!

Tijdens het wandelen nam ik een potlood en een stukje papier ter hand. Ik probeerde om deze verzen in Nederlandse dichtregels om te zetten en zie hier hoe ik ze van afstand gevolgd heb, hoewel mijn vertaling in schoonheid ernstig voor het origineel moet wijken:

Schone morgen! Dauw bedekt het kruid met droppen
’t Morgenrood verlicht der bomen hoge toppen,
Rondom gaat eenieder lustig de arbeid aan –
Ik zie nu hier in het loof de spinnen vlijtig weven,
‘k zie daar ook de zwaluw langs de daken zweven –
O! wat ben ik toch een oprecht gelukkig man,
Dat ik dit zo goed, zo diep gevoelen kan!

Noot
Dat ‘werkje’ was G.W.C. Starke, Gemählde aus dem hauslichen leben und Erzählungen. III. Sammlung, p. 103, uit 1793. Het is een typisch fysico-theologisch werk, in 1803-1804 vertaald door E.M. Post, een van de geliefde schrijfsters van Hanewinckel. Onze dominee is hier dus iets eerder met vertalen! :-)