Tweede brief, deel 3
Vervolgens gaf hij mij een beschrijving van de inwoners, zoals hij die uit eigen ervaring had leren kennen. Dat beeld was niet erg gunstig, al hield hij zijn toon vrij gematigd. Hij klaagde dat er bijna geen dommer en bijgeloviger volk op aarde gevonden kan worden. Ik denk dat de tijd mij wel zal leren of mijn bejaarde reiskameraad de waarheid sprak, en dan zal ik je dat meedelen.
Toen hij op de religieuze overtuiging van de Meierijenaars kwam te spreken, ontstak hij geheel in vuur: “Welke godsdienst u belijdt, is mij om het even, want ik respecteer iedere religie die liefde voor en verdraagzaamheid tegenover andersdenkenden predikt en uitoefent. Ik ben zelf protestants van overtuiging, maar zo tolerant als ik altijd ben geweest, zo onverdraagzaam zou ik bijna worden, als ik bedenk, ja meneer, met bloedend hart bedenk, hoe men sinds enige tijd de protestanten in de Meierij behandeld heeft en nog behandelt.”
Hierop vertelde hij mij zoveel staaltjes van dwaas en bijgelovig religieus fanatisme, dat ik er bijna spijt van kreeg aan deze reis begonnen te zijn. Toch wil ik mijn voorgenomen reis uitvoeren, maar ik zal zorgvuldig voorkomen, dat men weet wie ik ben of welke godsdienst ik aanhang. Misschien zal het allemaal niet zo’n vaart lopen als mij verteld is (met die hoop vlei ik mij tenminste).
In deze stad zal ik enige dagen blijven, en zodra ik hier alles gezien heb, ga ik verder de Meierij in. Maar eerst mag je nog een brief van me verwachten, waarin ik de voornaamste dingen van de stad zal beschrijven en waarin ik je zal laten weten wanneer ik weer zal vertrekken. Intussen blijf ik je vriend,
L.J.A.
Posts tonen met het label Brief 2. Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief 2. Alle posts tonen
dinsdag 15 februari 2011
donderdag 10 februari 2011
Reisgidsen voor de Meierij
Tweede brief, deel 2
Zodra wij van dat vervelende gezelschap bevrijd waren, werd mijn oude brave heer spraakzamer. “Is het niet erg zulke jongeren te zien? Er komt geen verstandig woord uit. Ik ken dat soort knapen; ze hebben geld, ze spreken gebrekkig Frans, ze kunnen behoorlijk dansen, en ze weten maar al te goed hoe ze met het schone geslacht moeten omgaan. Dat zijn hun verdiensten.
Wat ze weten, hebben ze uit het slechtste soort romannetjes. Hoe ongelukkig zullen ze zijn, tegen de tijd dat ze man, vader, bejaard worden! En aan wie hebben ze hun bedorven hart, hun beroerde denk- en leefwijze te danken? Enkel en alleen aan hun ouders. Jongelui moeten door hun ouders echte kennis, liefde voor het mooie en goede, en vooral een deugdzaam hart bijgebracht krijgen. Pas dan voldoen ouders aan hun plicht!”
Ik vertelde hem vervolgens over mijn geplande reis door de Meierij. Hij vroeg me of ik ooit al iets over de Meierij gelezen had en ik antwoordde met nee. Dan moest ik toch echt Oudenhoven lezen om enige kennis van de regio te krijgen. Dat was een schrijver uit het midden van de 17e eeuw, bij wie ik zeer veel belangwekkends zou aantreffen; en dan natuurlijk ook Van Heurn. Die twee waren de beste geschiedschrijvers op dit gebied, zo zei hij.
Op het gebied van plaatsbeschrijvingen vond men geen bijzondere schrijvers. Bachiene had in zijn Geographie der zeven Provinciën een gebrekkige beschrijving gegeven van de dorpen en zo voort in de Meierij, en die was weer overgenomen in het verder uitstekende Aardrijksbeschrijving van Busching. “Dit alles,” voegde hij er bescheiden aan toe, “voor zover ik weet. Goede kaarten van de Meierij zult u niet vinden. De oude zijn het noemen niet waard en de onlangs uitgegeven kaart van Verhees, in vier bladen, is weliswaar prachtig uitgevoerd, maar er zitten ook zeer grove en domme fouten in.
Sommigen denken dat de Meierij het oude Taxandria is, al menen weer anderen dat dat het huidige Zeeland is. Velen geloven dat de Meierij het land van de oude Menapiërs is, maar mij komt dat allemaal maar duister en onzeker over.”
Zodra wij van dat vervelende gezelschap bevrijd waren, werd mijn oude brave heer spraakzamer. “Is het niet erg zulke jongeren te zien? Er komt geen verstandig woord uit. Ik ken dat soort knapen; ze hebben geld, ze spreken gebrekkig Frans, ze kunnen behoorlijk dansen, en ze weten maar al te goed hoe ze met het schone geslacht moeten omgaan. Dat zijn hun verdiensten.
Wat ze weten, hebben ze uit het slechtste soort romannetjes. Hoe ongelukkig zullen ze zijn, tegen de tijd dat ze man, vader, bejaard worden! En aan wie hebben ze hun bedorven hart, hun beroerde denk- en leefwijze te danken? Enkel en alleen aan hun ouders. Jongelui moeten door hun ouders echte kennis, liefde voor het mooie en goede, en vooral een deugdzaam hart bijgebracht krijgen. Pas dan voldoen ouders aan hun plicht!”
Ik vertelde hem vervolgens over mijn geplande reis door de Meierij. Hij vroeg me of ik ooit al iets over de Meierij gelezen had en ik antwoordde met nee. Dan moest ik toch echt Oudenhoven lezen om enige kennis van de regio te krijgen. Dat was een schrijver uit het midden van de 17e eeuw, bij wie ik zeer veel belangwekkends zou aantreffen; en dan natuurlijk ook Van Heurn. Die twee waren de beste geschiedschrijvers op dit gebied, zo zei hij.
Op het gebied van plaatsbeschrijvingen vond men geen bijzondere schrijvers. Bachiene had in zijn Geographie der zeven Provinciën een gebrekkige beschrijving gegeven van de dorpen en zo voort in de Meierij, en die was weer overgenomen in het verder uitstekende Aardrijksbeschrijving van Busching. “Dit alles,” voegde hij er bescheiden aan toe, “voor zover ik weet. Goede kaarten van de Meierij zult u niet vinden. De oude zijn het noemen niet waard en de onlangs uitgegeven kaart van Verhees, in vier bladen, is weliswaar prachtig uitgevoerd, maar er zitten ook zeer grove en domme fouten in.
Sommigen denken dat de Meierij het oude Taxandria is, al menen weer anderen dat dat het huidige Zeeland is. Velen geloven dat de Meierij het land van de oude Menapiërs is, maar mij komt dat allemaal maar duister en onzeker over.”
dinsdag 8 februari 2011
Klierige jongens aan boord
Tweede brief, deel 1
Beste vriend,
Ik ben nu in ’s-Hertogenbosch, na tweeëneenhalve dag reizen. Mijn tocht is niet erg voorspoedig verlopen. Dat kon ook niet anders, want we hadden de wind en de stroom tegen. Nu ik me wat heb opgefrist, wil ik de avond doorbrengen met je te schrijven.
Mijn gezelschap aan boord was deels plezierig en deels vervelend. Een tamelijk oude man die me wel beviel, trok door zijn manier van spreken het meest mijn aandacht. Hij sprak zelden, maar zei dan wel verstandige dingen. Een paar jongelui, zogenaamde petits maitres, probeerden hem een beetje voor de gek te houden, maar door zijn gevatte antwoorden en rake zetten begrepen ze al snel dat hij geen man was voor hun flauwe grappen.
Omdat hun ongepaste en vaak schunnige uitdrukkingen mij behoorlijk begonnen te ergeren, haalde ik mijn Duitse Ossian voor de dag om de tijd te bekorten en mijn irritatie te bestrijden. Daarop zei één van de drie flauweriken tegen mij: “Meneer schijnt lectuurliefhebber te zijn. Wat leest u?” En meteen zachtjes tegen de andere twee, maar wel zo hard dat ik het duidelijk kon horen: “Het zal wel een of ander vroom, christelijk boek zijn”, waarbij hij zijn mondhoeken in een verachtelijke glimlach optrok. Dan weer tegen mij: “Wat is het voor boek? Mogen wij het eens zien?”
“Jazeker,” zei ik, terwijl ik hem het boek gaf. “Het is van de beroemde Caledonische [Keltische] bard, de dichter Ossian.” Ik zei dat een beetje deftig om hem op de proef te stellen. In een poging grappig te wezen, zei hij vervolgens tegen de anderen: “Bliksem! Wie heeft er ooit van een kale donderse baard, of van een poëet Rossiaan gehoord?”
Hij sloeg het titelblad op: “Kijk nou! Het is in die duivelse moffentaal geschreven! Ik moet verdomd zijn, wil ik dat lezen.” Met een verachtelijke blik smeet hij het boek op tafel, terwijl de anderen in luid gelach uitbarstten. Ik zweeg, terwijl mijn oude reisgenoot boos werd en dat ook duidelijk liet merken. Daarop vertrokken de jongelui zingend naar boven en lieten ons alleen in de roef achter.
Beste vriend,
Ik ben nu in ’s-Hertogenbosch, na tweeëneenhalve dag reizen. Mijn tocht is niet erg voorspoedig verlopen. Dat kon ook niet anders, want we hadden de wind en de stroom tegen. Nu ik me wat heb opgefrist, wil ik de avond doorbrengen met je te schrijven.
Mijn gezelschap aan boord was deels plezierig en deels vervelend. Een tamelijk oude man die me wel beviel, trok door zijn manier van spreken het meest mijn aandacht. Hij sprak zelden, maar zei dan wel verstandige dingen. Een paar jongelui, zogenaamde petits maitres, probeerden hem een beetje voor de gek te houden, maar door zijn gevatte antwoorden en rake zetten begrepen ze al snel dat hij geen man was voor hun flauwe grappen.
Omdat hun ongepaste en vaak schunnige uitdrukkingen mij behoorlijk begonnen te ergeren, haalde ik mijn Duitse Ossian voor de dag om de tijd te bekorten en mijn irritatie te bestrijden. Daarop zei één van de drie flauweriken tegen mij: “Meneer schijnt lectuurliefhebber te zijn. Wat leest u?” En meteen zachtjes tegen de andere twee, maar wel zo hard dat ik het duidelijk kon horen: “Het zal wel een of ander vroom, christelijk boek zijn”, waarbij hij zijn mondhoeken in een verachtelijke glimlach optrok. Dan weer tegen mij: “Wat is het voor boek? Mogen wij het eens zien?”
“Jazeker,” zei ik, terwijl ik hem het boek gaf. “Het is van de beroemde Caledonische [Keltische] bard, de dichter Ossian.” Ik zei dat een beetje deftig om hem op de proef te stellen. In een poging grappig te wezen, zei hij vervolgens tegen de anderen: “Bliksem! Wie heeft er ooit van een kale donderse baard, of van een poëet Rossiaan gehoord?”
Hij sloeg het titelblad op: “Kijk nou! Het is in die duivelse moffentaal geschreven! Ik moet verdomd zijn, wil ik dat lezen.” Met een verachtelijke blik smeet hij het boek op tafel, terwijl de anderen in luid gelach uitbarstten. Ik zweeg, terwijl mijn oude reisgenoot boos werd en dat ook duidelijk liet merken. Daarop vertrokken de jongelui zingend naar boven en lieten ons alleen in de roef achter.
Abonneren op:
Posts (Atom)
