Zesde brief, deel 6
Ik was helemaal vergeten dat ik mij voorgenomen had om mijn godsdienstige overtuiging aan niemand te onthullen. Mijn redeneringen deden mij nu duidelijk als een protestant herkennen. In het vervolg zal ik me er dan ook voor hoeden om mij uit te spreken over enig religieus twistpunt. Maar intussen had ik mij al weer ernstig vergist in mijn idee dat ik met een oprechte en tolerante man te maken had gehad.
Wat een sterk bewijs vormde dit gesprek voor de waarheid dat denkbeelden en vooroordelen die iemand met de paplepel worden ingegeven, hoe ongerijmd ze ook zijn, aan bijna iedereen blijven hangen en - als het om geloof gaat, vooral als dat een blind geloof is - niet gemakkelijk verborgen worden gehouden.
Zou u, mijn vriend, dit verwacht hebben van een man die van te voren zo ruimhartig en zo oprecht redeneerde? Ik was in ieder geval sprakeloos van verbazing en ik wist niet of ik mijn oren moest geloven of niet. Ik stond op, klopte mijn pijp uit, betaalde en vertrok. Op mijn kamer aangekomen, riep ik uit: “Alweer bedrogen uitgekomen!”
Maar laat ik hiermee ophouden. Het is al ruim na middernacht. Stil! Daar slaat de klok: half één, dus ik moet naar bed. Geheel de uwe,
L.J.A.
Posts tonen met het label Brief 6. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief 6. Alle posts tonen
dinsdag 31 mei 2011
donderdag 26 mei 2011
We worden het nooit eens
Zesde brief, deel 5
“De gereformeerden hebben er heel slecht aan gedaan om zich van de H. Kerk af te scheiden, want al keur ik vele dwaasheden in onze Kerk af en kan ik me helemaal niet vinden in alle bijgelovigheden, omdat die leiden tot verbittering en bespotting, toch beklaag ik de gereformeerden, omdat zij niet willen aanvaarden dat er buiten onze Kerk geen zaligheid bestaat. Zij willen dat maar niet begrijpen of inzien.
Er zijn maar een paar geloofspunten waarover ze gemakkelijk met ons zouden kunnen instemmen. Alles zou opgelost zijn, als zij het eens zouden kunnen worden over die punten, zonder welke niemand zalig kan worden, namelijk: de verandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus tijdens het sacrament van de H. Eucharistie; de onfeilbaarheid van onze Kerk en het feit dat de Paus de hoogste leider van de Kerk is.”
Nu kon ik het niet langer uithouden en ik viel hem vurig in de reden, al moet ik toegeven dat een koffiehuis niet echt de plek is om over godsdienst te twisten. Maar we zaten apart en niemand luisterde naar ons. Ik antwoordde dus met enige hartstochtelijkheid: “de transsubstantiatie is een geloofspunt dat strijdig is met alle zintuigen en dat noch door het gezonde verstand, noch door de Bijbel bewezen kan worden. Bovendien is die transsubstantiatie een uitvinding uit de negende eeuw van Paschasius Radbertus. Vóór die tijd wist men niets van zo’n wanstaltig idee.
De Roomse Kerk bestaat uit feilbare mensen, en toch zou ze onfeilbaar zijn, ofwel: de delen kunnen dwalen, maar het geheel niet? O, wat een mooie redenering is dat! Petrus is nooit in Rome geweest, dus hij kan daar geen bisschop of paus geweest zijn. En al was dat wél zo, dan nog is het niet bewezen dat de paus zijn opvolger is. Mij dunkt dat de roomsen zouden moeten inzien dat hun godsdienst bijna te gronde is gericht: de paus is al uit Rome weg, en als de oude Vader sterft, zal er waarschijnlijk geen opvolger komen. Als het hoofd weg is, zal er van de staart niet veel meer overblijven.”
“De gereformeerden hebben er heel slecht aan gedaan om zich van de H. Kerk af te scheiden, want al keur ik vele dwaasheden in onze Kerk af en kan ik me helemaal niet vinden in alle bijgelovigheden, omdat die leiden tot verbittering en bespotting, toch beklaag ik de gereformeerden, omdat zij niet willen aanvaarden dat er buiten onze Kerk geen zaligheid bestaat. Zij willen dat maar niet begrijpen of inzien.
Er zijn maar een paar geloofspunten waarover ze gemakkelijk met ons zouden kunnen instemmen. Alles zou opgelost zijn, als zij het eens zouden kunnen worden over die punten, zonder welke niemand zalig kan worden, namelijk: de verandering van brood en wijn in het Lichaam en Bloed van Christus tijdens het sacrament van de H. Eucharistie; de onfeilbaarheid van onze Kerk en het feit dat de Paus de hoogste leider van de Kerk is.”
Nu kon ik het niet langer uithouden en ik viel hem vurig in de reden, al moet ik toegeven dat een koffiehuis niet echt de plek is om over godsdienst te twisten. Maar we zaten apart en niemand luisterde naar ons. Ik antwoordde dus met enige hartstochtelijkheid: “de transsubstantiatie is een geloofspunt dat strijdig is met alle zintuigen en dat noch door het gezonde verstand, noch door de Bijbel bewezen kan worden. Bovendien is die transsubstantiatie een uitvinding uit de negende eeuw van Paschasius Radbertus. Vóór die tijd wist men niets van zo’n wanstaltig idee.
De Roomse Kerk bestaat uit feilbare mensen, en toch zou ze onfeilbaar zijn, ofwel: de delen kunnen dwalen, maar het geheel niet? O, wat een mooie redenering is dat! Petrus is nooit in Rome geweest, dus hij kan daar geen bisschop of paus geweest zijn. En al was dat wél zo, dan nog is het niet bewezen dat de paus zijn opvolger is. Mij dunkt dat de roomsen zouden moeten inzien dat hun godsdienst bijna te gronde is gericht: de paus is al uit Rome weg, en als de oude Vader sterft, zal er waarschijnlijk geen opvolger komen. Als het hoofd weg is, zal er van de staart niet veel meer overblijven.”
donderdag 19 mei 2011
Een fatsoenlijke katholiek!
Zesde brief, deel 4
Sommigen van de aanwezigen werden boos, want de waarheid mag niet gezegd worden. Boileau heeft helemaal gelijk, als hij ergens zegt: Un discours trop sincère aisement nous outrage; chacun dans ce miroir pense voir son image. [Een te oprecht gesprek brengt ons makkelijk tot razernij, want in die spiegel meent eenieder zijn eigen beeld te zien.] Anderen zwakten deze uitspraken wat af en wilden de zaak een beetje verdoezelen, want het is immers moeilijk om de waarheid aan te moeten horen over iets, waaraan men zelf schuldig is, en waarover men zich terecht zou moeten schamen, zoals hier het geval was. Ja, het is zoals Boileau in de zojuist aangehaalde versregels zegt: “een al te vrij gesprek mishaagt de meeste liên, in deezen spiegel denkt elkeen zijn beeld te zien.”
Ik bewonderde de oprechtheid van deze man en schonk hem al mijn hoogachting. “Kijk, daar heb je dan toch een fatsoenlijke katholiek, zonder bedrog”, zei ik bij mezelf. “Ik moet die man echt nog een keer spreken”. Daarop verliet ik hem en de rest van het gezelschap met een paar anderen en ging het koffiehuis binnen. Hier spraken we over onbelangrijke zaken, zoals over het weer en de lange dagen. Ik werd nu niet meer voor een vreemd être of een gek gehouden, zoals eerst, omdat ik me in het gesprek mengde.
Tenslotte kwam ook mijn oprechte onbekende weer binnen en ik ging onmiddellijk naar hem toe. Al snel kwamen wij weer op ons vorige gesprek uit over de kerken en de godsdienst en nadat we daar een tijdje over gesproken hadden, zonderden wij ons van de anderen af in een hoek van het vertrek. Toen begon hij ernstig, zeer ernstig, met mij te praten, terwijl hij zei: “onze godsdienst kent vele dingen die voor een gereformeerde en voor iedereen die van een andere gezindte is, bespottelijk lijken. En ze zijn ook inderdaad bespottelijk, maar eigenlijk doen ze er geen van alle wezenlijk toe. Wij zouden er veel van kunnen missen. Ik lach om al die malle fratsen, maar toch hou ik onze H. Kerk voor de enige ware Kerk, als je de gekkigheid erbuiten houdt.”
Sommigen van de aanwezigen werden boos, want de waarheid mag niet gezegd worden. Boileau heeft helemaal gelijk, als hij ergens zegt: Un discours trop sincère aisement nous outrage; chacun dans ce miroir pense voir son image. [Een te oprecht gesprek brengt ons makkelijk tot razernij, want in die spiegel meent eenieder zijn eigen beeld te zien.] Anderen zwakten deze uitspraken wat af en wilden de zaak een beetje verdoezelen, want het is immers moeilijk om de waarheid aan te moeten horen over iets, waaraan men zelf schuldig is, en waarover men zich terecht zou moeten schamen, zoals hier het geval was. Ja, het is zoals Boileau in de zojuist aangehaalde versregels zegt: “een al te vrij gesprek mishaagt de meeste liên, in deezen spiegel denkt elkeen zijn beeld te zien.”
Ik bewonderde de oprechtheid van deze man en schonk hem al mijn hoogachting. “Kijk, daar heb je dan toch een fatsoenlijke katholiek, zonder bedrog”, zei ik bij mezelf. “Ik moet die man echt nog een keer spreken”. Daarop verliet ik hem en de rest van het gezelschap met een paar anderen en ging het koffiehuis binnen. Hier spraken we over onbelangrijke zaken, zoals over het weer en de lange dagen. Ik werd nu niet meer voor een vreemd être of een gek gehouden, zoals eerst, omdat ik me in het gesprek mengde.
Tenslotte kwam ook mijn oprechte onbekende weer binnen en ik ging onmiddellijk naar hem toe. Al snel kwamen wij weer op ons vorige gesprek uit over de kerken en de godsdienst en nadat we daar een tijdje over gesproken hadden, zonderden wij ons van de anderen af in een hoek van het vertrek. Toen begon hij ernstig, zeer ernstig, met mij te praten, terwijl hij zei: “onze godsdienst kent vele dingen die voor een gereformeerde en voor iedereen die van een andere gezindte is, bespottelijk lijken. En ze zijn ook inderdaad bespottelijk, maar eigenlijk doen ze er geen van alle wezenlijk toe. Wij zouden er veel van kunnen missen. Ik lach om al die malle fratsen, maar toch hou ik onze H. Kerk voor de enige ware Kerk, als je de gekkigheid erbuiten houdt.”
dinsdag 17 mei 2011
De waarde van oude kerkgebouwen
Zesde brief, deel 3
Na de middag ging ik een klein stukje buiten de stad naar een herberg om daar te gaan kolven. Er waren veel Eindhovense burgers aanwezig en ik raakte met enkelen van hen in gesprek, waarbij ik vergat te kolven, terwijl anderen om ons heen stonden en ons aangaapten. Toevallig kwam ons gesprek op de kerk, en ik vroeg wat men met dat vervallen gebouw wilde gaan doen. “Weer opbouwen”, antwoordde er een. “Dat zal wel wat gaan kosten.” “Dat geeft niet.” “Wat gaat er dan mee gebeuren?” “Als katholieke kerk gebruiken.” “Maar de katholieken hebben hier toch al een behoorlijk grote en mooie kerk?” “Ja, maar deze kerk is oud en gewijd, en de onze is dat niet.” “Is dat dan beter of heiliger?” “Zeer zeker! Hier moet men alles, zelfs zijn laatste duit, voor over hebben.”
De mij onbekende, maar oprechte man begon daarop met een soort van enthousiasme te praten tegen mij. Hij zei: “Denk niet, meneer, dat dit mijn eigen gedachten zijn! Nee! Zo redeneert het grootste deel van mijn geloofsgenoten. Ze leggen een verband tussen grote heiligheid en grote kerken, en daar heeft men alles voor over. Juist daarom is het zo dat men in sommige dorpen de gereformeerden hun kerk met geweld heeft afgenomen: niet omdat die gebouwen beter zijn, maar omdat ze heiliger zijn, ofschoon ze nu óntheiligd zijn, doordat die ketters er zo lang hun religie in hebben uitgeoefend. Maar als wij al ons kerkmeubilair er weer in hebben teruggeplaatst, en heeroom heeft de kerk opnieuw gewijd, dan keert ook de oude heiligheid weer terug.
Om te voorkomen dat er nog iets de kerk zou ontheiligen, heeft men ook de lijken van de geuzen opgegraven en ze beestachtig behandeld, zoals u wel in de kranten zult hebben gelezen. Zo’n verbitterde domheid (en die heerst nog in het algemeen bij de meeste inwoners van deze regio) is uitsluitend toe te schrijven aan veel van onze priesters, die het volk zo dom, zo verbitterd en zo bijgelovig houden.”
![]() |
| Kolven in de 18e eeuw |
De mij onbekende, maar oprechte man begon daarop met een soort van enthousiasme te praten tegen mij. Hij zei: “Denk niet, meneer, dat dit mijn eigen gedachten zijn! Nee! Zo redeneert het grootste deel van mijn geloofsgenoten. Ze leggen een verband tussen grote heiligheid en grote kerken, en daar heeft men alles voor over. Juist daarom is het zo dat men in sommige dorpen de gereformeerden hun kerk met geweld heeft afgenomen: niet omdat die gebouwen beter zijn, maar omdat ze heiliger zijn, ofschoon ze nu óntheiligd zijn, doordat die ketters er zo lang hun religie in hebben uitgeoefend. Maar als wij al ons kerkmeubilair er weer in hebben teruggeplaatst, en heeroom heeft de kerk opnieuw gewijd, dan keert ook de oude heiligheid weer terug.
Om te voorkomen dat er nog iets de kerk zou ontheiligen, heeft men ook de lijken van de geuzen opgegraven en ze beestachtig behandeld, zoals u wel in de kranten zult hebben gelezen. Zo’n verbitterde domheid (en die heerst nog in het algemeen bij de meeste inwoners van deze regio) is uitsluitend toe te schrijven aan veel van onze priesters, die het volk zo dom, zo verbitterd en zo bijgelovig houden.”
dinsdag 10 mei 2011
De botermarkt en geknoei met de klok
Zesde brief, deel 2
Aan het andere eind van de markt werd onder een boom de botermarkt gehouden en ook boter afgewogen. De boterhandelaren liepen rond en schreven met een stuk krijt een letter op de borst van de boerinnen, die met een zekere statigheid een mand met boter op hun rug droegen. Ze spraken dan enkele woorden met de boerin. Ik vroeg aan iemand, wat dat te betekenen had. Hij antwoordde dat daaruit voor andere handelaren bleek dat die boter besproken was en dat daarom geen andere koopman die nog kon krijgen. Dat gold dan niet voor een burger of inwoner van de stad: die had nog de keus, maar moest dan ook per pond een of twee duiten meer betalen.
Het is opvallend dat de prijs van boter en granen in een groot deel van de Meierij zich richt naar de prijs die dinsdags te Eindhoven wordt vastgesteld. Die prijs wordt een hele week lang door kopers en verkopers stipt in acht genomen, tot aan de volgende marktdag, wanneer die prijs dan weer verandert (of niet).
Het is hier ook gebruikelijk om op marktdagen de klok van het stadhuis terug te zetten, zodat de vreemdelingen wat langer zouden blijven en dus meer verteren. Wat vind je van zo’n stunt?!
Ik verliet vervolgens de markt en ging op het stadhuis aan. Dat stond open, omdat daar de graanprijs door het stadsbestuur voor de hele week wordt vastgesteld, en dat wordt dan vervolgens aan de deur van het stadhuis opgehangen. Men noemt dat hier de peg steken. Aan het stadhuis zelf is niets opzienbarends te zien, behalve dat ik boven de deur van de secretarie dit monnikenvers las:
![]() |
| Boterboerinnen uit Veghel (collectie BHIC) |
Het is opvallend dat de prijs van boter en granen in een groot deel van de Meierij zich richt naar de prijs die dinsdags te Eindhoven wordt vastgesteld. Die prijs wordt een hele week lang door kopers en verkopers stipt in acht genomen, tot aan de volgende marktdag, wanneer die prijs dan weer verandert (of niet).
Het is hier ook gebruikelijk om op marktdagen de klok van het stadhuis terug te zetten, zodat de vreemdelingen wat langer zouden blijven en dus meer verteren. Wat vind je van zo’n stunt?!
Ik verliet vervolgens de markt en ging op het stadhuis aan. Dat stond open, omdat daar de graanprijs door het stadsbestuur voor de hele week wordt vastgesteld, en dat wordt dan vervolgens aan de deur van het stadhuis opgehangen. Men noemt dat hier de peg steken. Aan het stadhuis zelf is niets opzienbarends te zien, behalve dat ik boven de deur van de secretarie dit monnikenvers las:
Audi vide et tace si vis vivere in pace
[hoor, zie en zwijg, als je in vrede wilt leven]
donderdag 5 mei 2011
Bedelaars en oplichters
Zesde brief, deel 1
Zeer beminde vriend!
Vandaag is het hier weer marktdag geweest, zoals het hier iedere dinsdag weekmarkt is. Uit alle kanten van de Meierij komt men dan hier naar toe om te kopen en te verkopen. Zo levendig als op deze dag heb ik het hier nog niet gezien. Ik bleef lang op mijn kamer om de mensen die de stad binnenkwamen te bekijken: van allerlei verschijningen, standen en leeftijden. Wat mij het meest verbaasde, was de hoeveelheid bedelaars die altijd hier op de marktdag afkomen. Zeer velen van hen zijn gezond, jong en sterk.
Een oude, afgeleefde en gebrekkige bedelaar kan met recht aanspraak maken op ons medelijden, maar het soort, dat zeer goed in staat is om met werken de kost te verdienen, is een schandvlek voor de maatschappij en zoals iemand ze zeer fraai heeft genoemd: inutilia terrae pondera, een voor de wereld nutteloze last.
Uiteindelijk ging ik ook maar de markt op om die nu eens nauwkeurig te bestuderen (want ofschoon ik er wel al vaker ben geweest, heb ik hem telkens maar vluchtig bekeken). Ik zag er niets opmerkelijks. Hier stond een liedjeszanger, omringd door een massa boeren en boerinnen, voor wie hij zijn ellendige rommel zo hard mogelijk voorbalkte. Hij verkocht heel veel van zijn prullen, ofschoon ze alleen maar bijgelovige leugens bevatten. Daar stond een kwakzalver die loog alsof het gedrukt stond. Zijn leugenpraatjes gingen er goed in bij de menigte die om hem heen stond en zijn waren vonden veel aftrek.
Ik dacht toen bij mezelf: mundus vult decipi [de wereld wil bedrogen worden] en de kwakzalver zal er zeker bijgedacht hebben: decipiatur ergo! [dus zal ze ook bedrogen worden!]
![]() |
| Een liedjeszanger verkoopt zijn liederen (bron: dbnl) |
Vandaag is het hier weer marktdag geweest, zoals het hier iedere dinsdag weekmarkt is. Uit alle kanten van de Meierij komt men dan hier naar toe om te kopen en te verkopen. Zo levendig als op deze dag heb ik het hier nog niet gezien. Ik bleef lang op mijn kamer om de mensen die de stad binnenkwamen te bekijken: van allerlei verschijningen, standen en leeftijden. Wat mij het meest verbaasde, was de hoeveelheid bedelaars die altijd hier op de marktdag afkomen. Zeer velen van hen zijn gezond, jong en sterk.
Een oude, afgeleefde en gebrekkige bedelaar kan met recht aanspraak maken op ons medelijden, maar het soort, dat zeer goed in staat is om met werken de kost te verdienen, is een schandvlek voor de maatschappij en zoals iemand ze zeer fraai heeft genoemd: inutilia terrae pondera, een voor de wereld nutteloze last.
Uiteindelijk ging ik ook maar de markt op om die nu eens nauwkeurig te bestuderen (want ofschoon ik er wel al vaker ben geweest, heb ik hem telkens maar vluchtig bekeken). Ik zag er niets opmerkelijks. Hier stond een liedjeszanger, omringd door een massa boeren en boerinnen, voor wie hij zijn ellendige rommel zo hard mogelijk voorbalkte. Hij verkocht heel veel van zijn prullen, ofschoon ze alleen maar bijgelovige leugens bevatten. Daar stond een kwakzalver die loog alsof het gedrukt stond. Zijn leugenpraatjes gingen er goed in bij de menigte die om hem heen stond en zijn waren vonden veel aftrek.
Ik dacht toen bij mezelf: mundus vult decipi [de wereld wil bedrogen worden] en de kwakzalver zal er zeker bijgedacht hebben: decipiatur ergo! [dus zal ze ook bedrogen worden!]
Abonneren op:
Posts (Atom)


