Dertiende brief, deel 4
Een priester werd ’s avonds of in de nacht bij een zieke geroepen. Hij ging ernaartoe om hem het Laatste Oliesel en de gewijde ouwel te geven als viaticum [teerspijze: de (laatste) communie voor degene die in stervensgevaar verkeert]. Degene die de priester had geroepen, had vroeger een geschil van mening met hem gehad, waaraan hij de priester herinnerde onder de toevoeging van deze woorden: als gij ons Heer (de gewijde hostie) niet bij u had gehad, dan zou ik u eens flink afrossen. De priester, ook niet mals, zette de hostie op de grond en antwoordde: kom maar op! daar staat ons Heer en de duvel mag Hem halen als Hij een van ons beiden te hulp komt! Wat zeg je daar nu van, mijn vriend!? Ik wil hier geen opmerking over maken, maar laat dit geval aan jouw eigen gedachten over. Het kan je ruim stof tot overdenking geven.
Van Gemert ging ik via Erp naar Veghel, waar ik nu deze brief zit te schrijven. De inwoners van Erp dragen de bijnaam van “beiren” [schreeuwlelijkerds], maar waarom weet ik niet. Maar dit weet ik wel, namelijk dat ik in Den Bosch, in de zogenaamde Rariteitenkamer, een paar skeletten van booswichten heb gezien, die met kaarten in de hand bij elkaar zaten. Daarachter stond een geraamte met een glas in de hand, net alsof het voor de anderen eens wilde inschenken. Deze opstelling noemde men de “beiren van Erp”, waarschijnlijk vanwege de onbarmhartige wreedheid die zij bij het plegen van hun diefstallen en moorden uitoefenden. Vermoedelijk is daarna deze bijnaam op alle Erpenaars toegepast, omdat de genoemde booswichten in Erp woonden of zich daar het vaakst ophielden. Maar dat is natuurlijk geheel verkeerd en ten onrechte gebeurd.
Ik heb je op dit moment niets meer te schrijven, waaruit vanzelf volgt dat ik deze brief moet beëindigen. Want om je slechts letters zonder feiten, of ze nu van gewicht zijn of niet, te schrijven, dat zou je helemaal niet aanstaan, en het zou mij enorm irriteren.
Ik ben enz.
Posts tonen met het label Brief 13 (reis 2). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief 13 (reis 2). Alle posts tonen
donderdag 14 maart 2013
dinsdag 12 maart 2013
Grafschrift
Dertiende brief, deel 3
Als een priester wordt begraven, dan legt men hem met zijn misgewaad aan en een preekmuts op het hoofd in de kist. Men zet een vat met vuur, waarop wierook brandt, naast hem en zo wordt hij in het graf gelegd. Zie! Zo gaat men in de Meierij om met een dode priester.
Na het bekijken van deze graven ging ik langs het kasteel van Beek naar Gemert. Dit kasteel wordt Eikenlust genoemd, en met recht, want je treft daar de mooiste dreven aan met eiken erlangs. Nergens in de hele Meierij vind je er zo veel.
In Gemert is alles nog zoals het vorig jaar was. In de kapel of het kerkje van de hervormden, dat hoe langer hoe meer in verval raakt, las ik het volgende grafschrift, dat vorig jaar aan mijn aandacht was ontsnapt:
In Gemert zag ik uit de verte de juge de paix [vrederechter]. Zoals mij werd verteld, is hij advocaat van beroep, maar begrijpt hij weinig of geen Frans. Desalniettemin moet hij voortdurend met de Fransen omgaan. Dat komt nogal dwaas over, dunkt mij. Waarom dan niet voor de eer bedankt? Maar er zijn nu eenmaal veel mensen die groot willen lijken in de wereld. Een Franse vrederechter die geen Frans kent: o grootse titel!
Ik sprak met iemand (ik weet niet of hij een inwoner van deze plaats was, maar hij leek me protestant), die me vertelde over de vele dwaasheden die hier door roomse geestelijken begaan worden. Volgens zijn verhaal zouden zij zelf weinig of liever nog niets geloven. Zij zouden spotten met de lichtgelovigheid van het dwaze volk, maar tegelijk hielden ze dat volk dom, enkel en alleen om hun eigen beurs te spekken. Hij vertelde me nog de volgende anekdote, die ik je doorgeef zoals ik hem zelf heb gekregen.
Als een priester wordt begraven, dan legt men hem met zijn misgewaad aan en een preekmuts op het hoofd in de kist. Men zet een vat met vuur, waarop wierook brandt, naast hem en zo wordt hij in het graf gelegd. Zie! Zo gaat men in de Meierij om met een dode priester.
Na het bekijken van deze graven ging ik langs het kasteel van Beek naar Gemert. Dit kasteel wordt Eikenlust genoemd, en met recht, want je treft daar de mooiste dreven aan met eiken erlangs. Nergens in de hele Meierij vind je er zo veel.
In Gemert is alles nog zoals het vorig jaar was. In de kapel of het kerkje van de hervormden, dat hoe langer hoe meer in verval raakt, las ik het volgende grafschrift, dat vorig jaar aan mijn aandacht was ontsnapt:
Hier rust der weduwen man,
Der wezen toeverlaat,
Ooit regent van het volk,
Hoop van de burgerij;
De waardige Egeling,
Een zuil van Utrechts staat.
Dat ieder een dankbare traan,
Aan zijn gedachtenis wijde.
Z.
Geboren te Utrecht
Den 28 november 1732
Gestorven alhier de 13e
En begraven den 19 december
Anno 1789
In Gemert zag ik uit de verte de juge de paix [vrederechter]. Zoals mij werd verteld, is hij advocaat van beroep, maar begrijpt hij weinig of geen Frans. Desalniettemin moet hij voortdurend met de Fransen omgaan. Dat komt nogal dwaas over, dunkt mij. Waarom dan niet voor de eer bedankt? Maar er zijn nu eenmaal veel mensen die groot willen lijken in de wereld. Een Franse vrederechter die geen Frans kent: o grootse titel!
Ik sprak met iemand (ik weet niet of hij een inwoner van deze plaats was, maar hij leek me protestant), die me vertelde over de vele dwaasheden die hier door roomse geestelijken begaan worden. Volgens zijn verhaal zouden zij zelf weinig of liever nog niets geloven. Zij zouden spotten met de lichtgelovigheid van het dwaze volk, maar tegelijk hielden ze dat volk dom, enkel en alleen om hun eigen beurs te spekken. Hij vertelde me nog de volgende anekdote, die ik je doorgeef zoals ik hem zelf heb gekregen.
donderdag 7 maart 2013
Bijgeloof rond dode priesters
![]() |
| Hagelkruis in Aarle-Rixtel (bron: RCE/Wikimedia Commons) |
Dertiende brief, deel 2
Zodra ik ontbeten had, wandelde ik eens naar de kerk om die nog eens te bekijken, omdat het een mooi gebouw is, alhoewel ik hem vorig jaar ook al gezien had. Dicht bij de kerk, te midden van de akkers, staat een kruis van blauwe zerksteen, het hagelkruis genoemd. Het zou deze naam dragen, omdat het door wonderkracht hagel, donder en zo voort van de korenvelden afweert en ze op die manier beschermt en beveiligt.
Nadat ik het Aarlese hagelkruis had gezien, stapte ik direct door naar Beek. Ook hier ging ik de kerk eens bekijken, maar daar is niets bijzonders aan. Ik zag alleen twee graven op het kerkhof die, hoewel oud, toch met verse graszoden waren afgedekt. Ik vroeg aan een boer die hier in de buurt aan het werk was, wat dat te betekenen had en hij gaf ten antwoord: “dit zijn de graven van onze laatste twee pastoors zaliger nagedachtenis, die maken we ieder jaar weer netjes op.” Ik wist genoeg en dacht bij mezelf, als dit enkel gebeurt vanuit liefde en hoogachting voor de overledenen, dan is het zeker prijzenswaardig. Maar gebeurt het uit bijgeloof, wat zal het dan de gestorvenen baten. Want ze zullen hierdoor echt niet zachter of luxueuzer rusten, noch erdoor beveiligd worden tegen de allesvernietigende wormen. Nee, oh nee! Trouwens:
“’t gewormte kent geen schoonheid, glans of majesteit;
Het aast op vorst en slaaf met ingeboren gretigheid;
'T verteert gevoelloos, stil, met scherpe tanden,
De zachte meisjesborst, zo goed als ’t hart van dwingelanden” *
Terwijl ik hier over twee dode roomse priesters spreek, herinner ik me enkele rituelen die men bij een dode pastoor in acht neemt en die jou waarschijnlijk onbekend zijn. Zodra een priester gestorven is, wordt hij uitgekleed en worden hem zijn liturgische kleren aangetrokken. Vervolgens wordt hij zo uitgedost op een tafel ten toon gesteld voor alle nieuwsgierigen. De roomsen bezoeken zo’n lijk heel vlijtig. Ze vallen op hun knieën zodra ze in de buurt komen en bidden enkele Onzevaders en Weesgegroetjes bij het lijk voor de zielenrust van de overledene.
Ik vind dat echter behoorlijk tegenstrijdig, want een priester gaat naar de gevoelens van de meeste, zo niet alle roomsen, zonder in het vagevuur te komen direct naar de hemel, dus waarom zou men dan nog voor zijn ziel moeten bidden? Men zegt echter daarop, dat als het niet nuttig of nodig is voor de dode, dat dan dat nut terugkeert op de levende bidder, die door zulke gebeden geholpen wordt, als hij ooit zelf in het vagevuur terechtkomt. Zo kan men dus vooruit werken. Is dat niet slim geredeneerd en vernuftig verzonnen?
*) R. Feith, Het graf. 4e zang, p. 82
dinsdag 5 maart 2013
De welvaart van Aarle
Dertiende brief, deel 1
Zeer waarde vriend!
Ik zei Helmond vaarwel in de vroege ochtend. Het kon mij bijna niets schelen waarheen ik mijn schreden zou richten, dus ging ik maar rechtuit en kwam bij de Rixtelse kerk aan. Hier hield ik een beetje rechts aan, om het kasteel van Rixtel te bekijken, dat de naam het Guldenhuis draagt. Dit kasteel ligt aan de Aa in een zeer vruchtbare streek. Aan dit huis zijn enkele privileges verbonden, zoals bijvoorbeeld dat sommige landerijen en huizen daaraan leenroerig en cijnsbaar zijn. Het kasteel heeft een leenhof, bestaande uit een stadhouder, een secretaris en zijn eigen schepenen. Wanneer er een leen verheven moet worden, wordt in dit kasteel de leenbank gespannen. Er ligt en hoort ook een oliemolen bij, die in de winter door de Aa en in de zomer door een paard wordt aangedreven. ’s Winters staan alle weilanden hier rond dit kasteel onder water, waardoor ze zeer vruchtbaar zijn geworden en het beste hooi van de hele Meierij opleveren. Het Guldenhuis ligt bepaald niet onaangenaam. Nadat ik dit huis bekeken had, ging ik naar Aarle. Hier gebruikte ik mijn ochtendmaaltijd. Tijdens mijn ontbijt hoorde ik het volgende:
Aarle heeft sinds onheuglijke tijden het recht van de vrije jacht en de visserij gehad. Dat is een privilege dat de oude hertogen van Brabant aan de inwoners van deze plaats zouden hebben gegeven vanwege bewezen diensten. Het is een privilege dat alle andere dorpen in de Meierij missen. In het voorjaar wordt hier een markt gehouden, vooral in paarden, die zeer beroemd is. Op deze markt worden soms voor meer dan 20.000 gulden paarden verkocht, naast de runderen en andere koopwaar. Van alle kanten stromen de kooplieden hier bijeen, zelfs uit Gelderland, Holland en het Land van Luik. Aarle zou in de oorlog van 1702 voor het grootste deel zijn platgebrand.
De roomse priester in Aarle wordt als een beschaafd en tolerante man geprezen. Tegenwoordig is er een kapucijn als schoolmeester aangesteld. Eerst leest hij ’s morgens de mis, vervolgens houdt hij school. Als ik me niet vergis, was deze kapucijn een paar jaar geleden nog molenaarsknecht in deze zelfde plaats. Al hebben ze op dit moment geen eigen predikant, de hervormden zijn hier nog in het bezit van hun kerk, hoezeer de roomsen de boel ook hebben opgestookt.
Abonneren op:
Posts (Atom)

