Posts tonen met het label Brief 22 (reis 2). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief 22 (reis 2). Alle posts tonen

dinsdag 23 juli 2013

De ware aard van de Meierijse boer

Graan dorsen (bron: boek over oud-Brabants dorpsleven)

Tweeëntwintigste brief, deel 5

De boeren in de Meierij zijn over het algemeen zeer inhalig en geweldig uit op eigen voordeel. Ze zijn ook zeer doortrapt in hun zakendoen, namelijk als ze iets willen kopen of verkopen. In sommige opzichten zijn ze zelfs zeer bedrieglijk, waarvan dit spreekwoord uit de Meierij getuigt: al wie een boer wil bedriegen, moet een boer meenemen. Er valt ook niet veel te roemen over het karakter en de deugdzaamheid van de Meierijsche boeren. Juist daarom vind je hier in deze streek het volgende gezegde, dat ik geheel voor zichzelf zal laten spreken:

Een boer is maar een beest, hij gaat met beesten om;
Al wat geen beest is, is hem niet wellekom.

Je mag hieruit concluderen dat van de Meierijenaars de boeren al van oudsher het slechtste karakter hebben. Men zegt tenminste in deze streek, als men een slecht mens wil aanduiden: “o, het is maar een boer.” Ik denk echter dat men hier een uitzondering moet maken, hoewel het ook zeker is dat men in de Meierij weinig goeds wil horen van een boer. Men zegt ook dat de Meierijsche boeren de grootste plaag voor de boeren waren, toen zij in 1794 voor de Fransen en andere troepen karrediensten moesten verrichten.

Als iets bijzonders voeg ik hier nog aan toe dat men in de Meierij weinig kreupelen, verminkten of gebochelden aantreft. Ik heb er ook weinig schele mensen gezien en ik heb er geen een ontmoet die bijziend was. Dat alles vloeit voort uit natuurlijke oorzaken, veel te lang om dat nu aan je te vertellen. Maar je kunt het gemakkelijk zelf beredeneren. Ik zou daarom overbodige moeite doen je iets te willen schetsen dat jou veel beter dan mij bekend is.

Iets anders dat zeker is: in de steden Den Bosch, Helmond en Eindhoven en in die dorpen, waar veel ambachtslieden wonen, heb ik de meeste mismaakte mensen gezien. Ook daarvan kan men natuurlijke oorzaken vinden.

Hier heb je nu weer een brief, en wel een die geschreven is in de volgorde waarin mij de zaken door de hersens schoten. Accepteer hem zoals hij is en geloof dat ik altijd ben, je onveranderlijke en oprechte
Vriend

donderdag 18 juli 2013

Protestantse ambtenaren zijn niet te benijden

Tweeëntwintigste brief, deel 4

Ambtenaren van de hervormde religie in de Meierij zijn ook zeer te beklagen. Men probeert hen op allerlei manieren de voet dwars te zetten. In vroeger tijden heeft men heel hard geschreeuwd over de onderdrukking die de Meierijenaars is aangedaan door de ambtenaren aldaar. Het kan best zijn dat dit allemaal heeft plaatsgevonden, maar ze zijn zeker niet allemaal schuldig aan volksonderdrukking, o nee! Want er zijn veel brave lieden onder hen. Maar men moet nu eenmaal een voorwendsel hebben om geuzenambtenaren te lozen. Ik voor mij zou nooit ergens een ambt kiezen en zeker niet in de Meierij.

Zo vaak als ik de Meierijsche geuzen-ambtenaren in gedachten heb, zo vaak herinner ik me dat velen van hen hun inwoners daadwerkelijk voordeel hebben gebracht. Ja! Zo dikwijls als ik hiermee de haat vergelijk die de roomsen voor hen voelen, louter en alleen vanwege het verschil in religie, dan moet ik steeds denken aan de woorden van Joost van Vondel*:

Die zorgt en waakt en slaaft en ploegt en zwoegt en zweet
Ten oirbaar van het land een lastig ambt bekleed,
En waant de mensch aan zijn’ vroomheid te verbinden,
Zal zich te jammerlijk in ’t eind bedrogen vinden
Van ’t wispelturig volk, dat, veel te los van hoofd,
Genoten dienst vergeet, en ‘t ergste liefst gelooft.

En dan zeg ik met Ovidius:

Crede mibi, bene qui latuit, bene vixit: et intra
Fortunam debet quisque manere suam**

Wanneer de roomsen in de Meierij zich de woorden van deze heiden eigen zouden maken, dan zouden ze nooit naar ambten verlangen, nooit zouden ze die aan de hervormden ontrukken. Ja! Dan zou men nu in sommige dorpen geen schoenlappers, wevers enz. als drost hebben aangesteld of in andere functies.

Is het geen grote schande dat een heiden beter kan denken dan zij die zich alleen christenen noemen? Hoeveel zouden zij kunnen leren van deze woorden van Ovidius en vooral van zijn laatste: dat ieder in zijn eigen kring moet blijven! Als ze dat in acht zouden nemen, dan zouden zulke lieden, die niet voor die posten toegerust zijn, zeker nooit een ambt als iets begeerlijks gezocht hebben. Maar ja, dat was toen. Toen waren er ook nog niet van die verdoemde geuzen. Luister, mijn vriend! Alleen misdadig eigenbelang en afschuwwekkende godsdiensthaat spelen hierbij een rol en anders niets!

*) Palumedes, p. I.
**) Tritium, lib. III, Eleg IV, verss. 25-26.

dinsdag 16 juli 2013

De schande van de ongelijke behandeling

Tweeëntwintigste brief, deel 3

Deze Jezuïetische catechismus wordt door alle roomsen voor een oprecht en rechtzinnig boek gehouden, dus is de leer die daarin staat, ook de leer van de roomse Kerk. Niet zo lang geleden, dit jaar nog, hoorde ik precies diezelfde, afschuwelijke leer door een priester in Rotterdam in het openbaar van de kansel af verkondigen. Hij vervloekte alle joden, heidenen, Turken, ketters en scheurmakers, verwees ze allemaal direct naar de hel en waarschuwde zijn gemeente zeer ernstig om iedere omgang daarmee te vermijden.

Is het geen schande voor hen, die zich erop beroemen dat zij alleen ware Christenen zijn, om op zo’n manier de mooie religie van de menslievende Jezus te misbruiken? Mag men zoiets nog verwachten aan het eind van deze zo verlichte (zoals men het noemt) achttiende eeuw? Hoe kan het gewone volk verdraagzaam handelen als zijn leermeesters zelf zo sterk de onverdraagzaamheid zaaien? Maar laat ik zwijgen, ik zou nog teveel schrijven. Maar, en dit mag ik er toch nog wel aan toevoegen, Haller heeft gelijk als hij zegt*

Was böses ist geschehn, das nicht ein priester that!

Want als de priesters in de Meierij alles in het werk hadden gesteld om liefde en verdraagzaamheid te verbreiden, dan waren daar nooit zulke dingen voorgevallen als ik je hebt geschetst. Dus ook daar blijft het gezegde van Haller van kracht:

Alle kwaad dat gebeurt, is al eens door een priester gedaan!

Zijn de priesters in de Meierij in het algemeen vervolgzuchtig (de goeden uitgezonderd), hun leken zijn het niet minder. Dat moet ook wel, want het een vloeit logisch uit het ander voort. Het volgende voorbeeld moge als bewijs dienen dat men alles in het werk stelt om de geuzen in dit land te vervolgen.

Alle schoolmeesters, in ieder dorp, krijgen bovenop hun normale bezoldiging 36 gulden, dit noemt men het corporeel. Dat wil zeggen: geld voor zogenaamde corporele diensten [ten behoeve van de gemeenschap], zoals bijvoorbeeld het opwinden van het torenuurwerk; het smeren daarvan alsook van de klokken; het openen van de kerk; het schoonhouden van de vloer, de banken enz. In veel dorpen echter heeft men dit geld zonder recht of reden van de hervormde schoolmeesters afgenomen. Roomse schoolmonarchen daarentegen blijven heel gerust en ongestoord in het genot van dit inkomen, zonder dat men dat hun ook maar enigszins betwist. Maar als geuzen dit geld niet mogen krijgen, dan toch zeker ook paapsen niet? Wat een afschuwwekkend verschil dus!

Hoe is het mogelijk dat men zo partijdig kan handelen? Maar ja, als men iets aan een geus kan ontnemen, al komt hem dat nog zo billijk toe, dan is dat een deugdzame zaak en men verdient er een stoel in de hemel mee, zoals ik het verschillende roomsen heb horen zeggen. Kan men door onrechtvaardigheid ook al de hemel verdienen? Wist je dit al, mijn waarde S...!

*) Versuch Schweitzerischer Gedichte, p. 65.

donderdag 11 juli 2013

Die roomsen weten helemaal niets!

Tweeëntwintigste brief, deel 2

Uit het volgende blijkt hoe onkundig zij in godsdienstig opzicht zijn. Toen de troepen van Hannover zich in 1794 enkele weken in de Meierij ophielden en iedere ochtend in het openbaar hun gemeenschappelijk gebed zeiden, ja zelfs iedere zondag onder de blote hemel hun eredienst hielden volgens een zeer loffelijk ritueel, plechtig en van diepe eerbied voor het Wezen aller Wezens vervuld, toen waren er vele roomsen die dan ook maar knielden en niet naar de mis gingen (het verzuimen van de mis op zondag is een zware zonde), omdat ze meenden dat de Hannovers de mis lazen, onkundig als ze waren van de Hoogduitse taal waardoor ze de liederen voor roomse kerkgezangen hielden.

In één woord: nergens vind je dommere mensen in de religie dan in de Meierij. Ik ken ook geen slechtere godsdienst dan de roomse, vooral in die landstreek. Ja! Als men nadenkt over de domheid, de dweepzucht, het bijgeloof en de vervolging, zoals ik je die naar waarheid tijdens mijn vorige en deze reis heb geschetst, dan mag men wel met een anonieme schrijver* zeggen: “inderdaad, als we zouden moeten kiezen tussen papisme of deïsme, dan zouden we zonder enige twijfel voor het laatste kiezen, als oneindig minder onterend voor God en minder nadelig voor de mensheid.” Wat een beschamende getuigenis voor de roomsen! Maar toch moeten we vragen: spreekt die man niet de zuivere waarheid???

De haat en de vervolgzucht van de roomsen vloeit vooral voort uit hun leer en de priesters wakkeren die nog eens heel sterk aan. Ik las ooit in de kleine Latijnse catechismus van de Jezuïet P. Canisius (en deze woorden vergeet ik nooit meer) het volgende antwoord op de vraag (ik geef je hier alleen mijn vertaling) wie van de kerk geheel verwijderd zijn?

Antwoord: allereerst de joden en alle ongelovigen, ook zij die van het geloof afvallig zijn; ten tweede de ketters enz. Hier doelt hij ongetwijfeld op de protestanten en aan het slot van datzelfde antwoord zegt hij: die allemaal van het lichaam van Christus, de kerk, zijn afgescheiden en vervreemd en daarom van het geestelijk leven en de zaligheid zijn beroofd en aan de duivel en de eeuwige dood zijn onderworpen, tenzij zij zich bekeren. Al dezen moeten door de katholiek gemeden worden. Maar vooral moeten de ketters en scheurmakers geschuwd en vervloekt worden, niet anders dan alsof zij de allergevaarlijkste pest (pestes exitiales) waren**.

*) Algemeene Vaderl. Letteroeffeningen voor 1794. Mengelwerk, p. 6.
**) Edit: Coloniensis 1760, p. 6.

dinsdag 9 juli 2013

Die roomsen zijn een en al uiterlijkheid

Tweeëntwintigste brief, deel 1

Geachte vriend!

Het is op het moment zeer regenachtig. Ik heb geen zin om mijn tijd in het koffiehuis of andere herbergen nutteloos en vervelend door te brengen. Wandelen kan ik niet, als ik tenminste droog wil blijven. Daarom blijft me niets anders over dan me met jou te onderhouden. Dat dit mijn grootste genoegen is, daarvan dienen mijn vorige brieven als bewijs. Ik blijf vanmiddag en vanavond in mijn kamer en ik wil je nu een lange brief schrijven, hoewel... ik ben nu niet bepaald opgeruimd, dus zal deze brief ook niet een van de beste zijn. Ik zal je schrijven en de zaken precies zo meedelen als ze me in gedachten komen, want het is me niet mogelijk alles ordelijk op elkaar te laten volgen.

De Liesveldt Bijbel, op een tijdlijn van
Nederlandse Bijbelvertalingen
Hoe meer ik de godsdienst in de Meierij onder de loep neem, mijn vriend, hoe nauwkeuriger ik die overdenk, hoe meer ik in mijn gevoel gesterkt wordt dat die religie niets met het christendom van doen heeft, behalve in naam. Ze geloven dat er een God is, maar ze zijn niet in staat om ook maar één voldoende bewijs van het bestaan van een Opperwezen aan te voeren, dat weet ik uit ondervinding. Al hun godgeleerde kennis bestaat hierin, dat ze het Onzevader, het Weesgegroet, de Geloofsbelijdenis en de Tien Geboden, zoals die in hun kerk geleerd worden, uit hun hoofd kennen.

Ze lezen nooit in de Bijbel, al zijn er enkelen die, als zij een vertaling van de Vulgata te pakken kunnen krijgen, die zo nu en dan ter hand nemen. Ik heb tegenwoordig een Liesveldtbijbel in mijn bezit en wel de beste druk van 1542*. Ik kreeg die van een roomse cadeau, bij wie ik hem toevallig zag liggen, omdat ik hem liet zien dat hierin het slot van het allervolmaakste gebed gevonden wordt. Zo’n ketterse bijbel wilde hij niet langer houden. Hij zou hem zelfs hebben verbrand, als ik hem niet had meegenomen. Ik zal hem als aandenken bewaren.

Hun hele godsdienst is uiterlijk, maar als ik correct wil formuleren, moet ik zeggen: “een roomse in de Meierij bezit in het geheel geen godsdienst, want het is voor mij een uitgemaakte zaak, dat er in het hart geen godsdienst plaats kan vinden als het verstand geen religieuze kundigheden bezit. De godsdienst van het hart, moet ook de godsdienst van het verstand zijn.”

*) J. le Long, Boekzaal der Nederduitsche Bijbel, p. 566-567.