Posts tonen met het label Brief 21 (reis 2). Alle posts tonen
Posts tonen met het label Brief 21 (reis 2). Alle posts tonen

donderdag 4 juli 2013

Bedrieglijke klopjes en brutale vroedvrouwen

Bron: Kwezels in Vlaanderen: vroomheid met uitstapregeling

Eenentwintigste brief, deel 5

Deze klopjes zijn in het algemeen de olijkste kakelaarsters en kwaadspreeksters ter wereld. Zeer zelden worden ze door vroomheid gedreven om het ordekleed aan te nemen. Een klopje mag ook trouwen, als zij wil. Een rijke boerin (dit is waar gebeurd) had zich met haar vrijer verloofd, maar er kwam een ander die zij liever tot man wilde hebben. Zij had berouw over haar trouwbelofte, maar de eerste wilde haar daar niet van ontslaan. Daarop werd zij een klopje. Haar eerste vrijer die dacht dat hij haar nu niet meer kon krijgen, trouwde met een andere vrouw. Vervolgens legde ze haar klopjesgewaad af en werd de vrouw van de tweede vrijer en zo werd een voorgewende vroomheid dekmantel voor een gepland bedrog. Zo gaat het vaak met deze fijne zustertjes: ze zijn niet zo heilig als ze zich wel voordoen. Ja! Het oude spreekwoord is hier goed van toepassing:

Klopjes, nonnen en begijnen
Zijn niet zo heilig als ze schijnen.

Als iemand in de Meierij deze zustertjes groet of aanspreekt, noemt hij ze altijd ma soeur; op die eretitel zijn ze zeer verzot.

Is deze brief nog niet lang genoeg? Me dunkt van wel! Dus beëindig ik hem met de verzekering van onveranderlijke vriendschap. Ik ben geheel de
Jouwe.

P.S.
Ik heb nog een klein plekje over. Om dat niet leeg te laten, wil ik het vullen met een voorbeeld van zeer vérgaande brutaliteit, waarover je je zeker zult verwonderen. De Meierijsche vroedvrouwen op het platteland zijn meestal rooms. Als ze een hervormde vrouw verlost hebben, presteren ze het om het kind meteen, in tegenwoordigheid van de moeder, te dopen. Hoe ver gaat de brutaliteit van die roomsen?! Je zou bijna aan de echtheid van dit verhaal gaan twijfelen, maar het is echt de zuivere waarheid. Ik geloof dat zij zich tegenwoordig dit recht aanmatigen, omdat de doop van ketters verdoemd is, en als zo’n kind ongedoopt sterft, dan is het voor eeuwig ongelukkig. Ook mag een roomse vandaag de dag in de Meierij doen wat hij wil. De geuzen liggen nu aan de ketting en zijn al blij als ze er met zwijgen goed van afkomen. Als een hervormde het zou bestaan om een kind van een roomse te dopen, dan zou hij zijn leven geen moment meer zeker zijn.

Tijdens deze reis zag ik ergens (waar? Het is mij ontschoten) een afbeelding van de Drieëenheid. Die werd afgebeeld als een deel van een menselijk lichaam met één hoofd en drie gezichten en het onderschrift: de Allerheiligste Drievuldigheid!

dinsdag 2 juli 2013

Nog meer over priesters

Een 'klopje' in het Geheugen van Nederland
Voor meer informatie over klopjes, zie Wikipedia

Eenentwintigste brief, deel 4

Hierbij schiet mij nu iets te binnen dat ik niet moet vergeten. Als een kind zijn catechismusles niet goed geleerd heeft en het bij de priester dus niet uit zijn hoofd kan opzeggen, dan wordt het door de priester op zijn knieën voor het Mariabeeld neergezet met uitgestrekte armen. Soms geeft zo’n priester het kind ook nog een steen in iedere hand. In die houding moet het dan enkele Onzevaders bidden, als bestraffing voor zijn domheid. Zo’n straf noemt men rekken. Ik heb meer dan eens zo’n strafoefening gezien.

Nog iets over de priesters. Een man wiens vrouw is overleden, mag priester worden, zelfs wanneer hij kinderen bij zijn vrouw heeft verwekt, zij het onder de volgende voorwaarde: als zijn kinderen zoontjes zijn, dan kan en mag dat doorgaan. Maar als zijn overleden echtgenoot hem slechts dochters heeft gebaard, dan is het niet geoorloofd om priester te worden. Is dat niet slim bedacht? Ligt er meer heiligheid in het feit dat men vader is van een jongetje dan van een meisje? Het schijnt zo te zijn, want waarom maakt men anders zo’n onderscheid? Ik geef graag toe dat ik deze heiligheid niet kan begrijpen. De roomsen zijn hierin echter veel slimmer dan de geuzen - slim tot in het belachelijke, zelfs.

Ik heb een vers gezien dat vervaardigd was bij gelegenheid van de priesterwijding van een man die getrouwd was geweest en bij zijn overleden vrouw een zoontje had. Hij werd priester en las zijn eerste mis. Dat is in een tijddicht vastgelegd, maar allerrampzaligst! Ziehier dit ‘schone’ vers:

GIJ ENGELEN VAN DEEZE EERSTE MIS
ZINGT NU VERHEUGT GLORIA IN EXCELSIS

Aan het einde van deze brief nog iets over de klopjes. De klopjes, of, zoals ze in de Meierij genoemd worden, de kwezels, lopen daar tegenwoordig nog steeds in het openbaar in hun ordekledij rond. Dat kan toch niet zijn, want het is in strijd met de wet! Maar, zoals ik je al vaker heb gezegd, een roomse mag in dit land tegenwoordig straffeloos alles van dien aard doen. Maar had een geus ambtskledij aan, dan zou men hem snel oppakken. Aan de andere kant: het is toch een slecht land, waarin niemand bijzondere voorrechten heeft.

donderdag 27 juni 2013

Gierige en inhalige priesters

Eenentwintigste brief, deel 3

Ik wil hier nog wat aan toevoegen over de priesters in de Meierij. Je treft onder hen goeden aan, al is hun aantal niet erg groot. Gierigheid en inhaligheid zijn de voornaamste gebreken onder hen. Ik wil je daarvan twee staaltjes geven. De vrouw van een zeer arme man beviel van een kind. Dat moest gedoopt worden, maar heeroom wilde het kind niet dopen als hij voor zijn moeite (een priester doet immers nooit iets voor niets) niet eerst een schelling zou krijgen, terwijl die arme man nog geen duit had. Goede raad was duur! De man mocht zijn kind niet ongedoopt laten, dat zou een doodzonde zijn. Want als het ongedoopt zou sterven, ach!, dan zou het een dwaallichtje worden en ongelukkig. Maar zonder betaling wilde de onbarmhartige, gierige paap niet dopen. Omdat de arme man geen raad meer wist, ging hij naar de dominee van de hervormden, vertelde hem alles en vroeg hem om het zo benodigde geld. Veel edelmoediger dan de gierige priester gaf deze de arme man niet alleen een schelling, maar daar nog iets bovenop voor zijn vrouw. De arme man ging vrolijk weg, gaf de inhalige priester het geld en het kind werd gedoopt.

Een tweede, waar gebeurd geval is het volgende: de priesters gaan één of twee keer per jaar bij hun parochie rond om het geld op te halen dat ze van iedere parochiaan (in de Meierij zegt men communicant) behoren te krijgen. Een bepaalde priester, van wie ik je de naam niet noemen zal, kwam bij zo’n gelegenheid bij een zeer behoeftige vrouw. Deze verzekerde hem dat zij niets had om te geven. Maar hij nam daar absoluut geen genoegen mee en doorzocht het hele hutje. Hij vond echter niets en ging al grommend en knorrend weer weg.

Deze beide priesters leven nog, mijn vriend, en wat vind je daar nu van? Is zulk gedrag niet onvergeeflijk, ja zelfs verfoeilijk? Temeer daar deze beide grappenmakers eerder tot de meer- dan tot de minvermogenden gerekend mogen worden. Dit soort gierigheid is er ook de oorzaak van, dat zij de kinderen zo vroeg hun belijdenis laten afleggen. Als een kind de leeftijd van twaalf jaar heeft bereikt, dan wordt het een communicant, en dan moet men daarvoor ook jaarlijks aan heeroom betalen. Men stelt zich niet de vraag of een kind van die leeftijd in staat is om zich een juist begrip te vormen van God en van religie. O nee! Men rekent op de volgende manier: een kind van twaalf jaar moet zijn belijdenis afleggen, dan betaalt het ieder jaar zo en zo veel.

dinsdag 25 juni 2013

Dolle honden en toverkollen

Een toverkol, zoals afgebeeld in het boek Het gruwelkabinet
(bron: recensie door Mark Cloostermans)

Eenentwintigste brief, deel 2

In de gedachten van de roomse Meierijenaars is er geen beter middel om niet door dolle honden gebeten te worden, dan gewijd brood bij zich te hebben. Maar als men denkt dat iemand door een dolle hond is gebeten, dan laat men hem met een aan Sint-Hubertus gewijde sleutel aan het hoofd brandmerken. Het kan immers niet baten op de plek waar men is gebeten. De kracht trekt ook door het hele lichaam. Brandmerken met een ander ijzer zou dan ook niets helpen. Ik heb meer dan één hond gezien die men met zo’n zogenaamde Sint-Hubertussleutel aan de kop gebrandmerkt heeft. Dan was hij voor altijd beschermd tegen de beet van een dolle hond, of hij zou, als hij toch gebeten zou worden, niet razend worden.

Velen die denken dat ze door een dolle hond gebeten zijn (hoeveel honden worden hier niet voor dol gehouden, die helemaal nooit dol zijn geweest!), gaan op bedevaart naar St.-Hubertus-Lil (een dorp in het Land van Luik dat in het bijzonder aan genoemde heilige is gewijd) om zich daar te laten brandmerken. Als ze dan niet dol worden, wat natuurlijk altijd gebeurt, wanneer ze niet door een dolle, maar door een andere hond gebeten worden, zoals bijna altijd het geval is, dan heeft St. Hubertus wonderen verricht. Wat vind je nu van dit valse en redeloze bijgeloof? Wanneer zal men in de Meierij toch eens eer betonen aan het gezonde verstand?

De schrik van de Meierijenaars zijn toverkollen, spoken, heksen, weerwolven en wat er nog meer is aan dergelijke zotternijen, zoals ik je vorig jaar al geschreven heb. De vrees daarvoor zit er bij elke roomsgezinde zo ingebakken, dat die nooit kan worden uitgeroeid. Ze wordt de kinderen met de paplepel ingegeven en veel priesters wakkeren dit bijgeloof nog aan, uit vuig eigenbelang. Ik heb velen proberen te overtuigen van de onmogelijkheid van het bestaan van spoken en men stemde overal mee in, maar bleef toch bij zijn bijgeloof. Werkelijk, mijn vriend, de oude heidenen bezaten meer gezond verstand dan de hedendaagse, roomse bewoners van de Meierij.

Horatius althans drijft de spot met zulke zotternijen met de woorden

Somnia, terrores magicos, miracula, sagas,
No turnos lemures, portentaque Thessala rides.

Of op zijn Hollands:

Lach om de dromen, die bij nacht het brein doen tollen,
De wonderen, het gespook, en het werk van toverkollen,
Het zwevend geestenleger en het spoken dat geschiedt
Door de onbekende kracht van het Thessalisch lied.

donderdag 20 juni 2013

De Jongste Dag en Rode Loop

Eenentwintigste brief, deel 1

Lieve vriend S...!

Tijdens mijn uitstapje van hier naar Sint-Oedenrode en verder werd mij verteld dat men in Helmond tegenwoordig erg ontevreden is, omdat men daar opnieuw de uitgeweken Brabantse geestelijken wil verjagen. Dit wordt door het gepeupel hoog opgenomen en het heeft aanleiding gegeven om er verschillende schotschriften aan te plakken. Onder andere werd mij het volgende doorgegeven, dat bij die gelegenheid gemaakt was, naar men mij zei. Ik geef je het door, zoals ik het heb gekregen:

Wee U, kromme papenjagers!
Hels gebroed en mensenplagers!
Met uw aanhang hier beneven,
Zal men loon naar werken geven.

Ik zal hier geen ander commentaar op geven dan alleen dit: zouden die geestelijken protestanten zijn geweest, o! met hoeveel genoegen zou men ze dan vervolgen. Zij zouden in de Meierij geen schuilplaats vinden voor het “hol hunner voeten”. Maar nu, omdat het om roomsen gaat, is het in de ogen van de Meierijenaars een misdaad. Genoeg hierover, laat me zwijgen!

Ik wil hier opnieuw een paar voorbeelden laten volgen van bijgelovigheid die in de Meierij onder de roomsen heerst. Als er iemand gestorven is wordt hij in een schoon hemd gekleed. Is het een ongetrouwd persoon, dan zet men hem als teken van zijn maagdelijkheid een krans met bloemen en groene kruiden op het hoofd. De reden hiervoor is, dat men in de dwaze waan verkeert, dat de mens bij de algemene verrijzing in hetzelfde gewaad zal opstaan als waarin hij begraven is. Het zou schande zijn als men onder zoveel miljoenen lelijk of zelfs ongekleed tevoorschijn zou komen. Zal er dan ook op de jongste dag nog sprake zijn van ijdelheid en pracht? Zal men zich ook dan nog aan de mode storen, die algemene tiran? Wat denk je, mijn vriend! Zeer zeker zal dat zo zijn, volgens het onbenul van die domme roomsen!

De zogenaamde St. Lucia is een patrones tegen de Rode Loop. Enige jaren geleden woedde deze ziekte enorm in sommige dorpen in de Meierij. Hoewel Lucia in een bepaalde plaats bijzonder als beschermheilige werd vereerd, heerste de loop daar toch. Een vrouw uit een ander dorp, waar die ziekte nog niet erg heerste, ging uit voorzorg en uit voorzichtigheid om toch maar gespaard te blijven, naar de H. Lucia, haalde daar een rood zijden Luciadraadje (dat is het eigenlijke behoedmiddel) en nam tegelijk de ziekte mee (oh! wat en ongelooflijke kracht zat er dus in die draad!), die zich zeer snel door het dorp verspreidde en een zeer groot aantal mensen het graf in sleepte. Deze waargebeurde geschiedenis zou toch een sterk tegengif tegen het domme bijgeloof moeten zijn, want waarschijnlijk zou het dorp niet door de ziekte zijn aangetast, als die vrouw stilletjes thuisgebleven zou zijn. Maar het bijgeloof laat zich door niets afschrikken en wordt door niets tegengehouden.