Drieëntwintigste brief, deel 6
Verder weet ik op dit moment niets meer toe te voegen aan deze brief, ik kan me tenminste niets meer herinneren. Als ik mij straks heb aangekleed, loop ik nog eens een rondje over de wal, dan ga ik eten en na het middagmaal ga ik naar Vught, als het weer tenminste mee wil werken, om een kopje thee te drinken. De avond zal ik in het koffiehuis doorbrengen, want ik moet de Bosschenaars beslist nog eens horen praten en zien kaarten. Zo, nu weet je, wat je vriend vandaag gaat doen.
Overmorgen vertrek ik beslist van hier en morgen krijg je de laatste brief van mij, als ik vandaag nog wat ontdek. Anders is dit de laatste. Ik ben oprecht blij dat ik deze voettocht door de Meierij weer zo goed ten einde heb gebracht. Het heeft mij veel genoegen verschaft, al zou dat genoegen nog veel groter zijn geweest, als ik had mogen ervaren dat er nu meer verdraagzaamheid zou heersen in de Meierij dan vorig jaar, maar helaas!
Alles is wat dat betreft nog hetzelfde en in veel opzichten zelfs erger geworden. Dezelfde domheid, hetzelfde bijgeloof, dezelfde dweepzucht, godsdiensthaat en vervolgingszucht heersen er nog even sterk. En ze zullen er wel altijd blijven. Nooit zal hier verandering in komen of er moet een wonder gebeuren. Maar geduld! Ik moet deze brief gaan sluiten, want ieder ogenblik kan de post wegrijden. Over een paar dagen ben ik bij je, over enkele dagen kan ik je in persoon verzekeren dat je mij nog als dezelfde oprechte vriend kunt beschouwen, die ik altijd voor je ben geweest. Ja, dat niets enige verandering kan of zal veroorzaken in het hart van hem die ondertekent als geheel de
Jouwe.
Posts tonen met het label Brief 23 (reis 2). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief 23 (reis 2). Alle posts tonen
dinsdag 13 augustus 2013
donderdag 8 augustus 2013
De ongewisse toekomst der predikanten
Drieëntwintigste brief, deel 5
Tot slot en op het laatst moet ik nog dit aan deze brief toevoegen: nergens heeft men zoveel onrust gestookt als in de Meierij; niemand heeft ook meer zijn best gedaan om de predikanten der hervormden van hun bezoldiging te beroven, dan de Meierijenaars; en men is hierin ook zo goed geslaagd, dat die ongelukkigen over ruim een jaar (dan zijn immers de drie jaar voorbij die de Staatsregeling noemt) niets meer van het Rijk ontvangen. Is dat wel rechtvaardig? Hebben de Meierijsche predikanten niet het grootste recht op hun jaarwedde? Waren zij niet voor het leven aangesteld? Moest men zich dus niet aan dit contract houden? Had men hen minstens gedurende hun leven dit voorrecht niet moeten laten genieten? Zou men niet veel humaner zijn omgegaan met roomse geestelijken? Die heeft men toch ook hun inkomsten laten behouden na de overgang van Den Bosch?
Ja zeker wel! Over de zaken die aan de roomsen zijn toegestaan volgens het verdrag van de overgave van ’s-Hertogenbosch, getekend op 14 september 1629, vind ik het volgende, namelijk artikel 3 en 4: “deze geestelijke en religieuze personen zullen hun leven lang alle inkomsten en vruchten genieten van hun goederen, die gelegen zijn op plaatsen waar men belasting betaalt. Alle nonnen en religieuze vrouwspersonen zullen in de stad mogen blijven en hun leven lang onderhouden worden vanuit de inkomsten van hun respectievelijke kloostergoederen.”
Als men op die manier ook de hervormde kerkleraren in de Meierij had behandeld, o!, hoezeer zouden deze ongelukkigen zich dan verheugd hebben, terwijl zij nu zitten te zuchten en met een benauwd hart hun toekomstig lot tegemoet zien, omdat hun kleine gemeenten hen niet kunnen onderhouden. Moet de hervormde godsdienst in deze contreien soms geheel uitgeroeid worden? Is dat niet het verlangen van alle roomse Meierijenaars? Hebben zij dit niet al vaak in woord en daad laten zien, waar ze maar konden? Meer wil ik je er nu niet over zeggen, mijn vriend!
Tot slot en op het laatst moet ik nog dit aan deze brief toevoegen: nergens heeft men zoveel onrust gestookt als in de Meierij; niemand heeft ook meer zijn best gedaan om de predikanten der hervormden van hun bezoldiging te beroven, dan de Meierijenaars; en men is hierin ook zo goed geslaagd, dat die ongelukkigen over ruim een jaar (dan zijn immers de drie jaar voorbij die de Staatsregeling noemt) niets meer van het Rijk ontvangen. Is dat wel rechtvaardig? Hebben de Meierijsche predikanten niet het grootste recht op hun jaarwedde? Waren zij niet voor het leven aangesteld? Moest men zich dus niet aan dit contract houden? Had men hen minstens gedurende hun leven dit voorrecht niet moeten laten genieten? Zou men niet veel humaner zijn omgegaan met roomse geestelijken? Die heeft men toch ook hun inkomsten laten behouden na de overgang van Den Bosch?
Ja zeker wel! Over de zaken die aan de roomsen zijn toegestaan volgens het verdrag van de overgave van ’s-Hertogenbosch, getekend op 14 september 1629, vind ik het volgende, namelijk artikel 3 en 4: “deze geestelijke en religieuze personen zullen hun leven lang alle inkomsten en vruchten genieten van hun goederen, die gelegen zijn op plaatsen waar men belasting betaalt. Alle nonnen en religieuze vrouwspersonen zullen in de stad mogen blijven en hun leven lang onderhouden worden vanuit de inkomsten van hun respectievelijke kloostergoederen.”
Als men op die manier ook de hervormde kerkleraren in de Meierij had behandeld, o!, hoezeer zouden deze ongelukkigen zich dan verheugd hebben, terwijl zij nu zitten te zuchten en met een benauwd hart hun toekomstig lot tegemoet zien, omdat hun kleine gemeenten hen niet kunnen onderhouden. Moet de hervormde godsdienst in deze contreien soms geheel uitgeroeid worden? Is dat niet het verlangen van alle roomse Meierijenaars? Hebben zij dit niet al vaak in woord en daad laten zien, waar ze maar konden? Meer wil ik je er nu niet over zeggen, mijn vriend!
dinsdag 6 augustus 2013
Nog eens over de Bossche Rariteitenkamer
Drieëntwintigste brief, deel 4
Hier in deze stad is alles nog precies hetzelfde als vorig jaar. Ik zag of hoorde niets bijzonders, behalve dat de roomsen nog steeds geweldig tumult maken om de grote of Sint-Janskerk. Dit jaar heeft het stadsbestuur de Vughterbinnenpoort ofwel de zogenaamde Rariteiten- en Kunstkamer laten afbreken. Dat heeft een ruim uitzicht opgeleverd, maar als het aan mij had gelegen, had ik hem laten staan. Men heeft de curiosa deels weggegooid, maar het beste heeft men er laten uithalen en bewaard.
Je kon er best wat leuke dingen zien, maar ook veel onbeduidends, zaken die nooit bestaan hebben, zoals de beurs en het wenshoedje van Fortunatus, de blaasbalg van Doctor Faustus en meer van dergelijke prullen. Veel beter zouden me de maliënkolders van Bréauté en Lekkerbeetje met hun pistolen, of de sporen van Maarten van Rossem enzovoort bevallen. Het is jammer dat men bij het verzamelen van die zeldzaamheden niet kieskeuriger is geweest en ook jammer dat niet alles beter is bewaard en onderhouden.
De Meierijenaars hebben het voorrecht om met honden en valken te mogen jagen, zelfs tot voor de poorten van Antwerpen. Alle Brabanders hebben dat privilege, dat hen door de oude hertogen is verleend. Dat noemt men hier gewoonlijk: haar met haar en veder met veder vangen. In de Blijde Inkomste van Maria, hertogin van Bourgondië, Brabant etc., leest men in artikel 59 onder andere het volgende, waaruit men kan concluderen dat alle geboren Brabanders en dus ook de Meierijenaars dat recht bezitten: “dat iedere man zonder boete op hazen en vossen mag jagen door geheel Brabant, en evenzo op konijnen buiten vrijgestelde jachtgebieden, en ook met vogels zonder boete overal vliegen en bovendien met netten vogels vangen, namelijk mussen, vinken, leeuweriken, snippen, plevieren, zwaluwen, kwartels en dergelijke, en ook schieten op eenden of watervogels.”
Deze privileges zijn in de Meierij altijd onderhouden en worden nog steeds gevolgd. Wie maar wil, jaagt overal met windhonden en valken, al is dit laatste vermaak wat duur en wordt het daarom heel weinig gedaan.
Aantekening:
De beurs en het wenshoedje van Fortunatus: dit zouden dus voorwerpen zijn, afkomstig uit het verhaal Een nieuwe Historie van Fortunatus Borse en van zynen wensch hoed. Zeer Geneugelyk en playsant om te Lesen, Lerende hoe een Jong Gesel hem Heuslyk houden zal in Handel en Wandel, met Woorden en Werken; by Hoge en Lage Personen. Dit 16e-eeuwse volksboekje werd in 1643 bewerkt tot een toneelstuk: Fortunatus beurs en wensch-hoedt, bly-droef-eyndend spel door Bernard Fonteyn (1602/3-1645).
Hier in deze stad is alles nog precies hetzelfde als vorig jaar. Ik zag of hoorde niets bijzonders, behalve dat de roomsen nog steeds geweldig tumult maken om de grote of Sint-Janskerk. Dit jaar heeft het stadsbestuur de Vughterbinnenpoort ofwel de zogenaamde Rariteiten- en Kunstkamer laten afbreken. Dat heeft een ruim uitzicht opgeleverd, maar als het aan mij had gelegen, had ik hem laten staan. Men heeft de curiosa deels weggegooid, maar het beste heeft men er laten uithalen en bewaard.
Je kon er best wat leuke dingen zien, maar ook veel onbeduidends, zaken die nooit bestaan hebben, zoals de beurs en het wenshoedje van Fortunatus, de blaasbalg van Doctor Faustus en meer van dergelijke prullen. Veel beter zouden me de maliënkolders van Bréauté en Lekkerbeetje met hun pistolen, of de sporen van Maarten van Rossem enzovoort bevallen. Het is jammer dat men bij het verzamelen van die zeldzaamheden niet kieskeuriger is geweest en ook jammer dat niet alles beter is bewaard en onderhouden.
De Meierijenaars hebben het voorrecht om met honden en valken te mogen jagen, zelfs tot voor de poorten van Antwerpen. Alle Brabanders hebben dat privilege, dat hen door de oude hertogen is verleend. Dat noemt men hier gewoonlijk: haar met haar en veder met veder vangen. In de Blijde Inkomste van Maria, hertogin van Bourgondië, Brabant etc., leest men in artikel 59 onder andere het volgende, waaruit men kan concluderen dat alle geboren Brabanders en dus ook de Meierijenaars dat recht bezitten: “dat iedere man zonder boete op hazen en vossen mag jagen door geheel Brabant, en evenzo op konijnen buiten vrijgestelde jachtgebieden, en ook met vogels zonder boete overal vliegen en bovendien met netten vogels vangen, namelijk mussen, vinken, leeuweriken, snippen, plevieren, zwaluwen, kwartels en dergelijke, en ook schieten op eenden of watervogels.”
Deze privileges zijn in de Meierij altijd onderhouden en worden nog steeds gevolgd. Wie maar wil, jaagt overal met windhonden en valken, al is dit laatste vermaak wat duur en wordt het daarom heel weinig gedaan.
Aantekening:
De beurs en het wenshoedje van Fortunatus: dit zouden dus voorwerpen zijn, afkomstig uit het verhaal Een nieuwe Historie van Fortunatus Borse en van zynen wensch hoed. Zeer Geneugelyk en playsant om te Lesen, Lerende hoe een Jong Gesel hem Heuslyk houden zal in Handel en Wandel, met Woorden en Werken; by Hoge en Lage Personen. Dit 16e-eeuwse volksboekje werd in 1643 bewerkt tot een toneelstuk: Fortunatus beurs en wensch-hoedt, bly-droef-eyndend spel door Bernard Fonteyn (1602/3-1645).
donderdag 1 augustus 2013
Nog wat kleine feitjes
Drieëntwintigste brief, deel 3
Ik voeg hier in het voorbijgaan nog aan toe dat dit kasteel veel geleden heeft van de verwoestingen die de beruchte Maarten van Rossem heeft aangericht. De Geldorpenaars kunnen hun verfoeilijke godsdiensthaat niet verbergen, aangezien zij dit jaar nog de eredienst van de hervormden hebben geprobeerd te verstoren en nog regelmatig stenen door de ramen gooien als er gepreekt wordt.
Dit zijn de dingen waarover ik vorig jaar fouten gemaakt heb als gevolg van de verkeerde inlichtingen die men mij verstrekte. Nu nog over wat anders. De geograaf G. Mercator* stelt dat de Meierijenaars af zouden stammen van de oude Aduatucers, over wie Julius Caesar het dikwijls heeft in zijn geschriften. Anderen houden de Aduatucers voor de toenmalige bewoners van het graafschap Namen of Namur. Deze laatste mening lijkt mij veruit het waarschijnlijkst.
De stad ’s-Hertogenbosch zou in het jaar 1184 zijn gesticht door hertog Godfried III, bijgenaamd “in de wieg”**. Hij was de vader van hertog Hendrik I en overleed in het jaar 1187. Er bestaat ook een zeer slecht tijddicht in het Latijn met de volgende inhoud:
Het lijkt aan te willen geven dat Godfried III, hertog van Brabant, in 1184 deze stad heeft gesticht.
*) Atlantis, p. 204.
**) J. van Oudenhoven, Beschrijving van de stadt ’s Hertogenbosch, p. 2 en 7; J.L. Godfried, Historische Chronijk, 1e deel, p. 1142; F.M. Janiçon, De Republiek der Veréénigde Nederlanden, deel 3, p. 120; Histoire Generale des Pais Bas, deel 1, p. 240 (Uitgeg. Brussel 1743); J.F. Martinet, Historie der Waereld, 8e deel, p. 45 en zijn Veréénigd Nederland, p. 45.
Ik voeg hier in het voorbijgaan nog aan toe dat dit kasteel veel geleden heeft van de verwoestingen die de beruchte Maarten van Rossem heeft aangericht. De Geldorpenaars kunnen hun verfoeilijke godsdiensthaat niet verbergen, aangezien zij dit jaar nog de eredienst van de hervormden hebben geprobeerd te verstoren en nog regelmatig stenen door de ramen gooien als er gepreekt wordt.
Dit zijn de dingen waarover ik vorig jaar fouten gemaakt heb als gevolg van de verkeerde inlichtingen die men mij verstrekte. Nu nog over wat anders. De geograaf G. Mercator* stelt dat de Meierijenaars af zouden stammen van de oude Aduatucers, over wie Julius Caesar het dikwijls heeft in zijn geschriften. Anderen houden de Aduatucers voor de toenmalige bewoners van het graafschap Namen of Namur. Deze laatste mening lijkt mij veruit het waarschijnlijkst.
![]() |
| Godfried III (bron: Wikimedia Commons) |
GODEFRIDVS DVX E SILVA FECIT OPPIDVM
Het lijkt aan te willen geven dat Godfried III, hertog van Brabant, in 1184 deze stad heeft gesticht.
*) Atlantis, p. 204.
**) J. van Oudenhoven, Beschrijving van de stadt ’s Hertogenbosch, p. 2 en 7; J.L. Godfried, Historische Chronijk, 1e deel, p. 1142; F.M. Janiçon, De Republiek der Veréénigde Nederlanden, deel 3, p. 120; Histoire Generale des Pais Bas, deel 1, p. 240 (Uitgeg. Brussel 1743); J.F. Martinet, Historie der Waereld, 8e deel, p. 45 en zijn Veréénigd Nederland, p. 45.
Meer lezen:
's-Hertogenbosch,
Brief 23 (reis 2),
Brieven (reis 2),
Geldrop,
Reis 2
dinsdag 30 juli 2013
Bisschoppen van Den Bosch
![]() |
| Grafmonument bisschop Masius |
Drieëntwintigste brief, deel 2
Gisbertus Masius is niet de laatste bisschop van Den Bosch geweest, zoals mij abusievelijk bericht was en ik jou dus ook op mijn vorige reis verkeerd heb geschreven. Masius was de vierde bisschop van deze stad. De eerste bisschop, Franciscus Sonnius, werd hier in 1562 aangesteld. Masius stierf in het jaar 1614. Onder het beeld op zijn tombe kan men het volgende grafschrift lezen in het Latijn:
Omnia mors aequat
Hic iacet
Quem bommelia mundo protulit
Ducis-sylva infula excepit
Mors virtutibus canisque auctum intercepit
Quid hic triumphas germana somni
Ille tibi reddidit quod debuit
Et quod non debuit
In patriam transtulit
G. Masius was een geleerd man, maar ook bitter paaps en vervolgziek. Hij hield een redevoering over de noodzaak van het lezen van de H. Schrift. Deze redevoering is een stuk dat zeer zeldzaam is, maar meer dan de moeite waard om te lezen. Het is in 1630 vertaald en in druk uitgegeven. Zijn onverdraagzaamheid blijkt uit het volgende voorbeeld. Een oude vrouw van tachtig, die achttien jaar lang hervormd lidmaat was geweest, werd ziek. Masius hoorde daarvan, ging naar haar toe en wilde haar de gewijde hostie toedienen. Zij weigerde dat en stierf. Daarop liet hij het lijk van haar bed rukken, de drempel opgraven, haar daaronderdoor naar de markt slepen en ten slotte in een kuil onder de galg smijten. Mag je dit verwachten van een bisschop die het lezen van de Bijbel aangeprezen heeft?
Al het andere dat ik je over deze bisschop heb verteld, is waar, behalve wat ik vermeld heb over het kasteel van Geldrop. Ik zei dat hij zich daar na de overgang van Den Bosch in 1629 heimelijk zou hebben opgehouden, maar dat is dus van toepassing op de zésde bisschop van die stad, M. van Ophoven, die in die tijd leefde.
Toen deze stad naar de kant van de Staten der Verenigde Nederlanden overging, moesten alle mannelijke geestelijken de stad binnen twee maanden verlaten hebben. Dat was gebaseerd op het tweede artikel van het verdrag dat gesloten was tussen prins Frederik Hendrik aan de ene kant en de geestelijkheid, de magistraat en de burgerij van de stad ’s-Hertogenbosch aan de andere kant. Dat artikel luidde als volgt: “dat alle geestelijke en religieuze manspersonen uit de stad zullen vertrekken binnen de tijd van twee maanden, op voorwaarde dat zij zich in de tussentijd houden aan de plakkaten van het Rijk, en dat zij mee mogen nemen hun meubelen, beelden, schilderijen en andere kerkelijke ornamenten.”
Als het dus waar is dat zich op het kasteel van Geldrop in stilte een bisschop heeft opgehouden, dan gaat dat naar alle waarschijnlijkheid om M. van Ophoven.
Meer lezen:
's-Hertogenbosch,
Brief 23 (reis 2),
Brieven (reis 2),
Geldrop,
Reis 2
donderdag 25 juli 2013
Het Hazewindje in Den Bosch
![]() |
| "Int Hasewijntken", afgebroken in 1835 (meer info in de Bossche Encyclopedie) |
Drieëntwintigste brief, deel 1
Hooggewaardeerde vriend!
Misschien wordt dit de laatste brief die je van mij uit deze stad zult ontvangen, misschien komt er nog één. Dat zal ervan afhangen of ik hier korter of langer zal blijven, want ik denk morgen of overmorgen te vertrekken. Wellicht blijf ik nog een dag langer. In deze brief zal ik je een paar dingen opsommen, waarover ik in mijn vorige reisverslag fouten heb gemaakt. Als ik dat heb afgehandeld, zal ik ook nog over andere dingen schrijven.
Het oudste huis in deze stad is niet het Gewandhuis, maar een ander pand dat het Hazewindje wordt genoemd. Het Gewand- of Lakenhuis (het Hoogduitse woord Gewand betekent ‘laken’ of ook wel ‘kledingstuk’) is zeer oud en werd opgericht om er wollen stoffen in te verkopen. Niemand, ongeacht wie hij was: man of vrouw, clericus of leek, mocht binnen Den Bosch een wollen laken kopen of verkopen, behalve in dit huis, op straffe van een zware boete. Dat blijkt uit het privilege van hertog Jan III, “gegeven te Brussel, op de zondag na het octaaf van Driekoningen in het jaar van onze heer 1329”.
Door dit huis het oudste huis van deze stad te noemen, heb ik dus een fout gemaakt. Het Hazewindje, een huis niet ver van het Gewandhuis, is eigenlijk het oudste gebouw van Den Bosch. Dit huis zou al vóór de stichting van de stad door de oude hertogen zijn gebouwd voor hun jagers en honden, die hier in het jachtseizoen verbleven. Dit gebouw verraadt een zeer hoge ouderdom. Boven de deur kan men nog een gevelsteen zien met een windhond. Daar is het huis naar vernoemd, of liever naar het gebruik ervan als jacht- of hondenhuis.
Bij gelegenheid dat mij de ouderdom van dit huis werd aangetoond, vertelde men mij nog het volgende: op zekere dag kwamen in de hitte van de achtervolging van het wild door de honden, de jagers van de hertog op het terrein van de graaf van Megen terecht. Zij werden daarop door de jagers van de graaf overvallen en zwaar gewond, terwijl de honden werden doodgeslagen. Dit laatste nam de hertog zo hoog op, dat hij de graaf de volgende boete oplegde: de gedode honden moesten aan hun achterpoten worden opgehangen, waarna de graaf net zo lang graan over ze uit moest laten storten tot ze helemaal bedekt waren. Het koren was dan de schadevergoeding voor de dode honden. Aan dit vonnis, aan deze boete moest de graaf van Megen zich onderwerpen. Was dat niet een bijzondere manier van boete opleggen?
Abonneren op:
Posts (Atom)


